Berichten

Het sociologisch belang van het hiernamaals. Over Samuel Scheffler. (2014)

Stel je voor dat je zou weten dat zich dertig dagen na je eigen dood een verschrikkelijke ramp zou voltrekken, waardoor alle mensen zouden sterven. Hoe zou je reageren? Het is onwaarschijnlijk dat je zou zeggen: ‘Ach, dat kan me niets schelen; dat gebeurt na mijn dood.’ Kennis van de catastrofe zou een enorme invloed op je leven hebben. Heeft het eigenlijk nog wel zin om kinderen te krijgen? Wat is het nut van na te denken over een sociologische theorie die misschien pas over honderd jaar zijn vruchten zal afwerpen?

Een ander scenario is nog interessanter. Stel je voor dat de mensheid van de ene dag op de andere onvruchtbaar wordt. Iedereen bereikt zijn sterfbed op geheel natuurlijke wijze, maar er komen geen nieuwe mensen meer bij: langzaam sterft de menselijke soort uit. Hoe zou je je leven dan inrichten?

Deze twee hypotheses worden uitgewerkt door de filosoof Samuel Scheffler in een boek met de misleidende titel Death and the Afterlife. Deze studie gaat niet over het hiernamaals van Christenen of Moslims. Het ‘Afterlife’ uit de titel verwijst naar het simpele feit dat er over honderd of duizend jaar waarschijnlijk nog altijd mensen over de aarde lopen.

Heel nauwgezet onderzoekt Scheffler de vraag hoe het feit dat we weten dat er een ‘leven na de dood’ bestaat ons dagelijks leven beïnvloedt. Na allerlei omzwervingen komt hij tot de conclusie dat onze hele cultuur doordrenkt is van het besef dat de menselijke soort er ook nog zal zijn als wij zelf er allang niet meer zullen zijn. De epicuristen en de stoïcijnen, die beweren dat het voor mij volstrekt onbetekenend is of er na mijn persoonlijk verscheiden nog mensen bestaan, hebben volgens deze filosoof niet scherp genoeg nagedacht. Iedereen denkt, voelt en handelt, dag in dag uit, vanuit een basishouding die volledig geïmpregneerd is door deze simpele wetenschap: als ik dood ben, zullen er nog steeds mensensamenlevingen bestaan.

Toen ik aan dit boek begon, dacht ik dat Scheffler de lezer wilde aanpraten dat er eigenlijk geen reden is om bang te zijn voor de dood. Maar dat is niet zijn bedoeling. Aan het slot komt hij tot de paradoxale conclusie dat we zonder de dood niet kunnen leven, maar dat het toch ‘niet onredelijk’ is om te huiveren bij de gedachte aan je eigen levenseinde.

Death and the Afterlife is een puur filosofische exercitie. Er komt geen empirisch materiaal in voor; de lezer wordt alleen maar uitgenodigd om consequent mee te denken over de twee onwaarschijnlijke scenario’s, die de auteur stap voor stap uitwerkt. Zo doen wij sociologen dat niet. En toch is dit een boek met sociologische relevantie. Want het toont iets aan waar je zelden bij stil staat: wij zijn niet alleen opgenomen in wereldomspannende netwerken met onze tijdgenoten, we zijn niet alleen opgenomen in netwerken met diegenen die eerder leefden dan wij, maar we zijn ook opgenomen in netwerken met degenen die nog ter wereld moeten komen, mensen die we niet kunnen haten of beminnen, omdat we ze nooit zullen leren kennen. Dat is een sociologisch inzicht van betekenis. En al was het niet Schefflers bedoeling om als een soort therapeut de eventuele doodsangst bij zijn lezer te verminderen, toch biedt dit boek, althans voor mij, een klein beetje troost.

‘Het sociologisch belang van het hiernamaals.’ [Over: Samuel Scheffler, Death and the Afterlife. (The Berkeley Tanner Lectures). (edited by Niko Kolodny) Oxford/New York: Oxford University Press, 2013.] In: Sociologie Magazine. Jaargang 22, nummer 1, 2014, p. 17.

