Berichten

Brave New World. Over de vloek en de zegen van de kabelmaatschappijen (2008)

How beauteous mankind is! O, brave new world, that has such people in’t.’ Toen Shakepeare in The Tempest deze woorden in de mond van Miranda legde, wilde hij haar niet sarcastisch laten klinken. Miranda had nog nooit een jonge man gezien en de eerste de beste aantrekkelijke prins ontlokte haar deze vreugdekreet: als er op deze aarde zulke wezens rondlopen, dan hoor je mij niet klagen.

In de twintigste eeuw heeft Aldous Huxley de woorden van Shakespeare gebruikt als titel voor zijn beroemdste boek: Brave New World. Sindsdien bedoelt iedereen die het heeft over een heerlijke nieuwe wereld, dat het er met de mensheid ellendig voor staat.

Toch zijn er ook goede redenen om te blijven volhouden dat het nog nooit zo goed is gegaan met de menselijke soort als in onze tijd. Karl Popper verdedigde dat standpunt al in een lezing in 1956: ‘The History of Our Time: An Optimist’s View. De laatste jaren is het in de media die aan de rechterzijde van het politieke spectrum staan in de mode om te benadrukken wat er allemaal goed gaat in het veelgesmade kapitalistische Westen: zie toch eens hoe oud we worden, kijk eens naar hoe hoog opgeleid we zijn, we leven letterlijk in een heerlijke nieuwe wereld. In Het grote goed nieuws boek (2007) verwijst Simon Rozendaal naar Elias en Goudsblom wanneer hij stelt dat mensen tegenwoordig meer rekening met elkaar houden. Zelfs de Volkskrant doet nu mee, want in dat blad schreef Bert Wagendorp op de zaterdag voor oud-en-nieuw het grappige artikel Geweldig jaar, waarin men kan lezen dat 2007 het allerbeste jaar was in de geschiedenis van de menselijke soort, maar dat 2008 dat superjaar waarschijnlijk zal overtreffen.

Dit alles maakt natuurlijk geen enkele indruk op degenen die overal anomie, vervreemding en dehumanisering waarnemen. Zij blijven de woorden brave new world uitspreken met een snik en een grimlachje.

Misschien heeft iedereen wel gelijk. Dat laat zich illustreren aan de kabelmaatschappijen. In Amsterdam is UPC de bekendste. Aan de ene kant etaleert UPC alles wat de cultuurpessimist zo verafschuwt. Schreeuwerige reclamecampagnes, een technologie met zulke zwakke plekken, dat de televisiebeelden vaak niet eens doorkomen, een vrijwel volledig gecomputeriseerde helpdesk, waardoor je ofwel met een robot praat ofwel met een mens die is geleerd om als een robot te antwoorden, correspondentie in een soort machinetaal en zo voort. De klant voelt zich behandeld als een ding, een ding zonder waarde.

Maar dan. Eindelijk is het gelukt. Alles werkt. Honderd televisiekanalen! Vijftig radiostations! Van die televisiezenders zijn er zeker 25 heel interessant voor iedereen met belangstelling voor kunst en wetenschap. Voor wie Engels spreekt zijn er verschillende BBC-opties, voor wie Duits of Frans verstaat zijn er Arte en Mezzo, de Nederlanders krijgen de hele dag prachtige documentaires voorgezet op de themakanalen Holland Doc en Geschiedenis-TV. De uitspraak dat er vanavond ‘weer eens niks op de tévé’ is, gaat nu nooit meer op. 24 uur per dag, zeven dagen in de week: prachtige televisie! Heerlijke nieuwe wereld, waarin al dat verrukkelijks met een lichte druk op de elegante afstandsbediening de woonkamer binnenstroomt. De Figaro van Mozart, een portret van Giddens, alle films van Péter Forgács, Karel van het Reve in een interview uit 1965, een bloedstollende documentaire over Jonestown, een hele avond gewijd aan Monteverdi, Mensen van morgen van Kees Brusse en veel meer Geert Mak dan een normaal mens aan kan.

UPC maakt dat je beseft: ja, we leven nu inderdaad in een brave new world. UPC maakt dat je beseft: ja, we leven nu inderdaad in een brave new world. En dat is allebei waar.

‘Brave new world’. In: Facta, jaargang 16, nummer 1. april 2008. p. 15.