Berichten

In het echt is ze nog veel mooier. Over het huwelijk van Willem Alexander en Maxima (2002)

1. Exploratieve sociologie

 

Het is niet eens een leuk grapje: een student in de sociologie die naar het café gaat onder het uitspreken van de zin: ‘Ik ga nog even onderzoek doen’. Maar dat ik op 2 februari 2002 ging kijken naar de rondrit van de jonggehuwden in de gouden koets was wel degelijk omdat ik hoopte daar dingen te zullen zien die me materiaal zouden verschaffen voor mijn college over affectieve bindingen. Had ik dat motief niet gehad, dan zou ik lui voor de TV zijn blijven zitten en dat zou jammer zijn geweest, want het werd één van de interessantste en trouwens ook leukste ochtenden in mijn leven.

Nauwelijks had ik de binnenstad betreden of achter me werden de bruggen over de slotgracht opgehaald: ik kon het gebied rondom de Kalverstraat niet meer verlaten. De gehele route van de gouden koets – Dam, Nieuwezijds, Spui, Singel, Munt, Rokin, Dam – was hermetisch afgesloten, niemand mocht het gebied dat door deze straten werd omgeven nog in of uit. Dat duurde van ongeveer twaalf uur tot ongeveer twee uur, het einde van de rondrit. Geen onvertogen woord heb ik er over gelezen, hoewel het voor de ongelukkige journalisten die aan de buitenkant van de ring stonden toch buitengewoon ergerlijk moet zijn geweest dat ze de binnenstad niet meer in konden. Hier perkte de overheid de bewegingsvrijheid van de burger op krasse wijze in, zonder dat het iemand iets leek te kunnen schelen. En ik moet bekennen dat ook ik, opgesloten in het feestelijkste stukje van Europa, geen last had van claustrofobie. Ik was er vooral trots op dat ik me precies op tijd had laten insluiten in het oog van de wervelstorm.

Een gevolg was dat er weinig mensen in dit stukje van Amsterdam waren: de overgrote meerderheid van de feestvierders bevond zich buiten het afgezette deel. Wie na half elf naar het Spui wilde, ontdekte dat dat niet meer mocht. En dus bevond ik me in een gebied dat voornamelijk werd bevolkt door politie-agenten, velen in uniform, maar nog veel meer in burger: stoere mannen en vrouwen in opvallend onopvallende kleding en met een zwart knopje in hun oor. Het leek alsof ze mij niet zagen, maar toen ik mijn rode sjaal uit de zak van mijn jas probeerde te trekken en daarbij wat stond te stuntelen, merkte ik ineens dat vier potige heren zich rondom mij hadden geposteerd en belangstellend stonden af te wachten wat er precies uit die jaszak kwam.

 

2. Historische sociologie

 

Terwijl ik had gehoopt waarnemingen te doen die het college over de affectieve bindingen ten goede zouden komen, zag ik in eerste instantie meer dat het hoofdstuk over de politieke bindingen kon ondersteunen. Op deze ochtend die werd overheerst door vrolijkheid, zonnigheid, geweldloosheid zag ik overal om me heen geweld. Er was een angstaanjagende samengaan van een overdaad aan symbolisch geweld met een overdaad aan werkelijk geweld. Hier trouwde een nazaat van de feodale adel, de specialisten vanhet moorden, en dat zouden we weten ook. Langs de hele route zag men militairen excerceren, huzaren paraderen, mariniers marcheren. En al die geweldsspecialisten droegen duidelijk zichtbaar de instrumenten die ontworpen zijn om er mensen mee te doden: de sabels blonken schitterend in het zonlicht, de antieke musketten staken trots in de lucht. En allemaal weerspiegelden ze natuurlijk vooral het militaire tenue van de bruidegom. Langs de hele route was zowel aan de binnenkant als aan de buitenkant een menselijke muur van duidelijk zichtbaar bewapende militairen, die eenieder die de koninklijk paar kwaad wilde doen duidelijk lieten zien dat dat een vruchteloze onderneming was. Maar ook die twee muren van menselijk geweld zou je nog als symbolisch kunnen opvatten. Dat gold niet voor de geüniformeerde en niet geüniformeerde leden van het politie-apparaat, die de binnenstad transformeerden tot een militair fort. De vrolijke oranjeklanten vormden in deze inner city een verwaarloosbare minderheid, je voelde je opgesloten in een politie-kazerne. En dan was er het onzichtbare geweld: de duizenden observatie-kamera’s, de sluipschutters op de daken (wie in de binnenstad woonde en zo dom was om mop dit tijdstip het dak van zijn eigen huis te betreden, bij voorbeeld om de stoet mooi van bovenaf te kunnen zien, die zou er zonder pardon worden afgeschoten, zo had de politie de bewoners laten weten – althans dat vertelde Nelleke Noordervliet later in een televisie-interview), de vele helicopters in de lucht, waaronder een high-tech helicopter, die geen geluid maakte en die apparatuur bevatte die zo nauwkeurig was dat hij kon waarnemen dat in mijn jaszak een sjaal en geen revolver zat. En tussen dat mimetische geweld van de bejaarde veteranen, die te oud leken om hun geweren nog te kunnen dragen en het realistische geweld van de sluipschutters zaten geleidelijke overgangen, die ervoor zorgden dat echt en onecht door elkaar heen stroomden in postmoderne versmelting.

