Video opname’s in de collegezaal. Over het videocollege. (2006)

Op 14 november moest ik in Utrecht een voordracht houden op de zogenaamde ‘SURF onderwijsdagen 2006’. Mijn toespraak maakte deel uit van een sessie met de titel ‘De Grenzeloze Collegezaal’. De organisatoren, Maaike van Leijen van de UvA en Jan Tijmen Goldschmeding van de VU, was ter ore gekomen dat ik mijn complete colleges op video opnam en via Blackboard aan de studenten ter beschikking stelde. Ze wilden graag dat ik daarover iets vertelde aan een publiek van technische medewerkers in de ICT-branche en aan docenten van universitaire studies en HBO-opleidingen. Ik geef hier delen uit mijn voordracht weer, schrijf kort over de reacties vanuit de zaal en besluit met een oproep aan alle sociologie-studenten. 

In het najaar van 2004 nam ik enkele van mijn eigen colleges op met de eenvoudige digitale videocamera die ik een paar maanden eerder had gekocht met het oog op de komende vakantie. Ik zette in de collegezaal de camera op een fragiel statiefje naast me, tamelijk dichtbij, om mijn stem met de ingebouwde microfoon te kunnen opnemen. Een experiment met een losse microfoon, met een draadje verbonden aan de camera, mislukte: je hoorde alleen maar een diepe brom. Bij een ander college bleek de camera te zijn gedraaid: twee uur lang was alleen mijn buik in beeld. De mensen van de afdeling ICT zetten op mijn verzoek de vier colleges die niet mislukt waren, op Blackboard. Sommige studenten zeiden dat ze ernaar hadden gekeken. Vooral in de week van de nationale treinstaking waren de gedupeerden blij met deze mogelijkheid om thuis achter de computer toch nog het gemiste college te kunnen volgen.

In het voorjaar van 2006 zijn alle 15 hoorcolleges die ik in het tweede semester van het eerste jaar uitsprak op video opgenomen. Deze keer ging dat heel professioneel met een dure digitale camera, die werd bediend door een ervaren professional, terwijl mijn stem werd geregistreerd met een revers-microfoon, die draadloos verbonden was met de camera. Elke week werden de colleges, soms enkele uren reeds na de opname, op Blackboard gezet. De studenten keken soms op dezelfde avond al naar het college dat ze die middag hadden gehoord. In het nu lopende semester worden alle 15 eerstejaars-colleges en alle 15 tweedejaars-colleges opgenomen. Als in het komende voorjaar ook mijn tweedejaars-colleges in ST2B worden opgenomen staan er circa zestig hoorcolleges van de twee cursusjaren omspannende Sociologische Theorie-cyclus in een eerste ruwe, nog ongemonteerde versie op Blackboard.

Mijn bedoeling in de lente van 2006 was eigenlijk heel anders dan hoe het nu uitpakt. Ik wilde al mijn colleges als ruw basismateriaal opnemen; ik wilde een soort grondstof te hebben om mee verder te kunnen werken. Ik wilde er teksten overheen projecteren, links maken naar plekken waar je materiaal kunt ophalen over het besprokene, citaten inblenden, literatuurtips op inserts zetten, ik wilde er zelfs eigengemaakte filmpjes tussen plakken, bij voorbeeld in het Marx-college een opname van mezelf, staande voor het Karl Marx Geburtshaus in Trier. Het opnemen van de hoorcolleges was dus slechts het prille begin van een ambitieus project. Maar de medewerkers van de ICT-afdeling bedachten dat het misschien een goed idee zou zijn om de opgenomen colleges alvast op Blackboard te zetten. Ik ging daarmee accoord: kijk maar eens wat er gebeurt. Dat had onvoorziene en spectaculaire gevolgen. De studenten gingen tot mijn verrassing massaal de colleges op Blackboard bekijken. Daar had ik niet op gerekend; het was ook niet mijn bedoeling. Misschien juist wel omdat ik aanvankelijk weinig ruchtbaarheid had gegeven aan deze mogelijkheid, ging het als een lopend vuurtje rond onder de studenten: alle colleges zijn te zien op Blackboard. Ze keken gedurende het semester, maar vooral ook in de twee, drie weken voor het tentamen. Ze keken alleen, ze keken met hun ouders, ze keken met hun partner, soms zelfs liggend in bed, ze luisterden naar de colleges terwijl ze stonden te koken, ze keken nog een uurtje na afloop van Nova, degenen die het tentamen niet haalden in de zomer opnieuw bij het voorbereiden van de herkansing.

Datgene waarvoor ik het allerbangste was, gebeurde niet: ze bleven niet weg van college. Ook toen de studenten wisten dat ze alle colleges thuis op hun gemak konden horen en zien, bleven ze komen. Desgevraagd zeiden ze dat ze dat deden omdat het in de collegezaal toch persoonlijker, echter is, omdat ze me vragen konden stellen, omdat ze elkaar weer eens zagen.

Studenten die het tentamen moesten herkansen meldden dat ze veel profijt hadden van het feit dat ze bij het voorbereiden van de herkansing de colleges nog een tweede keer konden zien.

Aan de leerlingen op de middelbare school die overwegen om sociologie te gaan studeren zou je een paar van deze colleges beschikbaar kunnen stellen, vooral de eerste colleges van het eerste jaar. Dat geeft ze een goed idee van de moeilijkheidsgraad van eerstejaars colleges en ook geeft het ze een realistisch antwoord op de vraag of deze studie nou eigenlijk echt wel iets voor ze is.

In juni 2006 is dit experiment geëvalueerd. Ongeveer honderd studenten vulden de vragenlijst na afloop van het tentamen in. Ongeveer tachtig procent was positief of zeer positief over het gebruik van video in de collegezaal. Meer dan zestig procent was het zeer oneens met de stelling dat nu er video’s zijn de colleges wel kunnen worden afgeschaft. De vraag ‘Heb je de college-opnames wel eens aan niet-sociologie-studenten laten zien?’ werd door niet minder dan vijftig procent beantwoord met ja! Een meerderheid van de studenten stemde in met de stellingen: de video-opnames waren nuttig bij het voorbereiden van het tentamen, ze hielpen me bij het beter begrijpen van de stof, ik haalde er een beter resultaat door. Het betreffende tentamen werd verrassend goed gemaakt. Ongeveer tachtig procent haalde het, terwijl dat percentage gewoonlijk rond de zestig procent ligt, maar dat kan ook andere oorzaken hebben gehad…

Tot slot nog enkele antwoorden op de open vragen bij de evaluatie van het project onder de studenten. Ik citeer letterlijk:

* Het is een goede ondersteuning

* Ik mis de index functie.

* Ook al blijft het beter om de colleges live bij te wonen, het is wel handig als je een keer niet kan.

* Het hielp me bij het leren van het tentamen.

* Alles naluisteren werkt verhelderend, vooral als je je eigen aantekeningen niet meer snapt.

* Het is wel moeilijk om aandachtig te blijven via internet.

* Ik vind het goed om thuis mensen te laten zien hoe het er aan toe gaat aan de universiteit.

* Meneer van Heerikhuizen is veel te gefocussed op de camera. Er is minder vaak interactie tussen de groep en hem. Het lijkt alsof hij tegen de camera praat en niet tegen ons.

* Op deze wijze kan ik het college herzien met de tekst bij de hand. Ik zet Bart op pauze om in het boek dingen op te zoeken, waardoor beter begrip ontstaat.

* Gevaar is dat op het tentamen te gedetailleerde vragen worden gesteld, omdat de docent ervan uitgaat dat we alles drie keer hebben beluisterd.

* Het is wel handig, maar als je alles moet terugkijken…pffff… is wel lang hoor.

Hier eindigde mijn toespraakje in Utrecht. Het publiek reageerde positief. Van de aanwezige ICT-medewerkers hoorde ik tot mijn verbazing dat ik waarschijnlijk de enige docent in Nederland ben die complete colleges op video opneemt en onmiddelijk aan de studenten ter beschikking stelt. De docenten waren verrast over het feit dat de studenten ongemonteerde teksten zo gunstig waardeerden. Ze hadden altijd gedacht, net als ik, dat met snelle beelden verwende MTV-studenten dit middel pas zouden gaan gebruiken als de colleges waren upgepimpt tot onderhoudende videoclips. Maar dat is dus niet zo: studenten willen content en zijn uitgekeken op slicke vormgevings-hoogstandjes. Verschillende aanwezigen zeiden na afloop tegen me: wat een goed idee, dit ga ik nu ook eens uitproberen. Maar het leukst vond ik de docent die zei: als je die colleges wilt verfraaien met allerlei aanvullende beelden en geluiden, dan moet je dat niet zelf gaan doen, je moet daar opdrachten voor de studenten van maken. Laten zij maar naar het graf van Durkheim gaan met hun digitale camera, laten zij maar een reportage maken vanuit het huis waar Marx in Soho woonde, laten zij Habermas en Wallerstein maar zelf interviewen, laten zij jouw colleges maar aanvullen en uitbreiden, zo wordt immers ook de Wikipedia door de jaren heen steeds beter en beter…

Wat een goed idee! Daar had ik zelf nog nooit aan gedacht! Ik geef het hier maar even door. Belangstellenden zijn welkom op mijn spreekuur.

‘Video-opnames in de collegezaal’. In : Sociologisch Mokum. Jaargang 10 (2006-2007), nummer 2. december 2006. pp. 48-49

Geef de opleidingscommissie het instemmingsrecht… of toch maar niet? (2006)

Ik ben drie keer voorzitter geweest van de Opleidingscommissie Sociologie, de OC, misschien in totaal wel acht jaar lang, maar ik ben vaker en langer voorzitter geweest van de Examencommissie Sociologie, de EC. Van 2002 tot 2004 was ik voor het laatst OC-voorzitter. Van 2004 tot begin 2006 was ik voorzitter van de EC. Dat gewissel van positie leidt regelmatig tot misverstanden.

Een paar jaar geleden legde ik aan een universitaire functionaris een aantal kwesties voor waar onze commissie zich grote zorgen over maakte. De functionaris vond het niet erg interessant. Telkens hoorde je het electronische geluidje dat aangaf dat er een nieuwe mail was binnengekomen en dan boog hij zich direct naar zijn beeldscherm – kennelijk zat hij op een belangrijk bericht te wachten. Na een poosje vond hij dat mijn bezoektijd er op zat en om me uit zijn kamer weg te krijgen zei hij ineens heel vertrouwelijk: ‘Begrijp me goed, ik snap best dat dit voor jullie allemaal enorm belangrijk is, maar ik heb uiteindelijk niet zo veel boodschap aan wat de OC er allemaal van vindt; jullie zijn toch alleen maar een adviserend orgaan en al die dingetjes van jullie, daar hoef ik als het er op aankomt niets mee te doen.’ Toen zei ik: ‘Ja maar, je vergist je, ik zit hier niet als voorzitter van de OC, dat ben ik al maanden niet meer, ik zit hier als voorzitter van de EC, de examencommissie. Als door een adder gebeten veerde hij overeind: ‘Wat? Ben jij voorzitter van de examencommissie? Dat wist ik niet. En jullie zijn het niet eens met… Wacht even, ik pak mijn schrijfblok, dit is erg belangrijk, jullie gaat nu toch niet de besluiten weer eens voor maanden traineren, net als vorig jaar?’ Toen snapte ik ineens een stuk beter hoe er in deze organisatie werd aangekeken tegen de mailtjes die ik als OC-voorzitter verzond en waar maar zelden een antwoord op kwam.

De OC heeft het recht om gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen. Maar de OC heeft niet het zogenaamde instemmingsrecht. Als de OC het geheel vernieuwde  Opleidingsexamenreglement om een heel principiële reden afkeurt, dan kan het moeiteloos worden ingevoerd, want de OC kan de besluitvorming toch niet blokkeren. Eigenlijk heeft de OC niet zo heel veel te vertellen. De Facultaire Studenten Raad, de FSR, heeft dat instemmingsrecht wel en die kan dus een spaak in het wiel steken en wordt daarom serieus genomen, maar de OC, ach, die doet maar wat-ie niet laten kan. De simpele conclusie zou kunnen luiden: minister, geef de OC, net als de FSR, net als een echte Ondernemingsraad in een bedrijf, dat blijkbaar zo belangrijke instemmingsrecht. Want als je dat niet doet, dan blijft die OC een papieren tijger.

Daar worden door de tegenstanders van dat instemmingsrecht wel een paar steekhoudende argumenten tegenin gebracht. Zo zijn er mensen die zeggen: wil je een levenskrachtige opleiding, dan heb je strakke bestuurslijnen nodig. Duidelijk moet zijn wie verantwoordelijk is voor welk besluit. Je moet de verantwoordelijkheid niet te diffuus spreiden, want dan kan iedereen zich achter iedereen verschuilen. Docenten die een module ontwikkelen moeten niet kunnen zeggen: ‘OK, dit onderdeel is slecht opgezet, maar dat komt doordat de OC allerlei tegemoetkomingen eiste en wat er nu is uitgekomen, is, dat geef ik graag toe, een halfslachtig compromis, sorry, maar zo wilden vooral die zeurpieten van studenten in de OC het nou eenmaal…’ De docent is verantwoordelijk voor de door haar ontwikkelde module en niemand anders. De universiteit is geen politiek bedrijf – als het goed is tenminste. Het is een organisatie van experts en die moet je als het even kan zo weinig mogelijk hinderen in het uitoefenen van hun expertise. Iemand met 25 jaar ervaring in het geven van onderwijs heeft over het algemeen een beter inzicht in hoe iets didactisch zal uitpakken dan een student die vier jaar langs komt en dan weer weg is.

De relatie tussen docent en student is daarom ook niet te vergelijken met de relatie van dienstverlener tegenover cliënt en evenmin met die van producent en consument, of die van werkgever en werknemer. Aan de universiteit draait het om de relatie van leraar tegenover leerling, de gilde-meester tegenover de gezel. Een dienstverlenende organisatie probeert de cliënt tegen zo gering mogelijke kosten net voldoende tevreden te stellen om ervoor te zorgen dat hij niet gaat klagen en zelfs nog wel eens terug komt. De docent probeert de leerling intellectueel tot het uiterste te stimuleren, het onderste uit de kan te halen. Dat is iets heel anders. Het is ook niet de relatie van een werkgever en een werknemer en daarom zijn allerlei vakbondsachtige modellen hier niet van toepassing. De OC is geen ondernemingsraad, het is een plek waar de leraar en de leerling, die elders in een qua kennisoverdracht asymmetrische verhouding tot elkaar staan, samen nadenken over de vraag wat er kan worden verbeterd aan het onderwijs. De docent als professional, de student als ervaringsdeskundige, die soms dingen kan waarnemen die voor het onderwijzend personeel onzichtbaar blijven. Kortom, het is misschien juist wel goed dat de Ondernemingsraad in het bedrijfsleven wel het instemmingsrecht heeft en de OC in het universitaire leven niet.