Forever, een film van Heddy Honigmann. Over tijd en eeuwigheid. (2011)

Forever is de titel van een belangrijke film van Heddy Honigmann. Hij gaat over de mensen die een kerkhof bezoeken en die daar dan naar één speciaal graf gaan, het graf van iemand met wie ze een bijzondere band hebben. Ze proberen om die overleden persoon ook na zijn of haar dood niet te vergeten, trouw te zijn, voor altijd, for ever, voor altijd. De uitdrukking heeft iets machteloos: ik zal altijd aan je blijven denken, op één van de graven staat dat ook letterlijk zo: ik zal je nooit vergeten, ik aanbid je. Maar wat bedoelen mensen precies als ze zeggen: onze liefde voor jou ontstijgt de dood, die is voor eeuwig. Forever. De uitdrukking heeft iets machteloos, omdat degene die die woorden spreekt weet dat dat niet gaat lukken. Over een jaar of over twee jaar zal er een moment zijn dat ik, al is het maar voor even, niet meer aan je zal denken. En over honderd jaar, als wij allemaal dood zijn, zal er dan nog iemand aan je denken? Hoe lang duurt die eeuwigheid van eeuwig zullen we ons jou herinneren. En wie zijn die wij? De kinderen, de kleinkinderen, de achterachterkleinkinderen? Of zijn dat de mensen die de gedichten van de gestorvene nog voor zich uit prevelen, die de films van de overledene nog bekijken, de études en de préludes nog op de piano spelen, de jazz-improvisaties op beeldscherm en in stereo kunnen nagenieten?

Dat is onder veel meer een thema van deze film. De strijd tegen het vergeten van wie zijn gestorven, de verwoedheid van die strijd en soms ook de tot moedeloosheid stemmende hopeloosheid van die strijd. Want het is als het bouwen van een zandkasteel op het strand, vlak voordat de vloed komt opzetten. Je kunt je kasteeltje heel lang verdedigen, maar er komt toch een moment dat niemand meer kan zien dat daar ooit een zandkasteel stond, met trotse verdedigingstorens met kantelen. De strijd tegen het voorbijgaan van de tijd is niet te winnen, de tijd verglijdt, voortdurend, onstuitbaar. Dat wordt in de film gesymboliseerd door het graf van Elisa Mercoeur, schrijfster van romantische gedichten. Ze stierf in 1835, toen ze 25 was en haar ontroostbare moeder liet haar gedichten in de grafzerk uitbeitelen, voor het nageslacht, diepe letters in harde steen, voorgoed, forever. Maar de tijd heeft de letters al bijna helemaal doen vervagen en de man die ons rondleidt over het kerkhof laat het ons zien: binnenkort is er niets meer van te lezen.

Heddy Honigmann, documentairemaakster, doet alsof dit een film is die gaat over een kerkhof, en dan niet zomaar een kerkhof, maar één van de allerberoemdste kerkhoven ter wereld, namelijk het kerkhof met de wonderlijke naam Père Lachaise in Parijs. De film is een raamvertelling. Ze doet alsof de film eigenlijk gaat over dat kerkhof, de mensen die er lopen, de sfeer, de graven en dat ze dan soms iemand bij zo’n graf ziet staan en daar maakt ze dan een praatje mee, met draaiende kamera, en dan dringt ze heel even binnen in het leven van die persoon die ze daar aantreft en die kennelijk iets heeft met dat graf, met de ontslapene in dat graf. Even loopt ze als het ware met zo iemand mee, soms gaat ze letterlijk met zo iemand mee naar diens huis, ze laat de kijker even kennis maken met het leven van die persoon en dan laat ze die weer achter en voert ze ons naar een ander graf met een andere persoon. Een simpele constructie: enkele mensenlevens, aan elkaar geknoopt omdat ze allemaal op datzelfde stukje grond in Parijs rondlopen.

Maar zo is het toch niet helemaal. Die mooie, jonge Japanse pianiste bij het graf van de Frans-Poolse componist Frederic Chopin, die heeft ze vast niet op dat kerkhof ontmoet. Zo heel toevallig zijn deze ontmoetingen niet, althans niet allemaal. De pianiste heet Yoshino Kimura, en Honigmann vond haar zo boeiend dat ze kennelijk een kleine documentaire film over haar wilde maken, van niet meer dan tien minuten, culminerend in een optreden in de concertzaal, waarbij ze het gezicht van de pianiste ononderbroken in beeld houdt. En haar aangrijpingspunt is dat die jongedame het graf van Chopin bezoekt. Je kunt dus ook zeggen dat deze film bestaat uit een serie kleine documentaires over een aantal heel bijzondere mensen, die geen van allen heel erg beroemd zijn, de zogenaamde gewone mensen van alledag. Maar met al die mensen is iets dat ze voor de maakster de moeite waard maakt. En door die ontmoetingen op dat kerkhof plakt ze ze aan elkaar.