 

3. Sciëntistische sociologie

 

Samenlevingen worden bijeen gehouden door geweld en door consensus, door dwang en door gedeelde opvattingen, vaak zichtbaar gemaakt in collectieve symbolen. Van het eerste was veel te zien, van het tweede niet minder. Door de republikeinse stad Amsterdam golfde enthousiasme voor het huis van Oranje. Bovendien was het een heel vrolijk en ontspannen soort royalisme, niet het benauwde orangeisme dat zijn eigen onzekerheid onderdrukt door vermeende tegenstanders te lijf te gaan, maar een royale, tolerante koningsgezindheid, een gevoel dat door de betrokkenen werd ervaren als te vanzelfsprekend om nog verdedigd te hoeven worden. Het duidelijkst werd dat zichtbaar op het Koningsplein dat voor de gelegenheid door de anti-monachisten was omgedoopt in het Witte Plein (een NOS-verslaggever zei trouwens dat het befaamde Witteplein in Amsterdam voor de bijzondere gelegenheid was omgedoopt tot Koningsplein), waar ik voor en na mijn opsluiting een poosje rondhing. Terwijl ik me uit de jaren zestig herinnerde hoe agressief en vechtlustig de fanatieke koningsgezinden soms konden zijn, zag ik nu hoe in oranje kleren en met kroontjes getooide oranjeklanten heel belangstellend de stalletjes afliepen waar de antimonarchisten (Aad Veldhoen verkocht hier een anti-Alexander prent) hun waren aan de man brachten. Trouwens, ook het omgekeerde was het geval: de demonstranten waren buitengewoon vriendelijk tegen degenen die zo’n 35 jaar geleden werden veracht als de leden van het klootjesvolk. In elk geval vonden de sociologiestudenten die ik hier sprak het bijzonder begrijpelijk dat ik ging kijken naar de gouden koets; ze vonden het geloof ik een beetje jammer dat ze dat van zichzelf niet mochten.

Maar hoe warm en vanzelfsprekend de consensus ook was, hij was niet compleet. Ten eerste waren daar natuurlijk die demonstranten die met ongelooflijk veel herrie (waarom moet protest toch zo veel lawaai maken?) lieten weten dat ze niet wensten mee te doen aan deze ‘poppenkast’. Ten tweede deed ik de politiek correcte, maar daarom nog niet minder correcte observatie dat langs de route vrijwel alleen maar witte mensen stonden. De Turken, Marokkanen en Surinamers die ik waarnam hadden ofwel een politie-uniform aan, ofwel een politie-knopje in hun oor. O ja, er was een uitzondering: langs de route stond een Surinaamse moeder met twee Surinaamse jongetjes op de koets te wachten en gedurende de vijf minuten dat ik daar in de buurt stond zag ik zeker vijf cameraploegen die zich op de arme kereltjes stortten. De volgende dag zag ik ze terug in verschillende kranten. Wat een bedrog! Dit was overduidelijk een feestje voor witte mensen. Het was zelfs, naar mijn indruk, een feestje voor witte, jonge middenklassemensen. De elite zat in de Nieuwe Kerk, de arbeiders en de ouderen bleven in de buurt van de TV, langs de route stonden vooral de jongens van de optiebeurs en de meisjes van de interactiewetenschap.