Tot zo ver het argument tegen het instemmingsrecht. Het probleem is dat staatssecretaris Rutte dit argument zelf druk bezig is achterhaald te maken. In 2007 krijgen studenten leerrechten die ze kunnen verzilveren aan universiteiten en hogescholen. Ze krijgen een soort strippenkaart waarop je modules kunt afstempelen. Dat mag vijf en een half jaar duren en dan is de strippenkaart vol. Wie langer wil studeren kan rekenen op een collegegeld van maximaal ca. 4500 euro. Dat idee van een strippenkaart is mede bedoeld om de marktwerking te bevorderen. Laat er maar wat meer vraagsturing op de onderwijsmarkt komen, zeggen de VVD-ministers,  power to the consumers. En als de staatssecretaris de studenten opzadelt met leerrechten, als hij ze een stapeltje vouchers geeft en ze aanraadt om zelf maar naar eigen smaak een aantrekkelijke reeks modules aan elkaar te schakelen, als hij de opleidingen aanspoort om met elkaar te gaan concurreren, dan gaat de universiteit inderdaad meer en meer lijken op een bedrijf . Je zou kunnen zeggen dat dan ook dat hooggestemde vertoog over de relatie tussen de gilde-meester en de gezel niet meer overeenstemt met de gecommercialiseerde werkelijkheid. Als dit is wat de staatssecretaris wil, dan is het logisch dat studenten zeggen: OK, dat is goed, maar dan willen we ook dat de OC’s het instemmingsrecht krijgen, want daar kunnen wij, marktgerichte onderwijsconsumenten, dan afdwingen dat we de beste kwaliteit onderwijs voor onze stempeltjes op die dure strippenkaart krijgen.

En toch. Toch ben ik voorlopig nog geen voorstander van instemmingsrecht voor OC’s. Als je de OC instemmingsrecht zou geven, dan verwordt ook dat orgaan tot een politieke organisatie, dan worden in die OC dezelfde politieke spelletjes gespeeld die nu op alle management-niveaus van de universiteit worden gespeeld, van het College van Bestuur tot de vergaderingen van de Driehoeken of Vierhoeken. Het mooie van de OC is nou juist dat die zo langzamerhand is geworden tot een lommerrijke oase in een brandend hete woestijn. Hier vind je nog betrokken mensen uit de verschillende geledingen die zich werkelijk om het onderwijs bekommeren en die gezamenlijk op een heel pragmatische manier proberen om er uit te komen. Hier wordt nog ouderwets gepolderd. Hier worden in vaak vriendschappelijk overleg tussen docenten en studenten plannen gemaakt om heel practisch de urgentste problemen aan te pakken. Voer het instemmingsrecht in en ook de OC wordt een plek waar wordt gecomplotteerd, waar de studenten in overlegjes vooraf hun slimme vergaderstrategieën met elkaar gaan afstemmen en misschien ook wel gaan smoezen met die ene iets te softe UD, die als een breekijzer in de docentenfractie kan worden ingezet. Geef de OC het instemmingsrecht en het laatste bastion van inhoudelijke Herrschaftsfreie discussie over het onderwijs zal voor onze verbaasde ogen in elkaar zakken. Dat de facultaire studentenraad een verpolitiekt orgaan is geworden is zo erg niet, want dat gremium staat toch veel te ver af van de alledaagse zorgen van docenten en studenten. Maar als het orgaan dat juist het dichtst bij de noden van alledag staat ook tot een politieke arena wordt, dan houd je niks meer over.

In de afgelopen twee jaar heeft professor Bernhard Kittel als voorzitter van de OC sociologie er samen met de andere OC-leden voor gezorgd dat dit orgaan excelleerde in precies datgene waar OC’s goed in zijn: de boel bij elkaar houden, pragmatisch zoeken naar werkzame oplossingen voor urgente problemen. Jammer genoeg gaat Bernhard onze afdeling binnenkort verlaten. Als de zomervakantie achter de rug is, word ik weer voorzitter van de OC sociologie. Mijn maiden speach hoef ik daar niet meer te houden; die staat nu al op papier. Dank je voor je werk, Bernhard, ik zal proberen een waardig opvolger te zijn.

‘Geef de OC het instemmingsrecht! Of toch maar niet?’ In: Sociologisch Mokum, Jaargang 2005-2006, nummer 14. juli 2006. pp. 32-33.

 

Waarheen voert de weg? Over reglementering en formalisering van het academisch onderwijs (2006)

De jonge, pas afgestudeerde docenten, die hier met zo veel plezier en toewijding werkgroepen verzorgen herinneren me aan hoe ik zelf zo’n drie decennia geleden voor het eerst les gaf. Veel is gelijk gebleven, maar sommige dingen zijn veranderd. Wat bij voorbeeld gelijk is gebleven zijn de docentenvergaderingen. Voorafgaand aan de eerste bijeenkomst van de werkgroepen komen de betrokken docenten bijeen om te praten over de opzet van het programma en in de loop van het semester herhalen ze die overlegjes. Maar er zijn ook verschillen. Dertig jaar geleden ging zo’n docentenoverleg vooral over de inhoud van het programma. Daarbij kon het er soms heftig aan toe gaan. De ene docent vond het belachelijk om de studenten een hoofdstuk te laten lezen waarin de leer van de vier sociale processen van Robert Park werd uitgelegd, de ander meende dat in de Weber-colleges onvoldoende aandacht werd geschonken aan de kritiek op het leerstuk van de waardevrijheid, een derde pleitte hartstochtelijk voor meer samenhang tussen de methoden van onderzoek-onderdelen en de theoriecolleges. Na een paar weken, wanneer het programma eenmaal op gang was gekomen, werden de inhoudelijke debatten feller. De marxistische jonge medewerker (24) verweet de oude hoogleraar (33) dat zijn weergave van de denkbeelden van Marx in het hoorcollege volstrekt achterhaald was, de bewonderaar van het werk van Elias vond dat er onvoldoende aandacht was voor de historisch-comparatieve aanpak was en ikzelf maakte met mijn vriend Toine ruzie over de vraag of de term ‘état’ bij Comte moest worden vertaald met het woord ‘stadium’ of het woord ‘toestand’. Soms, vijf minuten voor het einde van de vergadering, zei iemand: sorry dat ik er nog even over begin, maar zullen we afspreken dat de studenten maximaal twee keer absent mogen zijn vanwege ziekte of zoiets en dat wie vaker afwezig is iets extra’s moet doen? Ja hoor, zei iedereen dan, dat is goed hoor, zo doen we dat.

Tegenwoordig is een docentenoverleg waarin een module wordt voorbereid vrijwel uitsluitend gewijd aan vragen als: hoeveel KAVV-jes moeten ze maken, hoe vaak mogen ze afwezig zijn, hoe zorgen we ervoor dat ze elke week de stukken lezen, hoe controleren we op plagiaat en hoe bepalen we het eindcijfer. Iemand die de volle twee uur bij zo’n overleg aanwezig zou zijn en die van niets zou weten, zou onmogelijk kunnen bepalen welk vak deze docenten verzorgen; het zou kunnen gaan over de cursus ‘Hoe eet ik een broodje shoarma zonder te morsen.’ Wel zou het die oningevoerde buitenstaander opvallen dat deze docenten op een wonderlijke manier over hun studenten spreken. De studenten worden geacht uit zichzelf geen pagina te lezen, ze willen veel liever schappen vullen dan in de collegezaal zitten, als het zonnetje maar even doorbreekt is ieder terrasje stukken interessanter dan de werkgroep, ze overtreffen elkaar in het vinden van uitvluchten om onder een presentatie uit te komen en zeg nooit dat ze bij ziekte maximaal twee keer afwezig mogen zijn, want dan zal iedereen onmiddelijk die twee baaldagen pakken als ware het een in zware strijd bevochten recht. Studenten hebben van nature een diepe afkeer van studeren, ze verachten de wetenschap en ze haten de sociologie, maar wij, de docenten, wij laten het er niet bij zitten, we zullen ze wel krijgen, ‘…und bist du nicht willig, so brauch ich Gewalt…’

Terwijl de Amsterdamse ME na enkele decennia van trial and error heel goed heeft geleerd hoe je bij dreigende rellen tussen groepen voetbalsupporters de geweldsspiraal door de-escalerende maatregelen kunt doorbreken, bevinden docenten en studenten zich de afgelopen jaren in een heilloze escalatie. En net als bij een echte bewapeningswedloop kan dat alleen maar leiden tot ellende.

Waarheen voert deze weg? Veel collega’s zeggen tegen elkaar: ach, het zal zo’n vaart niet lopen, de wal keert het schip, na een periode van scherpslijperij zal iedereen wel weer een beetje normaal gaan doen, we leven nou eenmaal in rare tijden. Maar is dat wel waar? In sombere buien denk ik wel eens: alles wordt alleen maar erger. Zo lopen sinds begin september tientallen bewakers met in grote letters SECURITY op hun zwarte uniformen in de Oude Manhuis Poort de traditioneel ontspannen atmosfeer grondig te versjteren. Het houdt niet op.

Vorig jaar kreeg ik als voorzitter van de examencommissie een verzoek te beoordelen van een student die verschillende modules had gevolgd aan de Universiteit van Calgary in Canada. Ik nam er eens rustig de tijd voor en bestudeerde de handleidingen van de drie modules. En ik schrok van wat ik las. Dus dit was waar de weg die we in een moment van onbedachtzaamheid waren ingeslagen ons wellicht heen zou voeren…

Neem bij voorbeeld Professor J.R. Ponting. Hij verzorgt in Calgary een sociologie-module onder de naam Canadian Society. Waar die cursus precies over gaat wordt uitgelegd in vijf slecht geredigeerde zinnen. Het komt er op neer dat hij het boek van Harry H. Hiller, Canadian Society, hoofdstuk voor hoofdstuk met zijn studenten doorneemt. Maar professor Ponting raakt pas lekker op dreef in uitvoerige paragrafen over de ‘Responsibilities of the Student’, de ‘Meeting of Deadlines’ en de ‘Protection of Privacy’. Hij schrijft bij voorbeeld dat studenten die tijdens de les onderling praten of elkaar een notitie aanreiken, een ‘distraction’ veroorzaken: ‘Violations of these basic rules of respect will be met with serious consequences.’ Wie iets overschrijft van een ander pleegt plagiaat en kan van de universiteit worden verwijderd, ‘which, to say the least, does not look good on your transcript when you apply elsewhere’. (Voor de goede orde: het gaat me om de formulering, niet om de op zich terechte straf die volgt op frauduleuze overschrijverij.) Het is zinloos om te vragen om een ‘extension’ van een ‘deadline’, want die wordt niet gegeven. Leerboeken in je tas stoppen wanneer de docent nog niet het teken heeft gegeven dat de les ten einde is, is streng verboden. De studenten worden geacht de leerstof buiten het leslokaal met anderen te bespreken: ‘That is, you are to be a teaching ‘ambassador’ for this field’. Alle studenten zijn verplicht om deel te nemen aan de discussies in de werkgroep en dan volgt in vet lettertype deze zin: ‘‘Shyness ‘ is not a valid reason for not participating.’ En zo gaat het maar door in die onmiskenbare  toon van een machteloos schreeuwende sergeant. Toch is professor Ponting nog heel redelijk, in vergelijking met zijn Canadese collega’s; het kan veel erger.

Mark B. Durieux bij voorbeeld geeft een inleiding in de sociale psychologie ‘vanuit symbolisch interactionistisch perspectief’ en bij hem is het pas echt oorlog. Elke week moeten de studenten hem een WAR mailen, dat is een Weekley Attendance Report. Wat er in zo’n stukje moet staan blijft vrij duister, maar de omvangseis is glashelder: er zal heel streng worden gelet op de minimale omvang en die bedraagt 250 woorden. Wie daar onder blijft krijgt een onvoldoende, al is de tekst ook nog zo briljant. En dan volgt deze zin: ‘Changing font size or widening margins to meet the page length is a fruitless exercise since software such as MS Word easily calculates the number of words regardless.’ Mark B. Durieux heeft in Word het knopje ‘Word Count’ onder ‘Tools’ ontdekt en dat zullen we weten! Het is of je Seven of Nine hoort: ‘Resistance is futile.’ Behalve WAR’s moeten de studenten ook WONDER’s inleveren. Die moeten gaan over WHAT, HOW en WHY en moeten minimaal 750 woorden tellen. Naast een wekelijkse WAR en een tweewekelijkse WONDER is er ook nog een QUILT, waarbij de studenten autobiografische informatie moeten geven over hun leven op de campus en op basis daarvan een eigen sociaal psychologische theorie moeten ontwikkelen. Alle ingeleverde stukken worden geanalyseerd met speciale software. Zo krijgen papers met veel zinnen boven de 30 woorden een slechte beoordeling, want zulke zinnen ‘are generally considered too long.’ (Simmel, Weber, Elias en Bourdieu maken geen schijn van kans bij Mark B. Durieux.)

Dr. John Manzo geeft het programma Introduction to Deviance and Social Control. Zijn modulehandleiding bevat drie zinnen over de inhoud van de cursus en daarna gaat het alleen nog maar over Course Requirements, Grading Scale, Policy on Missed Term Work, Policy on Retrieving Assignments en  Policy on Cheating. Over dat laatste schrijft Dr. Manzo in een heel vette letter: ‘If I catch persons cheating at either of the term tests, I will not post a study guide for the final exam.’

Het beeld van het Canadese universitaire onderwijs dat oprijst uit deze instructies is treurigmakend: voor het geestesoog verschijnen zaaltjes vol studenten die luid met elkaar blijven kletsen als de docent iets probeert te zeggen, die tien minuten voor het einde hun tassen beginnen in te pakken, die frauderen, plagiëren en spieken en die als ze een stukje van 250 woorden moeten schrijven proberen om er met veel minder woorden onderuit te komen door een groot lettertype te gebruiken, omdat ze denken dat meester dat wel niet zal merken…

Dus dit is waarheen de weg ons voert die ook wij nu dreigen in te slaan. Maar dat mag niet gebeuren! Laten we afspreken dat onze docenten met plezier en toewijding mooie colleges en werkgroepen geven en dat onze studenten datgene doen waarvoor ze hier gekomen zijn: met plezier en met toewijding het prachtige vak sociologie studeren. Dat is alles. Wanneer we ons aan dat simpele beginsel houden, dan kunnen we al die draconische voorschriften en reglementen in de vuilnisbak gooien. En als we dat toch doen, kunnen we misschien in een moeite door ook die geuniformeerde jongelui laten verwijderen uit onze eigen Oude Manhuis Poort.

