Berichten

Op mijn hurken. De theorie van Elias, uitgelegd aan middelbare scholieren. (2011)

Een sociologie-docent moet niet op zijn hurken gaan zitten. Natuurlijk is het didactisch onjuist om voortdurend in vakjargon te vervallen of om over de hoofden van de studenten heen te praten. Maar over het algemeen is een academisch college toch anders van toon dan een uitzending van het Jeugdjournaal – en zo hoort het ook. Op deze regel is een uitzondering. Sinds een paar jaar geef ik in januari een zogenaamd ‘proefcollege’. Middelbare scholieren komen naar de UvA om in het echt mee te maken hoe het is om les te krijgen aan de universiteit. Samen met mijn collega’s Aira Bagmeijer, Margreet van der Ham en Joram Pach probeer ik de studenten te laten ervaren dat studeren niet eng is en dat het voor wie een bepaald soort interesse heeft juist heel boeiend kan zijn. In zo’n proefcollege van veertig minuten behandel ik het boekje van Norbert Elias over de gevestigden en de buitenstaanders.

Ik vertel de inhoud van Elias’studie aan die middelbare scholieren op een sterk vereenvoudigde wijze: een 15-jarige uit de vierde klas moet alles kunnen volgen. Elk jaar versimpel ik mijn verhaal een beetje meer en zo langzamerhand raak ik wel erg ver verwijderd van wat er werkelijk in het boekje staat. Hier onder volgt de Jip en Janneke versie van Elias.

In Engeland, jongens en meisjes, ligt de stad Leicester en daar is een universiteit gevestigd waar veel Britse sociologen werken. In de buurt van Leicester ligt een klein stadje – laten we het Winston Parva noemen – en dat was in het begin van de jaren zestig het toneel van sociale spanningen. De mensen in buurt A vonden dat de mensen in buurt B eigenlijk niet deugden. Ze zeiden: ‘Die lui in buurt B hebben niet onze normen en waarden, ze leven er maar op los, de jongens hangen rond op de straathoeken, ze stelen als de raven en ze zijn nog gewelddadig ook.’ Ik ga nu nog even niet aan jullie vertellen wat er zo bijzonder was aan die mensen in wijk B, maar ik denk dat jullie dat zelf al wel een beetje kunnen raden. Maar nog even geduld, dat komt zo.

Nou, de locale autoriteiten maakten zich natuurlijk ernstige zorgen over die spanningen in Winston Parva en wat deden ze? Ze gingen naar de universiteit van het nabije Leicester en ze vroegen: is er bij jullie misschien niet een socioloog die onderzoek wil doen naar wat er aan de hand is in ons van oudsher zo vreedzame stadje? De mensen van Leicester gingen en beetje rondvragen en ja hoor, twee sociologen die daar toen werkten, professor Norbert Elias, een voor de nazi’s gevluchte oudere hoogleraar, en zijn jonge Engelse assistent John Scotson, die wilden de klus wel op zich nemen. Dit is trouwens een goed voorbeeld van iets wat jullie misschien wel gaan doen als je bent afgestudeerd in de sociologie: je gaat bij voorbeeld in opdracht van de stedelijke overheid een onderzoek instellen naar bepaalde sociale problemen en daarover schrijf je dan een rapport met slimme adviezen.

Maar goed, waar had ik het ook alweer over? Ach, het kortetermijn-geheugen… O ja, die twee sociologen, meneer Elias en meneer Scotson, die reisden dus af naar Winston Parva. Eerst gingen ze maar eens kijken in de kaartenbakken van de politie. De mensen in wijk A zeiden nou wel dat de mensen in wijk B zulke criminelen waren, maar ja, als sociologen moesten ze natuurlijk eerst gaan checken of dat nou wel echt zo was. En weet je wat bleek? Tussen die wijken A en B was eigenlijk helemaal geen verschil. Natuurlijk, in wijk B was wel eens wat aan de hand, maar dat had je ook in wijk A, dat heb je overal. Die mensen in wijk A hadden het dus mis als ze zeiden dat de mensen in wijk B zulke grote criminelen waren. Ze geloofden dat echt, hoor, maar de cijfers gaven ze geen gelijk.