Maar er was iets wonderlijks in de manier waarop zij zongen en juichten. Soms scheen het me toe alsof ze er niets van meenden. Voortdurend zag ik tekenen van ironie. De prachtige jonge vrouw in voor deze gelegenheid wel erg erotische kleding riep keihard ‘Leve de koningin! Hoera! Hoera! Hoera!’. Daarna keek ze een beetje stout (‘Heb ik nou iets politiek incorrects gedaan?’) naar haar drie vriendinnen en toen barstte het groepje uit in een schaterbui. Deze uiting van monarchistische loyaliteit zag er heel anders uit dan wat ik meemaakte in 1966, toen ernstige mannen langs de route van de gouden koets zonder een greintje rol-distantie ‘Leve de koningin!’schreeuwden. Als ik Alexander was zou ik me een beetje zorgen maken over de oprechtheid van het moderne royalisme. Het wordt misschien een beetje te postmodern.

 

4. Interpretatieve sociologie

 

En toen was het dan zo ver. Ik stond op het Spui, tegenover het Lieverdje, waar ik 35 jaar geleden nog de happenings van Robert Jasper Grootveld was komen bekijken (het appeltje van Provo is er nog te zien in de bestrating) en daar kwam de Gouden Koets aanrijden. Ik had dat voertuig nooit eerder gezien. Wat was het groot en protserig! Het blonk van alle kanten in de stralende zon. Misschien dat het daardoor kwam: het was veel te warm voor de tijd van het jaar, het was veel te zonnig voor een februaridag, de koets was te groot, te goud, de hele manifestatie was veel te perfect. Of misschien kwam het wel doordat de situatie zo sterk herinnerde aan de intocht van Sint Nicolaas, die ik hier zo vaak met mijn zoontje had bijgewoond. Terwijl de koets alsmaar dichterbij kwam, maakte een gevoel van onwerkelijkheid zich van me meester: al die mensen die speelden dat dit het koninklijk huwelijk was, deze belachelijke koets die natuurlijk niet de echte gouden koets was, maar een copie van de Disney-studio, waaraan iedereen met een beetje smaak direct kon zien dat het liefdeloze Amerikaanse namaak was en wie waren die twee look-alikes, die daar op me af kwamen…

 

5. Afstandelijke en betrokken sociologie

 

Maxima keek me nu recht in de ogen. Die zojuist getrouwde mevrouw, die ik nog nooit van mijn leven had gezien en die nu slechts vier meter van me verwijderd was,  hief haar hand op en zwaaide en lachte allerliefst naar me. Ook Willem Alexander kreeg me nu in het oog en ook hij zwaaide hartelijk naar me, niet zozeer als mijn souverein, meer als een zesdejaars-student die me herkent op het Spui: hé!, Bart!, hoi, hallo… De agenten achter me salueerden zonder de ironie van Fortuijn. Er stond niemand links van me, er stond niemand rechts van me, er was geen misverstand mogelijk: Maxima en Alex zwaaiden naar niemand anders dan naar mij. Naar mij! Maar dat was een misverstand! Ik was hier helemaal niet om te zwaaien, ik bevond mij hier in mijn hoedanigheid van socioloog, ik bereidde mijn college over affectieve bindingen voor! Ik propte mijn vuisten diep in mijn zakken en ik overtrad het simpelste gebod van het geciviliseerde leven: ik zwaaide niet terug. Hier stond een waardevrije socioloog. Hier, bij het Lieverdje, stond een stokoude Provo.

 

‘In het echt is ze nog veel mooier.’. In: Sociologisch Mokum, Jaargang 2001-2002, nummer van april 2002. Herdrukt in: Bart van Heerikhuizen, Multoblaadjes. Diemen: AMB, 2013. pp. 75-80.