‘Waarheen voert de weg?’. In: Sociologisch Mokum. Jaargang 10, 2006-2007, nummer 1. september 2006. pp. 32-33.

Op naar 56-up. Over de beroemde Britse TV-reeks van Michael Apted (2006)

Nederlanders kijken meer dan drie uur per dag naar de televisie; waarschijnlijk zitten studenten in de sociologie daar flink boven. De ergste dief van hun tijd is de TV. Je merkt het in werkgroepjes: zelden wordt er gerefereerd aan een artikel, maar een groot deel van de studenten blijkt de avond tevoren te hebben gekeken naar Oprah of Doctor Phil. Een docent die in een college een verwijzing maakt naar Buffy the Vampire Slayer, ziet veel blijken van herkenning. Toen de laatste aflevering van Sex and the City voorbij was, schoten de tentamencijfers omhoog.

De studenten die het zo druk zeggen te hebben dat ze aan het bestuderen van de literatuur niet toe komen, zou ik graag adviseren: zet die TV bij het grof vuil! Dat levert je drie tot vijf extra uren op! Per dag!

Toch heeft de televisie juist de sociologisch geïnteresseerde kijker veel te bieden. Het mooiste sociologische programma van de laatste jaren is een Britse serie die wordt uitgezonden met tussenpozen van zeven jaar. In 1964 maakte het programma ‘World in Action’ een aflevering rond twaalf zevenjarige kinderen die afkomstige waren uit verschillende klassen. Het motto luidde: ‘Give me the child until he is seven and I will show you the man.’ De kijkers zagen interviews met deftige jongetjes en meisjes, die al precies wisten aan welk college in Oxford ze rechten zouden gaan studeren en met volkse kinderen, die zich geweldig verheugden op een carrière als huisvrouw of taxichauffeur. Enkele jaren later kwam iemand op het idee om diezelfde kinderen op 14-jarige leeftijd tot middelpunt van een vervolg-uitzending te maken onder de titel: ‘Seven plus seven’. De parmantige sjieke jochies van weleer bleken veranderd in mokkende pubers. De kijkers waren enthousiast en dus kwam er zeven jaar later, in 1977, een programma onder de naam 21-Up. En daarna volgden de afleveringen 28-, 35-, 42- en, in het jaar 2005,  49-Up. Het is telkens ontroerend om de deelnemers terug te zien. In de recentste aflevering werd het programma zelfs reflexief: de maker, filmregisseur Michael Apted, liet de 49-jarigen vertellen over hoe ze het vonden om elke zeven jaar deze invasie van hun privacy te moeten verdragen. Eén van de sjieke jongetjes uit 1964 zei als 49-jarige dat het voelde als het drinken van een bekertje gif, eens in de zeven jaar.

Het mooiste van het programma is dat het je iets laat zien dat moeilijk waarneembaar is: het verstrijken van de tijd. Je ziet de modes veranderen, je hoort zelfs hoe de taal verandert, alleen de klasseverschillen lijken onverwoestbaar. Het komt natuurlijk mede doordat de makers van meet af aan dat aspect hebben verkozen te benadrukken, maar toch is de conclusie onontkoombaar dat de klassemaatschappij nog altijd goed functioneert, zeker in Engeland.

Voor die sociologie-studenten die tegenwoordig steeds vaker zeggen dat het met de sociale ongelijkheid in ‘de moderniteit’ best wel meevalt, biedt zo’n serie stof ter overdenking. Nee, ze moeten hun televisietoestel toch nog maar even niet bij het grof vuil zetten.

‘Op naar 56-Up’. In: Facta, jaargang 14, nummer 1. maart 2006. p. 3.

De illusie van het vlieden van de tijd (2006)

Wie zich aan een universiteit bezig houdt met het verschijnsel wetenschap, zou zich niet uitsluitend in één enkele wetenschap moeten verdiepen. De grote Steinmetz zei het al: wie slechts één wetenschap kent, kent ook deze niet. Sociologiestudenten hebben gelukkig ook belangstelling voor antropologie, politicologie en geschiedenis, maar voor de meesten is de natuurkunde een beetje te ver van hun bed. Dat is begrijpelijk. Maar het is ook jammer.

Er zijn allerlei manieren om toch iets van de recente ontwikkelingen te vernemen. Iedereen die zijn collegegeld op tijd betaalt zou de colleges van Robbert Dijksgraaf kunnen bezoeken, al weet ik niet of die te volgen zijn voor oningewijden. Verder verschijnen er voortdurend boeken waarin geleerden op het gebied van de natuurwetenschappen hun best doen om in heldere taal aan betrekkelijke buitenstaanders uit te leggen waarom de quantummechanica zo moeilijk in overeenstemming te brengen is met de relativiteitstheorie of hoe het nou eigenlijk zit met die snarentheorie. De vaklieden zeggen dat de boeken van Brian Greene – The Elegant Universe (1999) en The Fabric of the Cosmos (2004) op dit moment redelijk goed aangeven hoe het er met het vak voor staat.

Je kunt natuurlijk ook de tijdschriftenwinkel binnen stappen en deze keer eens geen blad over popmuziek of mode kopen, maar het laatste nummer van de Scientific American. Daarin staan toegankelijk geschreven stukken van gerenommeerde wetenschappers wier teksten beter worden gecontroleerd dan wat je te pakken krijgt door in het wilde weg te goegelen. Zo nu en dan brengt dat blad een speciale editie uit die meestal gaat over de state of the art in een bepaalde wetenschap. Het recentste nummer in die serie heet The Frontiers of Physics. Het ligt op het moment dat ik dit schrijf nog in de schappen. Hoofdredacteur Mariette DiChristina sluit haar inleidende column af met de zin: ‘You’re in for a mind-boggling treat’. Dat is deze keer beslist geen overdrijving.

De nieuwe inzichten die hier worden gepresenteerd zijn vaak zo spectaculair dat je je afvraagt waarom mensen in die tijdschriftenwinkel naar de plank met New Age bladen lopen. Als je op zoek bent naar cosmologische huiveringen, naar raadselachtige voorstellingen die de spannendste science fiction te boven gaan, dan kun je beter doorlopen naar het wetenschapshoekje. Een van de theorieen die je in dit blad tegenkomt, stelt dat ons heelal misschien slechts één universum is uit een hele rij universa en dat we niet alleen leven op een planeet die leven toestaat, maar dat we misschien ook wel leven in het enige universum uit een onvoorstelbare reeks waarin natuurwetenschappers kunnen ontstaan die nadenken over het bestaan van meerdere universa. In dit soort artikelen moet je er niet vreemd van opkijken als iemand doodleuk zegt dat er misschien nog een paar dimensies zijn, die we nog niet hebben kunnen ontdekken, omdat ze zo klein zijn dat ze tot nu toe aan onze aandacht zijn ontsnapt. En wat te denken van het idee dat ons hele universum wellicht een gigantisch hologram is. In termen die Startrek-fans begrijpen: niet alleen het holodeck is een hologram; als je het holodeck verlaat wandel je alleen maar een ander hologram binnen, en trouwens: je bent zelf ook een hologram. Ter herinnering: het gaat hier dus niet over het filmscenario van een Hollywoodregisseur die The Matrix wil overtreffen met een nog veel bizarder verhaal;  het gaat hier over wetenschappelijke hypothese waar ernstige professoren in Harvard en Amsterdam met ouderwetse krijtjes formules over op het schoolbord schrijven. (Ik heb de indruk, dat dit soort onderzoek niet door middel van power point presentaties wordt uiteengezet en ontwikkeld, maar vooral door met krijtjes op schoolborden te schrijven…

Het artikel waar ik hier wat extra aandacht voor vraag is het sluitstuk, geschreven door de filosoof en theoretisch natuurkundige Paul Davies. Het heet ‘That mysterious flow’ en het gaat over het vlieden van de tijd. In dit artikel zegt Davies dat er iets vreemds aan de hand is met hoe wij mensen het verschijnsel tijd ervaren. Je hoort wel eens verkondigen dat er natuurkundigen zijn die beweren dat tijd eigenlijk niet bestaat. Als die er al zijn, dan hoort Paul Davies daar niet bij. Hij zegt ook niet dat er geen richting zit in de tijd; er is wel degelijk een tijd-pijl, een ‘arrow of time’. Tijd is asymmetrisch, je kunt er als het ware een kompas overheen leggen en het naaldje op dat kompas wijst dan altijd dezelfde kant op, namelijk de kant van toename van entropie, groei van rommeligheid. Tot hier toe correspondeert de alledaagse ervaring redelijk goed met wat de natuurkunde ons leert. Maar dan komt er iets heel contra-intuïtiefs. Dat een kompas altijd naar het Noorden wijst wil nog niet zeggen dat dat kompas zelf ook naar het Noorden toegaat. Welnu, dat er een zekere richting in de tijd zit, wil nog niet zeggen dat de tijd zelf voortstroomt. En dat doet de tijd dan ook niet, althans volgens sommige natuurkundigen. (Vraag aan iemand die denkt dat de tijd voortstroomt hoe snel de tijd dan eigenlijk beweegt. Het antwoord dat de tijd voorbijschiet met een snelheid van één seconde per seconde is niet erg bevredigend.) Zij menen dat er geen flow of time bestaat, dat de tijd niet voortvloeit of voorspoedt of vliedt; die door ons waargenomen beweging is niets anders dan een illusie.  Ze geloven dat de speciale positie van het heden geen natuurwetenschappelijke basis heeft en dat het in natuurkundige zin onmogelijk is om enigerlei onderscheid te maken tussen verleden, heden en toekomst.

De erudiete Davies besteedt in dit artikel kort aandacht aan denkers die al eerder vermoedden dat het vlieden van de tijd een illusie is. Hij noemt een theoloog uit de vijfde eeuw, Sint Augustinus van Hippo, en een denker uit het begin van de twintigste eeuw, de Engelse filosoof John McTaggart. Als het was toegestaan om grote namen uit de literatuur te noemen had hij ook de schrijver Borges kunnen noemen die in verschillende verhalen en essays zijn gedachten heeft laten gaan over de mogelijkheid van een onbeweeglijke tijd, een eeuwigdurend en dus statisch nu. Maar temidden van al die mensen die hier wel eens iets van hebben voorvoeld is er één wiens mening wel erg zwaar weegt: Albert Einstein. Davies verwijst hier iets te beknopt naar een zinnetje van Einstein, dat mij diep ontroerde toen ik het een paar jaar geleden voor het eerst onder ogen kreeg.

Toen een van Einsteins oudste vrienden overleed, een zekere Michele Besso, met wie hij had gewerkt op het patentenkantoor, probeerde Einstein de weduwe van Besso te troosten met een condoleancebrief, die hij schreef op 21 maart 1955. De grote natuurkundige was in die brief buitengewoon ernstig want hij wist dat zijn eigen dood zeer nabij was en inderdaad overleed hij zelf een paar weken nadat hij de brief had verzonden, namelijk op 18 april 1955. In die brief schijft Einstein deze wonderlijke zinnen: ‘Nun ist er [Michele Besso] mir auch mit dem Abschied von dieser sonderbaren Welt ein wenig vorausgegangen. Dies bedeutet nichts. Für uns gläubige Physiker hat die Scheidung zwischen Vergangenheit, Gegenwart und Zukunft nur die Bedeutung einer wenn auch hartnäckigen Illusion.’ (Deze oorspronkelijke Duitse tekst is te vinden in: Max Jammer, Einstein and Religion, p. 161)

Als de zo overtuigend lijkende ervaring dat de tijd voortspoedt en als ook de sensatie dat er verschil is tussen verleden, heden en toekomst voor de toegewijde natuurkundige slechts de betekenis heeft van een illusie (zij het dan ook een hardnekkige illusie), dan is natuurlijk de volgende vraag: waar komt die illusie vandaan en ook: waarom koesteren wij mensen deze vreemde illusie? Daarover schrijft Davies: ‘This illusion cries out for explanation, and that explanation is to be sought in psychology, neurophysiology, and maybe linguistics or culture.’ In dat rijtje hoort natuurlijk ook de sociologie thuis. Het zijn bij uitstek sociologen die studie maken van hoe mensen in collectiviteiten hun eigen zingevingskaders ontwikkelen. En sommige sociologen, zoals Durkheim in zijn boek over de elementaire vormen van het religieuze leven, hebben ook op deze manier over het verschijnsel tijd geschreven, gepoogd om het vlieden van de tijd te begrijpen als een sociale constructie. De beste sociologische studie hierover is het moeilijke boek Uber die Zeit van Norbert Elias, verschenen bij Suhrkamp in 1984. Daarin gaat het voortdurend over de vraag naar de sociogenese van het  voortschrijden van de tijd.

In de slotalinea vraagt Davies zich af wat de psychologische en sociale consequenties zouden zijn als mensen er van overtuigd zouden raken dat de ervaring van het vlieden van de tijd uiteindelijk net zo’n illusie blijkt te zijn als bij voorbeeld de intuitief overtuigende ervaring dat we leven op een plat vlak. Hij schrijft daarover: ‘Worries about death might become as irrelevant as worries about birth. Expectation and nostalgia might cease to be part of human vocabulary.’ Die laatste zin lijkt me typerend voor iemand die veel van natuurkunde maar weinig van sociologie af weet. Mensen kunnen heel goed beseffen dat het beeld van hun kindertijd in natuurwetenschappelijke zin op een eigenaardige illusie berust, maar toch met herkenning en ontroering de boeken van Proust, Nabokov en Kousbroek lezen.

Misschien bevat de formule dat tijd een illusie is wel een element van troost voor diegenen die lijden onder de angst voor hun eigen onontkoombaar naderende dood. Ooit verschafte de godsdienst troost aan eenieder die het vooruitzicht van het eigen sterven onverdraaglijk vond. Misschien dat de natuurwetenschappen die troostende taak een klein beetje kunnen overnemen.

‘De illusie van het vlieden van de tijd’. In: Sociologisch Mokum, Jaargang 2005-2006, nummer 12, maart 2006. pp. 28-29. Later gepubliceerd als: Bart van Heerikhuizen, Multoblaadjes. Diemen: AMB, 2013. pp. 13-18

Moet moed?