Nou zou je kunnen denken dat het dus eigenlijk een truukje is, een gemakkelijke manier om door zo’n raamstructuur eenheid te suggereren waar het eigenlijk gaat om een heterogeen stelletje toevallige interessante personen. Maar dan vergeet je wat een groot filmmaker Heddy Honigmann is. Die slaagt er in om allerlei lijntjes te trekken, lagen aan te brengen, waardoor er toch een geheel ontstaat dat meer is dan de delen. Dat is eigenlijk de grote uitdaging die ze zich stelde: hoe maak je van die reeks vertellingen een geheel dat daar boven uitgaat. Er ontstaan verbindingen tussen de verschillende protagonisten, zo niet in de film, dan toch wel in het hoofd van de kijker. Je reist langs die mensen, maar je reist ook door de tijd, door de kunsten, door de geschiedenis, niet alleen die van Frankrijk met zijn commune van Parijs en de dood van de gefusilleerde opstandelingen, maar ook de geschiedenis van Iran, zoals het geval is bij de Iraanse taxichaffeur/zanger-van-traditionele-Perzische-muziek die ze aantreft bij het graf van de dichter Sadegh Hedayat. Je ziet Yves Montand die over die mensen die bij die muur werden doodgeschoten een lied zong, le temps des cerises, maar die Montand was ook enige tijd de echtgenoot van Simone Signoret en in de film komen twee mannen voor die het graf bezoeken van de Franse de actrice Signoret omdat ze haar ontzettend goed vinden, onder meer in de film Les Diaboliques uit 1955. Je krijgt ook een stukje uit die film te zien. En toch hebben ze haar nog nooit in die film of in enige andere film gezien. Hoe dat zit verklap ik nog even niet, spoilerspoiler, omdat het een ongelooflijke truuk is van Heddy Honigmann om ons nu juist via uitgerekend deze twee mannen voor te stellen aan de vrouw die dank zij haar intrigerende uiterlijk het Franse filmpubliek veroverde. Zo dwingt de maakster de kijker om allerlei lijnen en patronen te ontdekken, op eigen houtje, soms zijn die gemaakt door de bioskoopbezoeker, soms zijn ze al een beetje voorgevormd door mevrouw Honigmann en halen we er trots uit wat zij er voor ons in gestopt had. Zo gaat de film opvallend vaak over mensen die in opstand komen, in Iran, in Parijs in de negentiende eeuw, in de Spaanse burgeroorlog tegen de fascisten van Franco. De film gaat ook over mensen die ontheemd zijn, die hun land hebben verlaten, migranten. Je moet er eens op letten hoe veel van de mensen die ze volgt niet uit Parijs komen. En dat geldt ook voor Heddy Honigman zelf, die we kennen als Nederlandse filmmaakster, maar die uit Peru komt, geboren uit ouders die uit Polen gevlucht zijn voor Hitler. Waren ze niet gevlucht voor het antisemitisch geweld, dan had Heddy niet bestaan, dan was deze film er niet geweest. Achter die vluchtende mensen schuilt ook de dood.

Er zit ook een metaniveau in de film. Het is ook een film over film, de film als de zevende kunst. Zo gaat het even over de maker van de allereerste films, George Méliès, die meteen de filmtrucage uitvond, in een tijd dat film nog een soort kermisattractie was. Zijn eerste trucfilms gaan eigenlijk ook over de dood, over iemand wiens hoofd er het ene moment op zit en het andere moment niet. En dan gaat de film over speelfilms, de films waarin Simone Signoret speelde, de grote actrice die ook begraven ligt op het kerkhof van Père Lachaise. Het gaat dus ook over hoe het medium film een wapen is in de strijd tegen de dood, tegen de vergetelheid, tegen de tijd. En ook dat is een wapen dat niet echt werkzaam is, uiteindelijk. Castles made of sand, swept into the sea, eventually. (Jimi Hendrix… ligt niet op père Lachaise, die andere popster die ook in 1970 overleed, Jim Morrison wel.)