En toen ontdekten Elias en Scotson nóg iets interessants: de mensen in wijk B geloofden zelf zo langzamerhand eigenlijk ook dat hun wijk niet deugde. Die mensen zeiden: ja, het is misschien wel waar, je moet de dingen durven te benoemen, laten we geen taboes hebben als het gaat over criminaliteit, we geven het dus toe: ons soort mensen is een beetje gewelddadiger, de mensen uit onze buurt veroorzaken relatief meer rottigheid, je moet daar eerlijk in zijn. Dus die mensen dachten echt dat hun eigen groep crimineler was, terwijl dat helemaal niet bleek uit de statistieken van de politie.

Nou, jongens, nu zijn jullie aan de beurt, wat denken jullie zelf, wat was er de reden van dat de mensen in de ene wijk en de mensen van de andere wijk niet met elkaar overweg konden.

Inmiddels zitten de scholieren te popelen om wat te mogen zeggen. Waren het Marokkanen, meneer? Nee, zeg ik, de mensen in wijk B hadden een Engels paspoort, net als de mensen in wijk A. Jaja, zegt een Hindoestaans meisje, maar ze hadden wel een kleurtje, denk ik, het waren natuurlijk tweede generatie immigranten uit India, die heb je best veel in Engeland. Nee hoor, zeg ik, ze waren net zo bleek als de mensen in wijk A. Een ijverig jongetje zit al een poosje met zijn hand in de lucht: die mensen in wijk B hadden hele andere Normen en Waarden, misschien kwamen ze wel uit een ander deel van Engeland, waar ze hele andere Normen en Waarden hebben, het komt natuurlijk door de Normen en Waarden. Nee, zeg ik, dat was het ook niet. De mensen in wijk A vonden dat de mensen in wijk B hele andere andere normen en waarden hadden, daar heb je gelijk in, maar Elias en Scotson waren er al snel achter dat dat helemaal niet waar was. Een meisje met een hoofddoek die haar voorhoofd bedekt komt nu op de proppen met leeftijdsverschil: de mensen in wijk B zijn jonge gezinnen en de mensen in wijk A zijn bejaarden. Nee, dat is het ook niet. Iemand oppert dat de mensen in wijk B Moslims zijn en de mensen in wijk A Christenen. De kinderen roepen door elkaar heen: waren het misschien Joden? Waren die mensen in de ene wijk Katholiek en in de andere wijk Protestants? En weer zeg ik: nee, in religieus opzicht was er geen enkel verschil. Een verlegen meisje op de voorste rij zegt heel zachtjes: is het niet een kwestie van klassenverschil, ik bedoel in de ene wijk heb je waarschijnlijk veel fabrieksarbeiders en in de andere wijk wonen mensen uit de elite. Goed bedacht, zeg ik, dat had best gekund. Maar nee, dat was het niet, het waren allemáál fabrieksarbeiders. De scholieren geven het nu bijna op: hadden die mensen in wijk B soms een raar accent, waardoor iedereen dacht dat ze achterlijke boeren waren? Nee, zegt ik, ze spraken allemaal een beetje plat Engels, maar dat was meer iets waarin ze op elkaar leken dan dat ze daardoor van elkaar verschilden. Nou ja, dan weten we het ook niet, hoor, zegt U het nou zelf maar.

En dan leg ik uit dat die twee groepen zo ontzettend sterk op elkaar leken dat als zij, Nederlandse scholieren, daar hadden rondgelopen, ze echt geen enkel verschil hadden gezien tussen de bewoners van wijk A en de bewoners van wijk B. Het enige verschil was dat de mensen in wijk A daar al een paar generaties woonden, terwijl de mensen in wijk B pas kortgeleden de nieuwbouwwoningen die daar onlangs waren neergezet, hadden betrokken. Dat was alles, dat was echt, eerlijk waar, het enige verschil.