Op 5 oktober moest ik in de gehoorzaal van het Academiegebouw in Leiden voor een grote groep studenten, die zich voorbereidden op het  26e symposium van de Veerstichting, een lezing houden. De titel van dat symposium luidde: moed moet. Er was een congresboekje uitgebracht waarin een overzicht werd gegeven van de sprekers en hun thema’s. Er waren nogal wat genodigden die op plechtige toon de studenten opriepen tot het tonen van moed in deze zwarte tijden. Ik ergerde me een beetje aan braafheid, die de spreker niets kost en daaraan heb ik die lezing toen gewijd. Wat hier volgt zijn een paar passages, die misschien ook voor Amsterdamse studenten het overwegen waard is.

Toen ik het congresboekje doorbladerde, merkte ik dat van tijd tot tijd mijn natuurlijke neiging tot lichte achterdocht werd geprikkeld. Als A tegen B zegt dat B een beetje meer moed behoort te tonen, want moed moet, dan vraag ik me af of A bij die moedigheid van B misschien iets te winnen heeft. Zegt A dat misschien omdat hij zelf niet zo moedig is? Op grond waarvan meent A trouwens dat hij die moedigheid van B mag vragen? In het programmaboekje voor het symposium zie ik wel véél A’s, érg veel A’s.

Hoe moedig ben ik zelf eigenlijk? Sommige babyboomers beginnen als iemand dat vraagt, al gauw enthousiast te vertellen over hoe dapper ze demonstreerden tegen de Amerikaanse interventie in Vietnam, waarbij ze niet verzuimen om de hedendaagse studenten van politieke desinteresse te betichten. Ze zijn nog altijd ergerlijk trots op hun toenmalige activisme. En inderdaad, ook ik hoor bij die generatie en ook ik liep veertig jaar geleden mee in die demonstraties. Sterker nog, ik heb wel eens een klap gekregen van een politie-agent met de blanke sabel, ik ben wel eens opgepakt, ik heb wel eens in een politiebureau vastgezeten, en een keer moest ik zelfs voor de rechter verschijnen. Maar ik vond dat toen niet moedig van mezelf en ik vind dat ook nu helemaal niet moedig. Ik riskeerde niets, absoluut niets. Maar in die demonstraties liep steevast een oudere Amsterdamse loodgieter mee uit de Eerste Helmersstraat, die, als er toespraken werden gehouden, de jongelui in authentiek Amsterdams opriep om voortaan elke week te gaan demonstreren tegen de oorlog in Vietnam. Hij heette Piet Nak. Als hij opriep tot het tonen van een beetje moed, dan had hij daar het volste recht toe, want niet alleen was hij bij elke demonstratie van de partij, hij had, zo werd verteld, tijdens de februaristaking van 1941 een heldhaftige rol gespeeld. Zo iemand heeft zich de credentials verworven om andere mensen aan te moedigen; er stond iets indrukwekkends op zijn eigen moedigheids-CV. Wie het had opgenomen tegen de Duitse bezetters, die had echt iets geriskeerd, anders dan wie meeliep in zo’n brave demonstratie en heel hard ‘Johnson Molenaar’ riep, omdat ‘Johnson Moordenaar’ niet mocht.

Op mijn eigen conduitestaat van moedigheid kan ik na ijverig zoeken slechts één enkel feitje vinden, dat bovendien bar weinig voorstelt. Eind jaren zeventig raakte ik verzeild in een conflict met een grote zaal vol boze sociologiestudenten. Het waren er wel zo’n 150 en een radicale minderheid in hun midden maakte me het college geven nogal moeilijk. Een van de dingen waarmee ik me hun woede op de hals had gehaald, was dat ik in een college had gezegd dat het wereld-bevolkingsvraagstuk het grootste probleem van deze tijd was. Ik vind dat nu een overdreven en simplificerende uitspraak, maar dat de studenten toen vonden dat ik dat niet mocht beweren had een andere reden. Ze vonden dat ik had moeten zeggen dat de uitbuiting van het fabrieksproletariaat door de bourgeoisie het grootste probleem van deze tijd is, maar dat vond ik nou weer een onzinnige gedachte. Op een dinsdagmorgen wist ik dat ik de volgende dag weer college zou moeten geven voor dat mij zo vijandig gezinde publiek en ik wist dat ik het moeilijk zou krijgen. Ik gaf nog maar sinds kort zo’n groot hoorcollege en ik had het ontzettend benauwd, ik wilde me eigenlijk ziek melden, maar dat vond ik nou weer zo laf. En toen zei mijn toenmalige collega Abram de Swaan iets belangrijks tegen me. Bram werd in die tijd in zijn eigen hoorcolleges veelvuldig onderbroken door het linkse agitatiecollectief van de KSB-ml. Dat is geen internetadres. Het is een afkorting die betekent: Kommunistiese (want zo hoorde je te spellen) Studenten Bond, marxisties-leninisties. Ik herinner me nog een pamflet uit die tijd waar boven stond: ‘De fabeltjes van meneer Den Uijl en meneer De Swaan.’ Linkse jaren zeventig humor! Abram de Swaan zei die dinsdagochtend tegen me: ‘Kom op, Bart, er kan je helemaal niets gebeuren,  je wordt niet ontslagen, er gaat geen cent van je salaris af, je vriendin loopt geen enkel gevaar, er klopt niemand in de nacht op je deur en die schatten van linkse studenten zullen je geen haar krenken, dit is jouw kans om je onder ideale omstandigheden te oefenen in moed. Grijp die kans. Zo’n kans krijgen de meeste mensen hun hele leven niet. Je bent bevoorrecht.’ Die woorden ben ik nooit vergeten: je oefenen in moed.  Ik denk dat ik toen, onder die veilige condities, en inderdaad, daar had hij groot gelijk in, zonder enig werkelijk risico te lopen, in die collegezaal een heel klein sprankje moed heb getoond, bij voorbeeld door me niet ziek te melden en door te weigeren om mijn eerdere uitspraak terug te nemen, zoals de studenten eisten. Dat bleek de silent majority in die collegezaal wel te waarderen en de linkse schreeuwers lieten het in de weken erna steeds vaker afweten, onder druk van andere studenten die riepen: laat die jongen zijn college geven en hou je kóp nou eens even. Dat waren mijn ten minutes of courage. Het is weinig voor een mensenleven, maar misschien krijg ik nog eens een kans. Maar ik hoop van niet. Ik wil graag toelichten wat ik met die laatste woorden bedoel.

Uit de experimenten van Stanley Milgram, waarbij veel proefpersonen aan onbekende andere mensen dodelijke electrische schokken meenden toe te dienen, blijkt dat mensen in korte tijd kunnen worden overgehaald tot het vermoorden van hun medemensen. Er zijn meer van dit soort experimenten gedaan, zoals het beroemde Zimbardo experiment. De ene groep proefpersonen mag cipiertje spelen, de andere groep neemt de rol van gevangene op zich. Dat experiment liep na korte tijd zo verschrikkelijk uit de hand dat er later verschillende speelfilms over zijn gemaakt, want de gebeurtenissen lenen zich natuurlijk goed voor een toneelstuk of een film. Maar kun je nu zeggen dat diegenen onder de spelers van de cipier-rol, die weigerden om de aan hen overgeleverde gevangenen te martelen, moedige mensen waren?

Mijn antwoord op de vraag die Milgram, Zimbardo en soorgelijke onderzoekers aan de orde hebben gesteld en waarop we nog altijd het antwoord niet weten, luidt in elk geval niet: we moeten mensen trainen om wat moediger te worden. Niet dat het kwaad kan. Misschien moet elke ouder zijn kinderen voor het slapen gaan het sprookje van Milgram vertellen en er dan bij zeggen dat pappa en mamma hopen dat jij, lieve schat, op tijd zal stoppen met op die stroomstoten-knop te drukken. Maar ik denk niet dat dat veel zoden aan de dijk zet.

De vraag is veeleer hoe je kunt voorkomen dat mensen in de verleiding worden gebracht om anderen te martelen of dood te maken. De situatie die Zimbardo in zijn laboratorium kunstmatig in het leven riep, moet in het echte leven zo veel mogelijk vermeden en bestreden worden. Als je over de studies van Milgram en Zimbardo leest, is je eerste gedachte dat we zouden moeten streven naar het weerbaarder maken van mensen opdat ze, als ze zich in zo’n situatie bevinden, aan enkele basisprincipes van menselijkheid houden, ook al dringt hun omgeving hele andere handelingen op. Maar het is veel belangrijker om na te denken over en te streven naar sociale arrangementen waarin zulke situaties zich helemaal niet voordoen, waarin mensen niet worden verleid tot het misbruiken van hun macht. Als er een Abu Ghraib gevangenis is, is er altijd wel een Lyndie England. Als er geen Abu Ghraib gevangenis is, dan zullen we nooit ontdekken dat in die lieve, een beetje simpele Lyndie van het pompstation om de hoek een monstertje schuil gaat. De vraag is niet hoe we Lyndie England moediger maken in het weerstaan van de druk van haar sadistische vriendje, de vraag is hoe je een samenleving kunt maken zonder plekken waar Lyndie dat lelijke stukje in haar repertoire aan het licht kan laten komen. En dat is een moeilijke vraag. Maar het helpt al om je te realiseren dat er in het Nederland van nu, voorzover ik het kan overzien, geen Abu Ghraib-gevangenis bestaat of een instelling die je daarmee kunt vergelijken.

Moed, eer, trots, loyaliteit, dat zijn ridderlijke deugden, die worden in aristocratische samenlevingen in ere gehouden door een bovenlaag van afstammelingen van geweldsspecialisten, nazaten van de feodale adel, achterkleinkinderen van ridders. En soms konden die nobele aristocraten zich met veel moed opwerpen als de beschermerheren van een bedreigde minderheid, soms kon een groep van locale notabelen bij voorbeeld in de bres springen voor een religieuze secte die werd bedreigd. Maar in een moderne, democratische samenleving wil en mag geen enkele minderheid meer afhankelijk zijn van de welwillendheid, de moedigheid van een potentiële beschermheer. In een democratische samenleving zijn sinds 1789 niet trots en moed de centrale waarden, maar vrijheid en gelijkheid. Omstreeks 1830 vroeg Alexis de Tocqueville zich bedrukt af wie de rechten van de minderheden zouden behoeden in een democratische samenleving waarin de middelmatige meerderheid zijn wil aan iedere minderheid kan opleggen, een samenleving waarin de adel en dus ook de aristocratische deugden steeds meer zijn gemarginaliseerd. Maar in de twintigste eeuw hebben verschillende landen, veelal in Noord-West Europa aangetoond dat ook in democratieën, vooral als het goed geoutilleerde verzorgingsstaten zijn, de overheid ervoor kan zorgen dat zelfs minderheden die niet goed voor zichzelf kunnen zorgen de bescherming en steun krijgen die ze nodig hebben. In de Europese democratische verzorgingsstaten was het vaak de overheid die opkwam voor gediscrimineerde minderheden, en daarmee waren die dus niet meer afhankelijk van de moed van welwillende met hun lot begane zaakwaarnemers.

I have a dream. Ik droom van een wereld waarin het niet meer belangrijk is of  er moedige mensen zijn of niet, omdat niemand er is aangewezen op de moed van zijn naasten. Nou ja, soms mag een meisje moed tonen door een katje uit de boom te halen, soms mag een brandweerman moed tonen door dat meisje uit een brandend huis te redden, maar daarmee heb je het dan ook wel gehad.

Daarom vind ik het een slecht teken dat ik niet alleen Sovjet dissidenten als Irina Grivnina en Andrej Amalrik, niet alleen Hannie Schaft en Piet Nak, maar nu ineens ook Ayaan Hirsi Ali en Geert Wilders moedige mensen moet gaan vinden. Ik vind echt dat ze dat zijn. Anders dan die cabarettiers die maar niet ophouden met grapjes te maken over Wilders’ rare kapsel, heb ik eerbied voor een parlementariër die maand in maand uit moet leven met de mogelijkheid op rituele wijze van kant gemaakt te zullen worden en die niet doet wat ikzelf misschien wel zou doen: uit dat parlement stappen en een lekker leventje gaan leiden in de Provence, waar je er vrij zeker van kunt zijn dat je mediageile vijanden je heel snel zullen vergeten. Maar ik vind het tegelijkertijd ook heel vervelend om dit te moeten vinden. Ik wil niet dat Nederland een land wordt waar ik mensen met moed dien te bewonderen, want dat betekent in zekere zin dat er iets grondig aan het mis gaan is in Nederland. Piet Naks moed heeft zich kunnen uitkristalliseren in het milieu van het totalitaire nationaal socialisme, Amalriks moed werd gepolijst op de slijpsteen van het totalitaire communisme. Zullen nu die verdwaalde aanhangers van een bizar soort totalitair islamisme waar vrijwel geen Moslim iets mee te maken wil hebben, er werkelijk in slagen om van de moed een Nederlandse hoofddeugd te maken, een eigenschap waar we in de voor ons liggende decennia in Nederland weer meer en meer op aangewezen zullen raken? Het is helaas niet onmogelijk dat het zo loopt, je mag voor dat allerzwartste scenario je ogen niet sluiten, maar voorlopig weiger ik dat nog aan te nemen.  Het valt niet uit te sluiten dat ik in mijn leven een keer mijn kans krijg om waarachtige moed te tonen, het soort moed waarbij je wel degelijk een substantieel risico loopt, en ik hoop dat ik dan mijn rug recht zal houden, maar het meest hoop ik toch nog dat, om een gerespecteerde collega-docent te citeren, deze drinkbeker, als het mogelijk is, aan mij voorbij zal gaan. Ik hoop dat Nederland weer snel het land wordt waar echte moed een schaars goed was, omdat er na 1945 betrekkelijk weinig behoefte aan was. Ik verlang naar een Nederland waar het niet zo nodig is voor al die A’s om tegen die B’s te zeggen: moed moet. In het programmaboekje van het Symposium zie ik heel veel van die A’s. En bij zo veel A’s ga je vanzelf denken dat de noodklok luidt, dat Nederland nu al in de greep is geraakt van het nieuwe totalitarisme van de Griezelig Geborneerde Geesten. Zo ver is het nog niet en we moeten ons ook niet laten aanpraten dat het reeds zo ver met ons is gekomen. Vandaar dat ik bij zó veel A’s, die ons toeroepen dat moed moet de neiging voel opkomen om een buiging te maken en beleefd te af te sluiten met de woorden: dames en heren, dank U wel.