En er is nog een metaniveau. De filmkunst is een kunst. En deze film gaat meer in het algemeen over  kunst, over hoe kunst ons leven zin, diepte, troost, geluk, verzoening kan brengen. Je hoort de jazz-pianist Michel Petrucciani, je ziet op het affiche een schilderij van Ingres, die hier ook is begraven, net als Modigliani, een mevrouw maakt het graf schoon van de dichter Appolinaire, we zien toeristen bij de graven van Oscar Wilde en Marcel Proust. Van Proust hebben ze niet veel gelezen, ‘dat zijn van die dikke boeken, daar kom je gewoonweg niet doorheen.’ Maar iemand anders, een jonge man uit Korea, die speciaal om het graf van Proust te bezoeken, naar Parijs is gekomen, is diep getroffen door Proust. In vertaling! Hij kan in een Westerse taal niet uitdrukken wat Proust voor hem heeft betekend, hij staat te stotteren in onbeholpen Engels, gevangen in de taalbarriere. Maar als hij het mag uitleggen in het Koreaans, dan begint hij te stralen en dan zie je hoe hij geniet als hij in een taal die wij niet verstaan uiteenzet waarom Proust zo goed is. Dus Prousts werk straalt uit tot ver buiten het Franse taalgebied.De film gaat dus ook over wat kunst met mensen doet…

Maar vergis je niet: de lijnen en de patronen in deze film, lopen niet alleen dwars door de hele film heen, ze lopen ook door het hele filmische oeuvre van Honigmann heen, dit is een kunstenares wier gehele werk, tot en met haar recentste film, een eenheid vormt. Harry Mulisch heeft ooit eens gezegd dat er twee soorten kunstenaars zijn: degenen die werken aan een kunstwerk en degenen die werken aan een oeuvre. Ook in de andere films van Honigmann gaat het over dood, liefde, erotiek, over mensen die ontworteld zijn, moeten vluchten naar een ander land, moeten vechten tegen de dreiging van de armoede, de ondergang, die taxichauffeur in deze film verwijst naar taxichauffeurs in andere films, de musici in de film verwijzen naar musici in andere films. Honigmann hoort tot het soort kunstenaars waar Harry Mulisch ook toe behoort: je kunt één werk van ze apart begrijpen (de Aanslag, de film Forever), maar je begrijpt het eigenlijk toch niet volledig als je het niet kunt zien in de context van het hele oeuvre. Maar dan moet je wel dat hele oeuvre tot je nemen. Bij Mulisch vind ik dat geen onverdeeld genoegen. Bij Honigmann is dat een erg aangename manier om je tijd door te brengen. Bovendien is het sinds een paar dagen heel gemakkelijk geworden om dat te doen, want er is onlangs een dvd-box verschenen met daarin dertien films van Honigmann, wat veel is, maar niet het complete werk, want helaas ontbreekt de TV-serie De liefde gaat door de maag en die vond ik nou juist zo indrukwekkend. Maar uiteindelijk is er toch misschien slechts één enkele persoon die dat hele oeuvre kan overzien en dat is de maakster zelf. Zij is het die nu al zo’n dertig jaar lang bezig is om al haar dromen en obsessies, al haar liefdes en vragen, haar hele levensthematiek samen te brengen in een cinematografisch oeuvre dat een grote eenheid vertoont, een hecht doorgecomponeerde structuur. En ze werkt er nog altijd hard aan. En hopelijk zijn haar, hoewel ze chronisch ziek is, nog vele jaren gegHeddy Honigmann, geboren in 1951, in Lima, Peru, als dochter van ouders die de Shoah hebben overleefd door het moorddadige Europa te ontvluchten, is een Nederlandse cineast. Ze woont en werkt sinds 1978 in Amsterdam. Ze was getrouwd met Frans van der Staak, een Nederlandse filmmaker van weinig bekende, wonderlijke, experimentele films, die veel te jong overleed, in 2001, Heddy Honigmann kent de wrede, te vroege dood. Ze maakte vooral documentaire films, zoals Metaal en Melancholie over mensen die als taxichauffeur overleven in Lima, Peru, haar geboortestad,  Het Ondergronds Orkest over straatmuzikanten in de metrostations van Parijs, Crazy, over Nederlandse militairen op buitenlandse missies (en dan vooral hun door muziek uitgelokte herinneringen),  El Olvido (Oblivion, Vergetelheid), over mensen die moeten sappelen om rond te komen in Lima, Peru, opnieuw een film gedraaid in haar geboortestad en De liefde natuurlijk, O amor nautral, waarin oude mensen terugzien op hun erotisch verleden. Ze maakte ook speelfilms, zoals de film Hersenschimmen, naar het boek van Bernlef (over hoe de woeste dood soms kan oprukken in een mens terwijl die nog in leven en bij zijn verstand is), en de film De juiste maat, over eenzaamheid en over sex, want de juiste maat is hier niet alleen de juiste partner, maar ook de dildo met de juiste proporties. Ze kan ook heel grof en grappig zijn. Ze maakte ook een hele reeks films voor de televisie waarin ze mensen hun geliefste recept laat koken en ze daarbij interviewt over hun leven, zoals dat weer naar boven komt terwijl ze die gerechten staan klaar te maken. Die reeks heet: liefde gaat door de maag en er zit een bloedstollend mooie aflevering bij met haar eigen moeder. Veel van haar films gaan over het uitlokken van herinneringen aan mensen via iets heel anders, dat ze een onbewuste herinnering ontlokt, zoals het bereiden van bepaalde gerechten van vroeger, of door ze bepaalde muziek te laten horen of door ze een foto of een voorwerpje voor te houden, door bejaarde Braziliaanse dames tot een gesprek over sex te verlokken na ze literaire erotische gedichten te hebben laten lezen en voorlezen of door ze te bevragen op een kerkhof, staande op de plek waar de stoffelijke resten van hun geliefden liggen. Zo doen sociologen, op zoek naar historische kennis, dat nooit, maar het is een heel goed idee, een strategie die misschien tot navolging uitnodigt.