Nu maak ik mijn verhaal af. Nou denken jullie natuurlijk: waarom waren er dan zulke grote spanningen tussen die twee wijken? Kijk, de meeste mensen houden niet van verandering, daarom is niemand er dol op als in jouw oude vertrouwde buurtje ineens rare nieuwkomers rondlopen, iedereen is van nature misschien wel een beetje conservatief. Heel begrijpelijk dus dat de mensen in wijk A een beetje achterdochtig kijken naar die lui die wijk B binnenstromen en die nu ook in de rij voor de kassa van de buurtsuper staan. Al gauw mopperen ze tegen elkaar: die mensen in wijk B, die zijn niet OK, dat is geen goed volk, ze stelen, ze hebben geen normen en waarden. En dan gebeurt er iets interessants. Omdat de mensen in wijk A daar al een paar generaties wonen, hebben ze een stevig netwerk. Neem nou bij voorbeeld die negatieve roddelpraatjes over diefachtigheid van de nieuwelingen. Die verspreiden zich razendsnel door wijk A, want iedereen kletst met iedereen. Jullie kennen vast wel die Engelse uitdrukking: news travels fast. Ja, wel in wijk A; daar was dat ook echt waar. Maar niet in wijk B. Want daar woonden de mensen die nog maar kort geleden een huis van de sociale woningbouw hadden betrokken en  die kenden hun buren nog niet eens, die hádden nog helemaal geen netwerk. Als die een nieuwtje hadden gehoord, dan konden ze dat niet in de groep gooien, want er was nog helemaal geen groep. Het gevolg was dat de mensen in wijk A een soort macht kregen over de mensen in wijk B. De mensen in wijk A konden ervoor zorgen dat roddelpraatjes waarin zij als helden naar voren kwamen – iemand van hun buurt had een katje uit de boom gered – snel verspreid werden en dat roddelpraatjes waarin de mensen uit wijk B als boeven naar voren kwamen ook snel circuleerden. Maar als iemand uit wijk B voor een oude oma de boodschappen naar huis droeg, dan ging dat soort nieuws niet rondzingen. De A-bewoners beheersten dus eigenlijk de informatiestromen. Zij controleerden het spinneweb, ze waren de spin-doctors van het stadje.

En daardoor gingen ze in wijk A echt geloven in hun eigen praatjes. Ze dachten na verloop van tijd oprecht dat de mensen in wijk B niet deugden en het opmerkelijkste was nog wel dat de mensen in wijk B dat zelf ook gingen geloven.

Wat heb je nou aan dit boekje over Engeland in de jaren zestig, als je het Nederland van nu wilt snappen? Neem nou eens een stadje in Nederland waar Marokkanen en inheemse Nederlanders grote problemen met elkaar hebben. Misschien werkt het daar wel net zo als in Winston Parva. Misschien hebben de spanningen tussen die groepen niet zo veel te maken met het land van herkomst, de huidskleur, de normen en waarden, de taal, de sociale klasse, de opleiding of de religie. In de krant lees je vaak dat het allemaal draait om het racisme tussen witte en zwarte mensen of de godsdienststrijd tussen Moslims en Christenen, terwijl dat misschien wel helemaal niet de kern van het probleem is. Het gaat misschien wel veel vaker dan we tegenwoordig denken, om de simpele vraag: hoe lang wonen die mensen er al, hoe goed zijn hun communicatienetwerken, hoe snel circuleren de roddelverhalen in de verschillende buurten? Als je focust op religie of op ethniciteit, dan concentreer je je op de vragen die in sommige conflictsituaties misschien wel helemaal niet zo ontzettend belangrijk zijn. Nou kun je zeggen: is dat dan zo erg? Ja, dat is erg, want de oplossingen die je voor het probleem gaat verzinnen – bij voorbeeld dat het racisme moet worden tegengegaan of dat Christenen en Moslims wat meer religieuze tolerantie moeten ontwikkelen, die halen niks uit. Want daar gaat het probleem niet echt over.

Ziezo, de proefstudeer-ochtend is weer achter de rug. De middelbare scholieren gaan naar huis. En ik denk: ook al is er niet één bij die sociologie gaat studeren, dan hebben ze vandaag toch iets belangrijks gehoord dat ze niet zo gauw zullen lezen in de krant of zullen zien op de TV. En dan ga ik weer rechtop staan. Genoeg gehurkt.

‘Op mijn hurken’. In: Sociologisch Mokum. Jaargang 14 (2010-2011), nummer 3, feburari 2011, pp. 38-39.