‘Moet moed?’. In: Sociologisch Mokum, Jaargang 2005-2006, nummer van november 2005. pp. 40-41.

De voorgeschiedenis van het AST. Over het ontstaan van het Amsterdams Sociologisch Tijdschrift in 1974. (2004)

In het najaar van 1973 heerste er aan het Sociologisch Instituut van de Universiteit van Amsterdam nog altijd een opgewonden stemming. De tijden van Provo en van de bezetting van het Maagdenhuis waren al een poosje voorbij – de voormalige actievoerders mopperden dat het elan van weleer aan het verdwijnen was – maar toch was de kalmte niet weergekeerd. Zo nu en dan vonden er bezettingen plaats van universitaire gebouwen; in de algemene vergaderingen waar door medewerkers, secretaresses en studenten volgens het one man one vote beginsel werd gestemd ging het er vaak heftig aan toe; in de collegezalen waar agitatiecollectieven van de Kommunistiese Studenten Bond, de KSB, actief waren, werden de college-docenten op elke politiek incorrect geachte uitspraak fel aangevallen. De belangrijkste tegenstelling leek in het begin van de jaren zeventig vooral die te zijn tussen marxistische docenten en studenten aan de ene kant en daar tegenover een heterogene groep docenten en studenten die vooral gemeen hadden dat ze sceptisch stonden tegenover de marxisten en die zich als ‘burgerlijke sociologen’ zagen geëtiketteerd. Tegelijkertijd bloeiden in deze rommelige situatie allerlei nieuwe initiatieven op, die in deze strijd soms al snel weer ten onder gingen. Het scheelde weinig of ook het AST had dat lot getroffen, nog voordat het eerste nummer verscheen.

Dat eerste nummer kwam uit in april 1974, maar daar waren heftige conflicten aan voorafgegaan. De marxistische medewerkers en studenten die al voordat het eerste nummer gedrukt werd probeerden om het blad naar hun hand te zetten stond een op locale discussies gericht tijdschrift voor ogen, een blad dat vooral gewijd diende te zijn aan de instituutspolitiek. Hun tegenstrevers wilden daarentegen een blad dat de wereldwijde crisis in de sociale wetenschappen, die door Alvin Gouldner in zijn boek The Coming Crisis of Western Sociology was aangekondigd, tot uitgangspunt zou nemen en het debat daarover zou entameren.

Het AST is ontstaan in het najaar van 1973. In die tijd werd op het Sociologisch Intituut een zogenaamd ‘stafseminar’ gehouden, een reeks discussiemiddagen, waar stafleden en enkele daarvoor uitgenodigde studenten discussieerde over het onderzoek van een van de medewerkers. In de koffiepauze van zo’n bijeenkomst werden de plannen besproken voor een nieuw tijdschrift.

In het informatiebulletin van de studie-eenheid sociologie en culturele antropologie, dat de evocatieve naam Mededelingenblad droeg, werd de oprichting van dat stafseminar door redacteur Paul Kalma aangekondigd: met ingang van 16 september 1973 zouden elke woensdagmiddag van drie tot vijf bijeenkomsten worden gehouden waar werd gediscussieerd over een referaat of paper van een van de stafleden. De initiatiefnemers schreven:‘1.Op het Sociologisch Instituut zijn er onvoldoende stimulansen tot wetenschappelijk werk. Onderlinge discussie, één van de eerste voorwaarden voor een goede wetenschapsbeoefening, ontbreekt vrijwel. 2. Bij veel stafleden heeft zich een “zelfbeeld van onderwijzer” ontwikkeld. De kriteria waarnaar men zichzelf en anderen beoordeeld zijn die van meer of minder sukses in het onderwijs. “Onderzoek” doet men in de tijd die overblijft.’ (Mededelingenblad, 1 oktober, p. 7)

Daar moest, volgens de initiatiefnemers nodig iets aan gedaan worden.En zo kon men in de herfst van 1973 luisteren naar Egbert Tellegen, Ruud Stokvis, Emiel Droogleever Fortuyn, Ad Teulings, Paul Kapteyn, Joop Goudsblom en anderen. De onderwerpen waren interessant en hadden nu eens niets te maken met de saaie en eindeloze discussies over bestuursstructuur. Overigens was dat nu juist een reden voor de marxisten om het seminar met achterdocht te bezien. Het stukje van Paul Kalma waarin hij het seminar aankondigt, eindigt met de zin: ‘Suggestie van het mededelingenblad: een inleiding over de invloed van de zogenaamde herstructurering van wetenschappelijk onderwijs en onderzoek op de universitaire wetenschapsbeoefening.’ (Mededelingenblad, 1 oktober 1973, p. 7) Achteraf kun je vaststellen dat dat sneerende zinnetje heel mooi anticipeerde op de conflicten die de oprichting van het AST in de komende maanden zouden begeleiden.

Op 7 november hield Paul Kapteyn een lezing waarvan de titel luidde ‘Taboe’. In de pauze van die bijeenkomst bespraken een enthousiaste student, Dick Pels, een kandidaats-assistent, Harry Kunneman,en ikzelf, sinds een paar weken aangesteld als wetenschappelijk medewerker, of het mogelijk zou zijn om een nieuw sociologisch tijdschrift op te richten. Dat blad zou een met het stafseminar vergelijkbare doelstelling moeten hebben: de discussie op gang brengen over belangwekkend wetenschappelijk werk. Maar het debat in dat nieuwe periodiek moest zich afspelen in de openbaarheid en niet in de halve beslotenheid van dit conclaaf van stafleden plus enkele bevoorrechte studenten. In het blad zouden representanten van de verschillende sociologische stromingen aan het woord moeten komen. De bedoeling was om niet over instituutspolitiek te schrijven, dat gebeurde al voldoende in het Mededelingenblad en in talrijke andere studentenbladen, maar om inhoudelijk interessante wetenschappelijke discussies te voeren.  Dick Pels vertelde dat hij er al een half jaar mee bezig was, maar tot nu toe zonder succes. Nu probeerden Dick en Harry in samenwerking met jonge stafleden, zoals de M&T-docent Herman Warringa, een blad door en voor medewerkers en studenten van de opleiding sociologie te maken. Als het lukte, dan zou het Sociologisch Instituut daar vast wel geld aan willen spenderen. Nu ging het er vooral om enthousiaste beginnende stafleden voor het project te interesseren. Had ik zin om mee te doen? Dat had ik.

Onze eerste vergadering was acht dagen later, op de werkkamer van Herman Warringa. Daar leerde ik Louis Boon kennen, die net als Harry Kunneman kandidaats-assistent was. We besloten om een week later uitvoeriger over onze plannen te gaan praten. Eerst spraken we af in het Oostindisch Huis, maar toen stelde Louis Boon voor om de bijeenkomst ‘s avonds te houden, bij hem thuis, in de Tweede Jan Steenstraat. Daar werd op donderdag 22 november 1973 het AST opgericht. Een week later zetten we ons overleg voort ten huize van Herman Warringa. Iedereen was er op uit om het officiële gedeelte tegen tien uur achter de rug te hebben, want dan begon de VPRO-uitzending ‘Het gat van Nederland’ en daar wilde niemand iets van missen, zeker niet van het gedeelte waarin Kees van Kooten en Wim de Bie optraden. Toen we met onsvijven zaten te kijken waren we, zonder het te beseffen, al begonnen aan een AST-traditie die dertig jaar zou blijven bestaan: de vergaderingen werden gehouden ten huize van een van de redacteuren; na het zakelijke deel was er tijd voor gezelligheid; de redactie was niet alleen maar een groep vakgenoten, het was ook tot op zekere hoogte een vriendenclubje met culturele verwantschappen die zich buiten het gebied van de sociale wetenschappen uitstrekten. We attendeerden elkaar op romans, we leenden elkaar platen, we hielden van dezelfde TV-programma’s (Monthy Python was erg populair).

Het voornaamste onderwerp van gesprek in november en december 1973 was geld. Iedereen vond dat er voor het administratieve en redactionele werk een door de universiteit betaalde student-assistent moest worden aangesteld. Als het Sociologisch Instituut bereid was om Paul Kalma te betalen voor het Mededelingenblad, dan zou er ook wel een assistent kunnen worden betaald voor een echt wetenschappelijk tijdschrift. Er moest een kamer voor het blad worden gereserveerd en in die kamer moest een betaalde kracht komen te zitten die het tijdschrift zou administreren en die de technische eindredactie op zich zou nemen. Op 29 november bezochten Dick Pels en ik Joop Goudsblom, die toen voorzitter was van het Algemeen Bestuur van de subfaculteit. Hij was snel gewonnen voor ons idee en zegde zijn medewerking toe. Op 4 december bezochten Harry Kunneman, Joop Goudsblom en ik de beheerder van het instituut,  de socioloog J.H.H. Hasenack. Meneer Hasenack, verscholen achter dikke wolken sigarettenrook, hoefde niet overtuigd te worden. Hij was al op de hoogte gesteld door Goudsblom, het leek hem een uitstekend plan en hij zou onderzoeken wat hij in financiële zin voor ons kon doen. Op 12 december berichtten Harry en ik in de redactievergadering over het positieve onderhoud, een paar dagen later werden de laatste technische obstakels opgeruimd in samenspraak met de beheerder en zag het ernaar uit dat het blad begin 1974 van start zou kunnen gaan.

In de notulen van de redactievergadering van 20 december 1973 staat dat het blad op de persen van het Maagdenhuis gedrukt zou worden, dat het het uiterlijk zou krijgen van een ‘M&T-reader’ en dat de kosten waren geraamd op 1100 gulden per oplage. De beheerder stelde voor de eerste twee nummers een garantiebedrag van 700 gulden ter beschikking. Wij wilden het blad uitbrengen in een oplage van 600 à 700, maar de prudente meneer Hasenack vond dat we eerst maar eens met 350 exemplaren moesten uitproberen of er eigenlijk wel kopers waren voor een blad waarvoor de studenten maar liefst twee gulden vijftig moesten neerleggen.

In de redactievergaderingen van december ging het ook over een ander onderwerp: wie zouden deel uitmaken van de redactie? Harry Kunneman, Dick Pels, Louis Boon, Herman Warringa en ikzelf zouden zeker in de redactie zitting nemen, maar moesten we niet ook representanten uitnodigen van de belangrijkste stromingen die zich juist nu in het Sociologisch Instituut manifesteerden, zoals de marxistische sociologie en de benadering die Goudsblom voorstond. In de notulen van 20 december 1973 staat een intrigerende zin: ‘Ondanks de aanvankelijke bezwaren van Phillips [bedoeld wordt de Amerikaanse hoogleraar Methoden en Technieken Derek Phillips] bij monde van Herman [Warringa] tegen het opnemen van Goudsblom in de redaktie, bleek iedereen het er over eens dat Goudsblom zonder noemenswaardige consequenties in de redaktie kon worden opgenomen.’ Zonder noemenswaardige consequenties! Maar Goudsblom vertelde me onlangs dat hij zich niet kan herinneren ooit uitgenodigd te zijn. In de redactie stelde ik in elk geval voor om zijn kandidaat-assistente, Christien Brinkgreve, uit te nodigen; ik zei dat ik haar had leren kennen als een goede studente. Ik zei er niet bij dat ik goed bevriend was met Christien. Louis en Harry kenden haar van een doctoraal-werkgroep. ‘Ja’, zei Harry Kunneman, ‘die Christien Brinkgreve, dat is een slim meisje’

Maar hoe kwamen we aan marxistische redacteuren? Wilde je een tijdschrift beginnen dat de grote hedendaagse discussies in de sociale wetenschappen niet alleen volgde maar ook entameerde, dan moesten de representanten van de marxistische sociologie ook in de redactie aanwezig zijn. En dus polsten we enkele kandidaat-assistenten en medewerkers die hun marxistische belangstelling duidelijk etaleerden: Ton Korver, wetenschappelijk medewerker,  Marja Gastelaars, kandidaat-assistente, en Pieter Pekelharing, een student die we op het oog hadden voor de functie van betaalde student-assistent. De eerste vergadering met deze drie aspirant redacteuren werd gehouden op 20 december 1973; van die bijeenkomst zijn notulen gemaakt door Pekelharing. Over de tegenstelling die zich bij deze eerste confrontatie direct openbaarde, berichten zijn notulen:

 

Karakter van het blad. Zoals bekend ontstond er over dit thema een uitgebreide discussie, waarbij allengs onderlinge tegenstellingen in de raad aan het licht kwamen. Kort samengevat, geloof ik dat de tegenstellingen draaiden rond de positie, die het blad moest innemen ten opzichte van het Instituut. Sommigen wilden het blad duidelijk afstemmen op de onderwijssituatie binnen het Instituut en zagen het primair als de taak van het blad daarover een inhoudelijke diskussie aan te zwengelen., en zo in een lakune te voorzien. Hierbij werd gedacht aan het ter diskussie stellen van onderwijs- en onderzoeksthema’s, het bespreken en analyseren van de onderwijsstituatie in den lande en de invloed daarvan op de situatie alhier, het bespreken van thema’s als wetenschappelijke en maatschappelijke relevantie, e.d. Anderen meenden echter, dat het blad in de eerste plaats als diskussieforum moest dienen voor de reeds van redaktiewege genoemde thema’s. De onderwijssituatie zou hier meer instrumenteel aan zijn dan doel op zich. In dit kader werd er gesproken van een tegenstelling tussen het in dienst stellen van het tijdschrift aan een ‘Sociologie überhaupt’ óf aan een ‘Sociologie met betrekking tot het Instituut.’ (Notulen AST, 20-12-1973)

 

We kwamen er niet uit, de meningsverschillen liepen hoog op en besloten werd dat iedereen die zich daartoe geroepen voelde zijn mening op papier zou zetten, waarna de verschillende standpunten in de redactieverklaring zouden worden verwerkt en we maar eens zouden afwachten hoe ‘de leden van het instituut’ op de verschillende posities zouden reageren. Uiterlijk op vrijdag  4 januari, moesten die stukken worden ingeleverd en op maandag, 7 januari zouden we ze bespreken.