Honigmann is jaar in jaar uit de ster van het IDFA, dat toevallig juist nu aan de gang is en sleept dan alle onderscheidingen in de wacht, ook nu weer. Ze kreeg twee keer een gouden kalf en één van die twee keer was voor deze film, Forever: de beste Nederlandse documentaire film van 2006.Ze word overladen met prijzen, maar dat is wat mij betreft volkomen terecht. Ook nu weer: op het IDFA wordt ze in het zonnetje gezet, met enige fanfare wordt daar haar nieuwste film, de speelfilm En op’n goede dag gepresenteerd, er verschijnt een box met een groot deel van haar werk (in de serie Dutch Documentary Collection van het Insttituur voor Beeld en Geluid), in Parijs vond van 5 tot en met 17 november 2011 een retrospectief plaats van haar hele werk in het Centre Pompidou onder de titel Heddy!.

Forever is uitgekomen in de zomer van 2006. Ik zag hem meteen nadat hij in de bioskoop kwam en mijn verwachtingen waren vooraf al hoog gespannen en toch werden ze nog een beetje overtroffen. Ik weet nog precies hoe ik de bioskoop uitliep en zei: ze doet het weer, ze doet het weer.

De film gaat over het graf, het kerkhof, de dood. Maar de film biedt ook een remedie tegen de dood. Dat is het stukje dat de grootste indruk op me heeft gemaakt, er komt een fragment in voor waarin wordt uitgelegd waarom we de dood niet hoeven te vrezen. Ik vertelde al over die jongen die helemaal uit Korea komt om het graf te bezoeken van de grote Franse schrijver Marcel Proust. Dat graf wordt ook bezocht door een andere persoon en dat is een van de weinigen die wel een beetje beroemd zijn, namelijk de striptekenaar Stéphane Heuet, die een reeks stripboeken heeft gemaakt over het beroemdste boek van Proust, Op zoek naar de verloren tijd, à la recherche du temps perdu. Over de geschiedenis met de Madeleine zegt hij het volgende. Je hebt aan de ene kant vrijwillige herinneringen. Iets herinnert je ergens aan. Je denkt: hoe zat dat ook alweer. Je gaat het na, roept het uit je geheugen te voorschijn en ja hoor, daar staat het je alweer helder voor de geest. Dat is de vrijwillige, de gewenste, de te voorschijn geroepen herinnering. Maar daarnaast heb je de onvrijwillige herinnering. Je legt je madeleine-koekje op een lepeltje thee, je doopt het in de thee en plotseling ben je weer wie je was toen je tien was. Je roept niets op, je denkt helemaal niet aan vroeger, nee, door die smaak en die geur gebeurt er iets heel wonderlijks: je bent weer tien, je zit weer in de kamer van je tante die je een kopje thee met een koekje geeft. Dat is de onvrijwillige herinnering. Je zou kunnen zeggen dat Honigmann het principe van de onvrijwillige herinnering zelf ook inzet als een strategie in haar interviews, wanneer ze mensen ondervraagt terwijl ze een gerecht uit hun jeugd staan klaar te maken of terwijl ze luisteren naar de muziek die ze opzetten als ze met een truck door bomber’s alley in Bosnië reden en niet zeker wisten of ze de tocht zouden overleven.