Op 4 januari lagen er inderdaad twee totaal verschillende beleidsstukken in de postvakjes: ‘Redaktieverklaring’, geschreven door Marja Gastelaars en ‘Twee uitgangspunten’, geschreven door ‘Louis, Bart, Harry en Dick’, zoals de notulen van 31 januari vermelden. In haar stuk komt Marja Gastelaars al snel ter zake: ‘En om onmiddelijk met de deur in huis te vallen: wij beschouwen dit tijdschrift als een produkt dat voortkomt uit de problematiek van de studie-eenheid. Een problematiek die op dit moment alleen nog maar negatief te formuleren valt en kan worden samengevat in de wijdlopige noemer: ‘de onvoltooide demokratisering. (…) Waar we de nadruk op willen leggen is eerder, dat de studie-eenheid centraal komt te staan in dit tijdschrift en dat algemene problematieken – ‘Theory and Society’ – hun legitimatiegrondslag aan de gang van zaken in en rond het instituut moeten ontlenen.’ De strekking van het drie pagina’s tellende stuk is dat een discussie over meer inhoudelijke kwesties weinig zin heeft als je niet eerst een debat voert over kwesties als de WUB (de door linkse studenten en medewerkers gehate Wet Universitaire Bestuurshervorming), de overheidsplannen van ‘Posthumus c.s.’ (die pleitten voor verkorting van de studieduur), de ‘taakgroependiscussie’ (over de instelling van nieuwe vakgroepen) en de ‘demokratiese universiteit’. Wie denkt dat die vraagstukken wel even kunnen worden vergeten, leidt een ‘al te luxueus leventje’. Een zwakke echo van de retoriek van Marx zelf is nog te horen in deze formulering: ‘Posthumus raakt direkt onderwijs en onderzoek, tenzij natuurlijk de stelling wordt verdedigd dat na een onthoofding het grootste deel van het lichaam op wat bloedvlekken na nog ongedeerd is. Zo is ook meteen de krisis van de sociologie opgelost. Maar het is niet deze oplossing die wij voorstaan. Wij vinden dat dit tijdschrift een bijdrage moet leveren aan het hard maken van het uitgangspunt dat ten opzichte van Posthumus gehanteerd moet worden (…).’ Het exemplaar van de redactieverklaring waaruit ik deze zinnen overschrijf,  is voorzien van woedende commentaren in de marge, geschreven in de onmiskenbare hanepoten van Harry Kunneman, die bij deze passage noteerde: ‘opnieuw onbevraagd verband tussen sociologie in het algemeen en institutionele problematiek van ons kleine groepje: dé crisis in de sociologie opgelost, terwijl dit een wereldwijd verschijnsel is’ en vlak daar onder: ‘valse tegenstelling’. Waar in het stuk wordt gesproken over ‘de doelstellingen en functie van ‘de sociologie’, in casu ‘de studie’’ noteert een getergde Kunneman in de marge: ‘onzinnige gelijkstelling’.

Het andere stuk, ‘Twee uitgangspunten’, blijkt jammer genoeg na dertig jaar onvindbaar te zijn, maar gelukkig citeren Gastelaars en Korver de belangrijkste zinnen uit dat document in een ingezonden brief die op 15 februari in het Mededelingenblad werd afgedrukt. Ze schrijven dat in ons stuk twee zaken centraal werden gesteld. Ten eerste de autonomie van de redactie. Daarover staat in die verklaring een zin, waarvan de formulering bedoeld leek om marxisten te treiteren: ‘Wij beschouwen de redaksie niet als het uitvoerend comité van de wil van de studie-eenheid, maar als een aantal leden van de studie-eenheid die op eigen eigen initiatief een blad willen maken vóór, maar niet van de studie-eenheid.’ Het tweede punt betrof de vraag op grond van welke criteria stukken zouden worden aangenomen of afgewezen. Daar hadden we inderdaad eindeloos over gedelibereerd. In onze redactieverklaring stond daarover een eenvoudige zin: ‘Ten aanzien van de inhoud van het blad betekent dit dat de bijdragen slechts beoordeeld worden naar hun inhoudelijke kwaliteit.’ Het was duidelijk: de oprichters vonden dat de nieuwkomers mochten meedoen, maar uitsluitend als ze het eens waren met deze twee ‘uitgangspunten’.

 

In het Mededelingenblad van 18 januari 1973 verschijnt de naam van het nieuwe blad voor de eerste keer in druk in een door Paul Kalma gesigneerd stukje:

 

‘Op het Sociologisch Instituut is het initiatief genomen tot de uitgave van een “Amsterdams Sociologisch Tijdschrift”, bedoeld om de discussie op onder andere wetenschap-theoretisch gebied, in de eerste plaats binnen de Studie-eenheid, te stimuleren. In januari zal een tweetal konsept-redaktieverklaringen aan de potentiële lezerskring ter beoordeling worden voorgelegd. Plannen voor een dergelijk blad bestonden al enige tijd binnen het Open ASVA Werkkomité van de Studie-eenheid, maar stuitten daar vooral op gebrek aan geld. Onafhankelijk hiervan heeft nu een groep stafleden, assistenten en studenten van het SI zich aan de uitwerking van het idee gezet. Het zijn Louis Boon, Christien Brinkgreve, Marja Gastelaars, Bart van Heerikhuizen, Ton Korver, Harry Kunneman, Pieter Pekelharing, Dick Pels en Herman Warringa. Binnen de redactie-in-spe is men in eerste instantie niet tot overeenstemming kunnen komen. Een aantal redaktieleden wil de krisis in de sociologie tot uitgangspunt nemen, anderen (met name Korver en Gastelaars) zien echter weinig heil in een wetenschappelijk-inhoudelijke discussie die niet direkt verband houdt met de situatie binnen SI en studie-eenheid. Besloten is beide standpunten in de eerste nummers uitvoerig ter discussie te stellen.’ (Mededelingenblad, 18 januari 1974, p. 10)

 

De twee stukken werden besproken op niet minder dan drie vergaderingen: 7, 17  en 18 januari 1974. Na heftige discussies, waarvan ik me alleen nog maar de akelige sfeer herinner,  besloot Ton Korver om de redactie te verlaten, hoewel hij erbij zei dat hij wel aan het blad wilde blijven meewerken (wat hij nooit heeft gedaan). (Notulen, 31-1-1974) Kort daarna bleken Marja Gastelaars en Pieter Pekelharing zijn voorbeeld te volgen. (Notulen, 31-1-1974) Maar Korver en Gastelaars achtten het hun democratische plicht om zich ten overstaan van de studie-eenheid te verantwoorden voor hun uittreden en dus publiceerden ze een ingezonden stuk in het Mededelingenblad van 15 februari 1974. Over het door hun opponenten bepleite uitgangspunt van de redactionele autonomie, schrijven ze: ‘Dit kwam neer op een weigering om het beleid van het blad op welke wijze dan ook aan de orde te stellen binnen de studie-eenheid.’ Over het tweede punt, de eis dat bijdragen op geen enkel ander criterium zouden worden beoordeeld dan op hun kwaliteit, schrijven Korver en Gastelaars: ‘Vage kwaliteitseisen dus, die de lezers allesbehalve zullen stimuleren om hun bijdrage te leveren’ De tegenstelling wordt scherp onder woorden gebracht als ze schrijven: ‘ “Openheid”, “autonomie”, “kwaliteit”, allemaal prachtig. Maar als deze vereisten in de praktijk betekenen dat een klubje individuen het uitsluitend recht voor zich opeist te beschikken over wat wel en niet in het blad gebeurt, dan wijzen wij dat af. In een dergelijk gezelschap voelen wij ons niet thuis. Wij hebben de redaksie dan ook verlaten.’

 

Eind november vroegen de oprichters zich af hoe ze mensen uit ‘het marxistische kamp’ ertoe konden verleiden om tot de redactie toe te treden, half januari vroegen ze zich af hoe ze degenen die ze hadden binnengehaald er weer uit konden werken. Dat bleek gemakkelijker te gaan dan ze hadden gedacht. De uitgedunde redactie werd aangevuld door wetenschappelijk medewerker Jan Popken, die meteen een column schreef voor het eerste nummer. En daarmee was de eerste AST-redactie compleet.

 

In februari en maart werd er nog een keer of acht vergaderd, meestal over de redactieverklaring, die in het eerste nummer nauwelijks langer was dan een A-4’tje, maar waarvan wel tien versies de ronde deden. Begin maart was het eerste nummer gereed, inclusief de redactieverklaring. In het Mededelingenblad van 18 maart 1974 wordt dat nummer aangekondigd in een stukje dat is ondertekend met ‘Redaktie A.S.T.’ maar waarin ik mijn eigen hand herken:

 

‘Eerstdaags zal het eerste nummer verschijnen van het Amsterdams Sociologisch Tijdschrift (AST). Dit is een blad, dat in eerste instantie bedoeld is voor de leden van onze subfaculteit, dus voor iedereen, die op de één of andere manier iets te maken heeft met de sociologie-opleiding of de CA-NWS-opleiding van de Universiteit van Amsterdam. In het Mededelingenblad is al het één en ander over het AST meegedeeld, dus uitvoerige informatie is niet meer nodig. Omdat er nogal wat in- en uitloop is geweest in de redaktie, is het misschien goed om de namen te noemen van degenen onder wier verantwoordelijkheid het eerste nummer zal verschijnen: Louis Boon, Christien Brinkgreve, Bart van Heerikhuizen, Harry Kunneman, Dick Pels, Jan Popken en Herman Warringa. In het eerste nummer staan onder andere de volgende artikelen. […] [dan volgt de hele inhoudsopgave] Het eerste nummer heeft een kleine oplaag. In de koffiekamer van het Sociologisch Instituut en het Antropologisch-Sociologisch Centrum ligt het te koop. We zullen er ook mee leuren. Wacht niet te lang met kopen. Misschien is het over een tijdje als curiosum veel geld waard!’ (Mededelingenblad, 18 maart 1974, p. 7).

 

Een paar weken later was het zo ver. Het eerste nummer was in het Oost Indisch Huis te koop in de koffiekamer, hoewel marxistische studenten de mevrouw die het blad naast de spritsen had gelegd, ervan probeerden te overtuigen dat ze contra-revolutionaire waar verhandelde. In de redactieverklaring zinderen de recente ruzies nog na in zinnen als ‘Met deze keuze voor discussie nemen wij afstand van de eis tot instant-relevantie. Wij verwerpen het standpunt dat alle theoretische aktiviteit waarvan de praktiese relevantie niet onmiddellijk zichtbaar is, steriel zou zijn.’ En even verderop: ‘We beginnen klein. Het A.S.T. is vooral een blad van en voor de subfaculteit sociologie/culturele antropologie van de Universiteit van Amsterdam. Het blad moet niettemin geen lokaal karakter krijgen.’ (AST, 1e jrg., nr. 1, p. 3)

 

De gevolgen van de stormachtige voorgeschiedenis van het AST bleken op de langere termijn ingrijpender dan de redactie had voorzien. Vooral vanuit de studentengeleding werd vanaf februari 1974 sterke druk uitgeoefend op beheerder Hasenack om geen subsidie te verlenen aan dat ‘klubje individuen’, dat op eigen houtje een tijdschrift wilde uitbrengen, maar weigerde om zich iets gelegen te laten liggen aan de wensen van de democratisch samengestelde subfacultaire organen. Het was te danken aan het feit dat de universiteit, zoals Marja Gastelaars terecht had vastgesteld, weinig democratisering kende, dat beheerder Hasenack, die een volsterkt ondoorzichtig en autocratisch beheer voerde er, samen met welwillende hoogleraren als Goudsblom en de hoogleraar-direkteur van het Sociologisch Instituut H.M. Jolles, voor zorgde dat de verliezen van het AST door de studie-eenheid telkens weer werden bijgepast, dit tot grote woede van de ASVA-studenten in de bestuursorganen. We kregen geen eigen kamer, geen eigen student-assistent, maar sommige artikelen werden wel uitgetypt door een sekretaresse vanhet Instituut, Ansy Jensen, en het blad werd ‘afgedraaid op’ de stencilmachine van het Sociologisch Instituut, die werd bediend door de heren Van Beeten en Kleefsman, wier namen op de tweede pagina van het eerste nummer te vinden zijn tussen de namen van de redacteuren, netjes op alfabet. En voor de tekorten, die ondanks onze advertentiesen ondanks onze redelijke verkoopcijfers ontstonden, hoefden we tenminste niet persoonlijk op te draaien. Niettemin zagen beheerder Hasenack en directeur Jolles dat dit niet goed kon blijven gaan en het was vooral de laatste die de redactie krachtig aanspoorde om het heil te zoeken bij een kapitaalkrachtige uitgever. Hij deed bij verschillende uitgevers een goed woordje voor het AST. Toen de nood echt aan de man kwam werd het AST gedurende enkele jaren financieel op de been gehouden door een gefortuneerde vriend van een van de redacteuren. Daarna belandde het blad in veiliger vaarwater bij uitgeverij Wolters Noordhoff (die de gefortuneerde vriend netjes terugbetaalde). Professor Jolles gaf het waardevolle advies om een stichting op te richten en zo een buffer op te werpen voor het geval de uitgever de redactionele autonomie zou bedreigen. Dat advies bleek later belangrijk te zijn: het heeft mogelijk de ondergang van het AST in de jaren negentig, toen de uitgever er geen brood meer in zag, kunnen voorkomen.

Reeds een jaar of drie na de moeizame oprichting werd het AST een landelijk tijdschrift, een blad met medewerkers en lezers in alle universiteitssteden. Niemand had verwacht dat het zo snel zou gaan, ook de oprichters niet. In hetzelfde tempo waarmee het AST zich losmaakte van zijn hoofdstedelijke wortels, ging de locale variant van het marxisme, die in 1974 nog toekomst leek te hebben, ten onder aan zijn provincialisme.

‘De voorgeschiedenis van het AST’. In: Amsterdams Sociologisch Tijdschrift. (Themanummer: Nico Wilterdink en Bart van Heerikhuizen (red.), Het laatste nummer.) Jaargang 31, Nummer 4, 2004. pp. 438-447

Het verschil tussen een echte bul en namaak. Over handel in academische diploma’s

Als voorzitter van de examencommissie sociologie moet ik toezien op de kwaliteit van het Bachelordiploma en het Masterdiploma sociologie De leerdoelen en de eindtermen van de opleiding moeten volledig gerealiseerd zijn als de student de felbegeerde ‘bul’ in ontvangst neemt. Daartoe moeten de verschillende modules op een juiste en duidelijke wijze zijn opgebouwd en moet de leerstof correct zijn getoetst in tentamens, scripties en andere min of meer gestandaardiseerde studieprestaties.

Zo’n bul is, afgezien van andere dingen, ook een papier dat geld waard is; het is immers een document waarmee men een goedbetaalde baan kan verwerven. Zo was er in de jaren tachtig een Journaal-verslaggever die minister werd en van wie al snel bleek dat hij zich had voorgedaan als de eigenaar van een academisch diploma dat hij helemaal niet bezat. Dat betekende het einde van een zeer kortstondig ministerschap.

Omdat academische diploma’s een substantieel geldbedrag representeren staan ze ook in de belangstelling van criminelen. Een van de manieren om een UvA-bul in de sociologie te bemachtigen zonder aan alle eisen te hebben voldaan is het plegen van fraude. Er is soort koude oorlog gaande tussen studenten die steeds slimmer fraude plegen en examencommissies die nog slimmer die fraude weten te achterhalen, waarna de studenten nog slimmer frauderen. In dit opzicht gaan examencommissies meer en meer lijken op politiediensten of op spionage-bureaus. Het nieuwste digitale wapen in de strijd tegen plagiaat heeft een naam die niet zou misstaan in een James Bond film: Urkund. Het is een ontwikkeling met de dynamiek van een bewapeningswedloop.

Maar er zijn ook andere manieren om oneerlijk aan een bul te komen. Ik ontvang elke dag ongeveer vijftig spam-mails. De meesten worden automatisch weggefilterd, maar desondanks kan ik ze nog even bekijken in het mapje met deleted mail. Het is vaak vermakelijke post die vooral betrekking heeft op sexuele treurigheid. Zo tref ik regelmatig mail aan die mij er dringend op wijst dat ik wel nooit een leuke man zal vinden als ik mijn borsten niet laat vergroten. Tussen dat soort mailtjes zitten ook berichten waarin me wordt uitgelegd dat ik voor het luttele bedrag van een paar duizend euro’s een bul in iedere gewenste wetenschap kan verwerven. Onlangs kwam er op mijn computer in het Spinhuis zelfs een pop-up reclame dwars door mijn word-document heen breken om me te vertellen dat er nu master bullen te koop zijn waar je echt, gegarandeerd, nooit een boek voor hoeft in te kijken. Stort Uw geld op deze rekening, die beheerd wordt door twee goudeerlijke zakenlieden in een West-Afrikaans land en binnen een week ontvangt U een master-diploma dat in niets van een echt universitair diploma te onderscheiden is. Dat ik als voorzitter van de examencommissie sociologie zulke mails ontvang pleit niet voor het mikvermogen van de spammers. Maar is het waar dat zulke namaak diploma’s niet te onderscheiden zijn van echte?

Welke bullen deugen en welke bullen zijn fake? Inmiddels heb ik er een beetje kijk op gekregen. Een serieuze universitaire bul van Nederlandse, Franse, Engelse of Amerikaanse makelij is over het algemeen kort en krachtig: ‘De examencommissie sociologie van de Universiteit van Amsterdam verklaart dat Jacoba Johanna Cornelia de Vries, geboren op 20 oktober 1980 in Heemstede, het doctoraalexamen sociologie met goed gevolg heeft afgelegd.’ Dat is alles. Geen handgeschept papier, geen watermerken, lakzegels of calligrafische hoogstandjes, geen ronkende copywriters-teksten. Academische documenten onderscheiden zich van oudsher door voorname eenvoud.  Nee, dan de namaakbullen die de niet bestaande Universiteit van Molvanië uitreikt aan eenieder die bereid is om 20.000 Euro te storten op een schimmige internetrekening in deze voormalige Sovjet republiek, waar de plaatselijke mafia de dienst uitmaakt. Dat zijn nog eens documenten! Niet alleen ontvang je een prachtige bul in een grote zwarte tas, maar daarnaast krijg je een dik pak papier, het zogenaamde diploma supplement. Dat mag er wezen! Ik kan het niet laten om een paar regels uit appendix 1 te citeren:

 

The ‘Universitate dobro Molvania’ (UdM) (…) is now one of the largest comprehensive universities in Europe: is has 23,000 students, 5,000 staff members, a budget of 460 million euros, and seven major faculties teaching Economics, Dentistry [Dentistry? In Molvania? BvH], Humanities, Law, Medical Sciences, Sciences, and Social Sciences (figures apply to 2005) Each faculty is headed by a dean. The teaching and research take place in separate institutes. [Dat is ontroerend. In Molvania denken ze daarmee indruk te maken, zich kennelijk niet bewust van het feit dat in de rest van de wereld universiteiten onderwijs en onderzoek juist integreren, BvH] Each faculty also has a central office that is responsible for the management of the faculty. [De schrijvers zaten in de schoolbanken toen Molvania nog een Sovjet Republiek was and it shows, BvH] The UdM is one of the leading research universities in Europe with many doctorates each year. (…) Life in Molvania is multicultural and intellectually stimulating. Those studying or working at the UdM face a double challenge, namely dealing with the intellectual contents of a comprehensive academic curriculum and Molvania’s exciting urban environment. (…) The UdM has a reputation to uphold in academic research. [Deze zin is voor een Nederlander begrijpelijker dan voor een Engelssprekende lezer: de UdM heeft een reputatie hoog te houden.] Internationally recognized, top-quality fundamental research is conducted at the UdM in many fields.’

 

En dat is dan alleen nog maar appendix 1. De tweede appendix is wel zes keer zo lang! Een bul met zulke appendices diskwalificeert zichzelf. Degenen die denken dat ze met zulke teksten indruk maken, beseffen kennelijk niet dat iemand met een klein beetje academische gevoeligheid een bul waar zo’n appendix aan hangt nog niet eens in ontvangst zou willen nemen als hij er geld bij toe kreeg!

 

Vervang in het bovenstaande citaat UdM door UvA, vervang Molvania door Amsterdam en je ziet de tekst die met ingang van het komend jaar als supplement zal worden toegevoegd aan alle Bachelor- en Master-diploma’s die aan de UvA zullen worden uitgereikt. Als voorzitter van de examencommissie sociologie kan ik daar niets tegen ondernemen; ik heb er niets over te vertellen. Nou ja, ik kan er een stukje over schrijven in Sociologisch Mokum en hopen dat iemand die hier wel iets over te zeggen heeft dat stukje leest, ervan schrikt en iets onderneemt. Je weet maar nooit.

 

‘Het verschil tussen een echte bul en namaak’. In: Sociologisch Mokum, nummer 9. juli 2005. pp. 41-42.

 

Anders dan. Over sterkstes en zwaktes in het werk van Norbert Elias

Soms moest je op school een opstel maken over een opgegeven titel: ‘De boom spreekt’, ‘Bij opa en oma’, ‘Een dag uit het leven van de brandweerman’. Een enkele keer krijg ik nog wel eens zo’n titel-opdracht. Enkele weken geleden was het weer zo ver: ik moest, samen met de socioloog Dick Pels, een voordracht houden onder de titel: ‘De sterktes en zwaktes van de figuratiesociologie van Elias’. Dick en ik vonden het flauw als ik de sterktes zou bespreken en hij de zwaktes, dus we prepareerden allebei een lezing over wat we zelf sterk en zwak vonden aan die figuratiesociologie.

Eigenlijk is het in strijd met het denken van Elias om in het algemeen te spreken van sterke en zwakke punten. Het is beter om de vergelijkende trap te gebruiken. En zo maakte ik een comparatief lijstje van sterkere en zwakkere punten. Ik vond het veel gemakkelijker om sterkere punten te bedenken en dat lijstje is dan ook het langst.

In mijn colleges probeer ik tamelijk onthecht en neutraal alle besproken auteurs van hun beste kant te belichten, maar in dit stukje toon ik onbeschaamd mijn voorkeur.

Hier volgen mijn twee lijstjes, waarbinnen de volgorde grotendeels wordt bepaald door de vraag hoe lang geleden degene leefde met wie ik Elias vergelijk.

 

De sterktes

 

*Anders dan Marx zoekt Elias naar kennis die zo weinig mogelijk wordt gekleurd door verlangens, angsten, wensen en fantasieën.

*Anders dan Durkheim legt Elias juist heel gemakkelijk lijnen tussen de sociologie en de psychologie, mits dat een sociologische psychologie is, een psychologie die onderkent dat ook mensenbreinen door en door sociaal zijn. Waar de Frankfurter Schule met grote moeite naar streefde, dat lijkt bij Elias moeiteloos te lukken: relaties leggen tussen – om met Goudsblom te spreken – mensen in enkelvoud en mensen in meervoud, tussen – om met Bram de Swaan te spreken – hoe mensen in elkaar zitten en hoe mensen aan elkaar zitten.

* Anders dan Weber in zijn pleidooi voor waardevrijheid gelooft Elias niet dat er een fase is in het onderzoeksproces waarin waarden geen enkele rol spelen; dat hele proces is een voortdurend geworstel om een positie te vinden tussen betrokkenheid en distantie en daarvoor is geen vaste formule te geven.

* Anders dan Popper denkt Elias dat het niet mogelijk is om een onbetwistbare demarcatie aan te brengen tussen puur ideologische kennis aan de ene kant en zuiver  wetenschappelijke kennis aan de andere kant

* Anders dan Parsons gaat Elias niet uit van de interpenetratie van individu en samenleving, hun onderlinge wisselwerking. Hij gaat helemaal niet meer uit van individu en samenleving, hij gaat uit van iets heel anders, het relatief autonome niveau van het sociale, de steeds veranderende mensenfiguratie.

*Anders dan Goffman, die zijn theoretisch model steeds weer veranderde, hield Elias van zijn eerste tot zijn laatste sociologische publicatie vast aan een helder en consequent theoretisch gezichtspunt.

*Anders dan het functionalisme van Merton is de figuratiesociologie een benadering die verandering centraal stelt. Anders dan de hele mainstream sociologie van tussen de jaren veertig en zeventig gaat deze aanpak uit van ontwikkeling, van het onmiskenbare feit dat mensenfiguraties bestaan in tijd.

* Anders dan methodologisch individualisten als Homans en zijn vele volgelingen, denkt Elias dat het sociale een eigensoortige realiteit is, een relatief autonoom niveau en dat iedereen die probeert om de verschijnselen die zich afspelen op dat niveau terug te vertalen naar het niveau van asociale, autarke, in zichzelf besloten enkelingen een grote methodologische fout maakt. Die autarke enkelingen bestaan niet. Ze zijn in de empirische werkelijkheid niet te vinden, maar ze vormen ook geen zinvolle denkcategorie. Het asociale individu is een desensitizing concept.

* Anders dan de theorie van het communicatieve handelen van Habermas is de figuratiesociologie een theorie die geen kennis vergt van Parsons, Schutz, Durkheim en Weber. De inspiratie van allerlei grote geleerden, van Freud tot Huizinga en van Marx tot Simmel, is er al helemaal in verwerkt. Er wordt niet zo vaak naar verwezen, maar voor de kenners is het duidelijk aanwezig. Wil je Habermas begrijpen, dan moet je je verdiepen in de taalfilosofie, Elias kun je begrijpen zonder een letter van Weber te hebben gelezen.

*Anders dan Foucault was Elias volkomen onmodieus. Hij schrijft over lange termijn trends, maar hij was beslist geen trendgevoelige socioloog.

*Anders dan de structuratietheorie van Giddens leent de figuratiesociologie zich veel gemakkelijker voor operationalisering. Onlangs nog deed een studente er een heel mooi onderzoek mee: zie de MA-scriptie van Marjolijn Geels over cultuurfondsen. Een recent voorbeeld van een mooi proefschrift dat echt een uitwerking is van de figuratiesociologie: Ton Zwaan over civilisering en decivilisering. Ik ben hem ook heel veel dank verschuldigd voor de enorme inspiratie die hij Nico en mij bood bij het schrijven van het boek Samenlevingen. Het werk van Elias heeft geleid tot een boekenkast vol studies die gebruik maken van zijn inzichten. Van alle sterktes van het werk van Elias is dit de sterkste.

*Anders dan Zygmunt Bauman heeft Elias in zijn hele leven nooit een zin geschreven die de bedoeling had om te behagen, de epateren, te imponeren. Hij had een diepe afkeer van geleerddoenerij.

*Anders dan postmodernistische schrijvers als Baudrillard heeft Elias geen geduld voor wat hij lijkt te zien als epistemologische goochelarij. Elias zal nooit de vraag stellen of de golfoorlog in Irak eigenlijk wel heeft plaatsgevonden of dat dat alleen maar een door CNN in leven gehouden fantasie was, een gesimuleerde oorlog die zich misschien alleen maar afspeelde in de kranten en op de tv-schermen. Geen respect voor gelul!

*Anders dan de verklarende sociologie die in Nederland wordt verdedigd door hoogleraren als Harry Ganzenboom en Wout Ultee, verandert de sociologie van Elias ook iets aan hoe je de werkelijkheid waarneemt, hoe je in de wereld staat, hoe je het leven ondergaat. 34 jaar blootstelling aan de figuratiesociologie heeft me er meer en meer van doordrongen dat het wonderlijk is om bang te zijn voor de dood, omdat ik zelf wel kan sterven, maar de figuratie waarvan ik nu voor korte tijd even deel mag uitmaken niet sterft met mij. Dat geeft me een zekere troost (al is het wel een beetje een schrale troost), die ik miste toen ik zelf nog veel sterker het homo clausus gevoel koesterde. Door Elias is sociologie voor mij meer geworden dan een vak; het werd een manier van leven.

 

De zwaktes

 

*Anders dan Goudsblom is Elias onduidelijk in het verwijzen naar zijn voorgangers en zijn medediscussianten. Citeert hij een grote inspirator, dan haast altijd om te laten zien dat de man iets wat hij, Elias, scherper ziet, destijds nog niet zo goed door had.

*Anders dan Habermas heeft Elias weinig belangstelling voor filosofische vragen. Hij kwam al vroeg (namelijk in de collegezaal van Heidegger) tot de conclusie dat de filosofen het verkeerde pad hadden ingeslagen. Een van de gevolgen was dat hij een buitengewoon interessante filosoof als Popper nooit zijn fair share gaf, terwijl Popper in boeken over de geleidelijke groei van kennis of over de gevaren van het historicisme een niet herkende bondgenoot van Elias is.

*Anders dan bij Bram de Swaan (en Tocqueville, Gouldner, Mills, Goudsblom, Collins) vind ik de stijl van (vooral de oudere) Elias, naarmate ik zelf ouder word, steeds ergerlijker: herhalerig, humorloos, belerend. Er zijn goede redenen voor: hij had heel nieuwe dingen te vertellen en als je die niet met veel nadruk brengt, merken de minder goede lezers ze niet op of ze begrijpen ze verkeerd. Hij had helaas zelf ondervonden hoe het was om veertig jaar lang niet gehoord te worden. Maar ik merk dat veel hedendaagse sociologiestudenten in zijn boeken vastlopen vanwege die stijl. En dat is zo jammer. Elias hield veel van muziek en hij schreef een prachtige studie over Mozart, maar zijn eigen boeken zingen niet.

*Anders dan Bourdieu brengt Elias zijn figuraties niet gedetailleerd in kaart. Allerlei modellen van netwerk-onderzoekers over structurele gaten en over het kapitaal van  bruggenbouwers, lijken een soort empirische invulling te geven aan wat bij Elias vaak nogal algemeen en programmatisch blijft.

*Anders dan Cas Wouters zegt hij niet zo veel over de civilisatieprocessen in de afgelopen vijftig jaar. Dat vonden de studenten in de wilde jaren zeventig heel jammer en die zeurden hem er de kop om suf. In het boekje over Winston Parva en in de studie over de eenzaamheid van de stervenden gaat het wel over onze eigen tijd. Maar wil je weten hoe je wildplassers en nudisten kunt inpassen in de civilisatietheorie (of niet), dan ben je toch vooral aangewezen op Cas en op Paul, op Bram en op Joop, op Ruud en op Ton, op Rineke, Anneke, Giselinde, Christien en Ali.

*Anders dan in het oeuvre van Nico Wilterdink is er in het werk van Elias geen grote interesse voor sociobiologische vraagstukken. Daarmee heeft hij de biologistische sociologie van de jaren dertig en veertig een dienst bewezen, maar inmiddels voelt het hier en daar aan als een tekort.

*Anders dan het werk van welke andere hedendaagse socioloog dan ook, is wat Elias schrijft zo ongelooflijk knap, dat het op sommige lezers intimiderend werkt. Wanneer je Merton leest, krijg je zin om zelf ook weer eens een mooi stuk te schrijven. Wanneer je Elias leest, kun je denken: dit niveau haal ik toch nooit, laat ik de rest van mijn dagen maar slijten met het geven van enthousiasmerende hoorcolleges over Elias en over al die andere iets minder virtuose sociologen, want anders dan word ik heel ongelukkig.

Gepubliceerd als: ‘Anders dan’. In: Sociologisch Mokum. Nummer 6. 15 januari 2005. pp. 52-53. Herdrukt in: Bart van Heerikhuizen, Multoblaadjes. Diemen: AMB, 2013. pp. 28-33.

 

Maar ik ben groter dan jij. Over het boek Statusangst van Alain de Botton

1. Eindelijk: een sociologische bestseller.

Het boek ligt op een hoge stapel naast de kassa van de Bruna-inloopwinkel. Toch gaat het over een sociologisch onderwerp: de angst van veel mensen voor maatschappelijke daling. De auteur, Alain de Botton, heeft, afgezien van enkele romans, drie echte bestsellers op zijn naam staan: een lichtvoetige inleiding tot het werk van Proust, een soort zelfhulp-boek over de troost die de grote filosofen kunnen bieden en een aanstekelijk reisboek. Over alle drie zijn televisie-series gemaakt. Nu waagt de populaire veelschrijver zich op sociologisch terrein. De professionele socioloog beziet de stapel boeken met achterdocht en een beetje jaloezie: we hebben hier vast te maken met een gladde, geldbeluste beunhaas…

Alain de Botton is een Engelse schrijver. Hij werd in 1969 in Zwitserland geboren, maar zijn ouders verhuisden al toen hij acht jaar oud was naar Londen. Daar ging hij op kostschool. Hij studeerde geschiedenis in Cambridge. Uit zijn werk blijkt dat hij zeer erudiet is, vooral goed thuis in de literatuurgeschiedenis en in de filosofie. In 1993 debuteerde hij met de roman Essays in Love. Wereldberoemd werd hij in 1997, hij was toen pas 28 jaar oud, met How Proust can change your life. In dat boek toont de schrijver zich niet alleen een kenner van het werk van Proust; hij is van mening dat je leven er aangenamer, rijker en gelukkiger op wordt, als je de grote roman van Proust leest. Hij slooft zich uit om de lezer min of meer te dwingen naar de boekwinkel te hollen en daar A la recherche tu temps perdu aan te schaffen. Er zijn niet veel teksten waarin de ene schrijver de andere met zo veel hartstocht aanprijst. Eigenlijk doet hij hetzelfde in het boek over de troost van de filosofie. Als een standwerker op het Waterlooplein roept hij dat je Epicurus moet lezen als je vindt dat je te weinig geld hebt, dat je Seneca moet lezen als je onder je frustraties lijdt, en vooral ook Schopenhauer als je hart is gebroken

Vederlicht geschreven boeken vol prachtige anecdotes, slimme redeneringen, erudiet, geïllustreerd met trefzeker gekozen plaatjes… je droomt ervan om zo’n schrijver te vragen om nu eens op diezelfde manier het lastige sociologische thema van de sociale stratificatie te belichten. En dat is nu precies wat hij heeft gedaan in het boek Statusangst, dat begin dit jaar verscheen in het Engels en het Nederlands. De grote vraag is: lukt het hem? Hoewel ik iedereen die paar uur plezier die lezing van dit boek verschaft van harte toewens, moet ik toch concluderen dat het deze keer niet is gelukt. En naar mijn gevoel komt dat vooral omdat hij niet de moeite heeft genomen om zich te verdiepen in wat de sociale wetenschappen inmiddels over het onderwerp te weten zijn gekomen. Door dat zo schoolmeesterig op te schrijven schaar ik me onder die achterdochtige en naijverige sociologen uit de eerste alinea. Nou ja, dat moet dan maar.

 

2. Oorzaken van statusangst

 

Alain de Botton schrijft op de eerste pagina van zijn boek dat statusangst een ‘buitengewoon krachtige aanstichter van leed’ is. Met statusangst bedoelt hij: ‘de kwellende gedachte, waarvan de funeste invloed zich over grote delen van ons leven kan uitbreiden, dat we mogelijk niet in staat zijn te voldoen aan het succesideaal, zoals geformuleerd door onze samenleving, en dat we dientengevolge het risico lopen gespeend te blijven van waardigheid en respect; de angst dat we ons op een te lage sport van de maatschappelijke ladder bevinden of op het punt staan nog dieper te zinken.’

Het boek is helder ingedeeld: in de eerste vijf hoofdstukken worden de oorzaken van statusangst opgesomd, in de laatste vijf de oplossingen. Een van de oorzaken is meritocratisering van de samenleving. Dit is zijn sterkste punt, vind ik. Juist omdat onze samenleving meer en meer de kant opgaat van een stelsel waarin de meest getalenteerden de hoogste rangen bekleden en de minst begaafden onderaan bungelen, wordt de angst om laag uit te komen voor veel mensen tot een nachtmerrie. Want als je in zo’n systeem in een lage positie terecht komt, dan is daarvoor geen enkel excuus voorhanden. Het betekent domweg dat je te weinig kwaliteiten bezit, dat je een waardeloos persoon bent, een loser. Wat lezers die niet zo vertrouwd zijn met de sociologie, zal verrassen is dat het voor het laaggeplaatste individu en zijn gevoel van eigenwaarde voordelen biedt om te leven in een veel minder meritocratische standenmaatschappij, waarin hij of zij immers kan blijven denken dat de hooggeplaatsten hun geprivilegieerde positie danken aan geboorte en toeval en maar zeer zelden aan werkelijke verdienste.

Andere hoofdstukken over de oorzaken van statusangst overtuigen minder. Zo meent de Botton dat we vooral streven naar een hoge status omdat we de liefde zoeken van onze medemensen. Dat doen we met een zekere gretigheid omdat we als kind ervoeren dat onze ouders veel van ons hielden en we dat prettige gevoel willen terugvinden. Deze nogal psycho-analytische gedachtegang is weinig overtuigend en wat mij betreft ook overbodig omdat er zo veel voor de hand liggender redenen zijn waarom mensen een hoge status ambieren: ze willen graag veel geld, veel macht en veel aanzien, omdat je daarmee allerlei aangename dingen kunt verwerven. De Botton doet over de voordelen die bij voorbeeld het bezit van geld met zich meebrengt erg laconiek: wat is de lol van een nog grotere auto en een mooiere afwasmachine, als je het vergelijkt met bij voorbeeld het genoegen dat je beleeft aan het opvoeden van je kinderen? Goed gebruld, leeuw, maar klopt het eigenlijk wel? Dat mijn zoon nog leeft, komt doordat ik genoeg sociaal kapitaal bezat om op het cruciale moment een bevriende arts uit mijn netwerk in te schakelen, zodat de ambulance nog juist op tijd was. Als ik rijk was zou ik mijn dochter een jaar in de Verenigde Staten stage laten lopen; haar flatje in New York zou ik met plezier betalen. Als ik macht had in de faculteit, zou ik voor de briljante, twee jaar geleden gepromoveerde doctor K. een UD-plaats regelen.  De moralist De Botton identificeert zich te veel met Diogenes om te kunnen erkennen dat economisch kapitaal, sociaal kapitaal en politieke macht het leven vaak aan kwaliteit doen winnen – en niet alleen om platvloerse redenen. (Soms denk ik wel eens dat dit een feit is dat de rijken zorgvuldig voor de armen verborgen houden. Het komt ze goed uit dat de armen geloven dat geld niet gelukkig maakt – en dat het ook de armen goed uitkomt, komt helemaal goed uit.)

Een andere oorzaak van statusangst, aldus De Botton,  is snobisme. Dat is een rare gedachte. Snobisme is niet de oorzaak, maar een van de minder aardige manifestaties van vermeende status-superioriteit. Hier wreekt zich het feit dat de auteur, die toch goed bekend is met het Franse intellectuele discours, niet op de hoogte lijkt te zijn van het werk van Bourdieu. Door blijk te geven van een grote gevoeligheid voor bepaalde kunstwerken, proberen mensen zichzelf in gunstige zin te onderscheiden van andere mensen, die in hun ogen lager geklasseerd zijn. Het is een mechanisme dat in onze samenleving van grote betekenis is, maar door het als snobisme te etiketteren, wordt het meteen van een moreel stigma voorzien. De Botton, die geen saaie socioloog is maar een onbevangen essayist voor wie tous les coups sont permis laat merken dat hij een diepe afkeer heeft van snobistisch gedrag. Maar dat maakt zijn betoog minder klemmend. Wij lachen allemaal van harte om Hyacint in de televisieserie Keeping up Appearances, maar de afkeer van snobisme belemmert een gedistancieerde studie naar hoe de distinctiedrift van de een de statusangst van de ander veroorzaakt – als dat al zo zou zijn.

 

3. Oplossingen voor statusangst

 

Ook de hoofdstukken met oplossingen voor statusangst zijn nu eens trefzeker, dan weer teleurstellend. Wanneer De Botton zijn geliefde filosofen ten tonele voert, is hij op zijn minst verleidelijk. Wie ongelukkig is omdat zijn buurman een grotere auto heeft dan hijzelf, moet Schopenhauer, Chamfort en Epictetus lezen. Wat is de betekenis van de Alfa Romeo van de buurman in het licht van de dood die aan alles, aan de buurman met zijn mooie auto en helaas ook aan mijzelf, een einde zal maken?

Het hoofdstuk waarin wordt beweerd dat het christendom van oudsher een soort tegengif heeft geboden tegen statusangst is betwistbaar. Het wordt onder meer geillustreerd met een foto van de kathedraal van Chartres, welks hemelwaarts reikende torenspitsen de gelovigen er aan herinneren dat er belangrijker dingen in het leven zijn dan geld en macht. Wat een vergezochte associatie! In het door en door hiërarchische katholicisme van de gothiek zijn die schitterende torens nu juist bedoeld om de eenvoudige gelovigen stevig te intimideren. Ook ik heb genoten van dat gebouw met zijn betoverende glas-in-lood-ramen, maar het is ondertussen wel je reinste imponeer-architectuur. Volgens De Botton is ook de protestante versie van het christendom (hij noemt Bach als voorbeeld) een geloof dat de er aan wil herinneren dat er zo veel meer is dan hard werken om je winkeltje draaiende te houden. Dat is nonsens! Tot op heden is de nu honderd jaar oude bewering van Max Weber onweersproken gebleven, volgens welke ons huidige arbeidsethos nu juist is ontwikkeld in protestantse kringen in Noordwest-Europa in de zestiende eeuw. Johan Sebastian Bach, die ijverige achttiende eeuwse componist, was zelf nu juist het toonbeeld van de geheel en al voor zijn Beruf levende protestantse workaholic! (En gelukkig maar…)

 

4. Coda: Joke van Leeuwen

 

In het slotdeel van zijn boek biedt Alain de Botton nog meer oplossingen voor het verminderen van statusangst, maar eigenlijk komen ze allemaal op hetzelfde neer: als je eenmaal inziet dat er dingen zijn die oneindig veel belangrijker zijn dan de vraag of je bubbelbad een tikkeltje luxueuzer is dan het bubbelbad van je collega, kun je de statusangst achter je laten. Ik geloof er geen woord van. Niemand heeft beter uitgelegd waarom dit een drogreden is dan een van onze beste schrijvers: Joke van Leeuwen. Zij besluit haar boek Een huis met zeven kamers met een stripverhaaltje. En daarmee besluit ik dit stukje. Op het eerste plaatje zie je een groot beest dat tegen een klein beestje zegt: ‘Ik ben groter dan jij’. De kijker kan zelf vaststellen dat het waar is. Dan volgen er tien plaatjes waarop alleen het kleine beestje aan het woord is en het grote beest beleefd luistert. Het kleintje zegt: ‘Maar jij bent kleiner dan een beer. En een beer is kleiner dan een olifant. En een olifant is kleiner dan een bos. En een bos is kleiner dan een oerwoud. En een oerwoud is kleiner dan Afrika. En Afrika is kleiner dan de aarde. En de aarde is kleiner dan de zon. En de zon is kleiner dan alle sterren bij elkaar. En alle sterren bij elkaar zijn kleiner dan het heelal. Het heelal is vréselijk groot en wij zijn vréselijk klein.’ Pas in het allerlaatste plaatje mag het grote beest weer iets terugzeggen: ‘Maar ik ben groter dan jij.’

 

Literatuur

 

Alain de Botton, Statusangst. (Vertaling – door Jelle Noorman – van: Status Anxiety). Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Atlas. E. 22,50

Joke van Leeuwen, Een huis met zeven kamers. Kampen: La Rivière en Voorhoeve, 1979

‘Maar ik ben groter dan jij’. In: Sociologisch Mokum, Jaargang 2005-2005, Nummer 5. november 2004. pp. 44-46. Herdrukt in: Bart van Heerikhuizen, Multoblaadje. Diemen: AMB, 2013. pp. 34-39.