Maar het gaat me hier om iets anders. Als Heuet gelijk heeft, als dat kan, als dat werkelijk waar is, dan hoeven we niet voor de dood bevreesd te zijn, want dan leven we voor altijd, forever. Aan die zin dankt de film haar naam. Voor die striptekenaar is dit de essentie van Proust, een soort wetenschappelijke ontdekking, een nieuw nog nooit eerder beschreven wonderbaarlijk verschijnsel dat ons wellicht uitzicht biedt op de eeuwigheid, de echte eeuwigheid. Want dank zij dat Madeleine-koekje beseffen wij dat wat vijftig jaar geleden gebeurd is en wat nu gebeurt tegelijkertijd plaats vindt, dat eigenlijk tijd een illusie is. Maar als in diepste wezen tijd een illusie is, dan kun je ook niet zeggen dat er dingen gebeuren vóór het moment dat ik dood ging en ná het moment dat ik dood ging, dan bestaat tijd niet, dan zit je hoofd tegelijkertijd wel en niet op je schouders, zoals George Méliès onze verbaasde ogen heeft voorgetoverd, dan bestaat dood niet, dan leven we altijd sub specie aeternitatis. Proust heeft iets ontdekt dat ons in staat stelt om onze angst voor onze eigen dood te overwinnen. En dan is het ook niet meer griezelig om te kijken naar een man die een gestorven vrouw mooi maakt opdat de nabestaanden haar stoffelijk omhulsel zo kunnen zien dat het lijkt of ze nog leeft en daardoor gemakkelijker afscheid van haar kunnen nemen.

—–

Naschrift, enkele dagen na de filmvertoning genoteerd voor mezelf: Wat nog ontbreekt in dit stukje: dat de filmmaakster in de film zelf zegt (tegen de Iraanse taxichauffeur): dit is een film die gaat over de betekenis die kunst heeft in het leven van mensen. Dat is dus duidelijk de rode draad die ze er expres doorheen weeft, vandaar die nadruk op de graven van de grote dichters, schrijvers, schilders, componisten, acteurs, filmmakers. Dat is het thema van de film.

Wat ook ontbreekt is de nadruk op al die poetsende, boenende, schrobbende dames en een enkele heer, die als een Leitmotiv, een basso continuo, de hele film bijeen houden. Dat is heel ontroerend: al die plastic anderhalve liter flessen die worden gevuld en uitgegoten, hervuld en vergoten, in een welhaast eindeloze opeenvolging. Dat beeld van boenende mensen, die wat vies, beschadigd, overwoekerd, verloederd is, weer mooi proberen te maken en dan de beelden van hoe hopeloos hun werk is: de lelijke graven, de vergane glorie. En bloemen, steeds weer een paar bloemen, wuivend in de wind. En stenen, veel stenen, overal glijdt de kamera over witte stenen, marmeren mensengestalten, hoofden, benen, borsten, hier je hand, daar je wang.

Een ander thema dat de hele film bijeen houdt is de Japanse pianiste: niet alleen zit ze in het begin, wanneer ze bij het graf van Chopin staat en daarna in de metro bij Bir Hakeim en daarna thuis achter de piano. Niet alleen zit ze in het lange shot van haar gezicht als ze tenslotte, aan het einde van de film, de complete nocturne van Chopin speelt (de dame die je haar hoort aankondigen zegt: dit is haar eerste optreden voor publiek) die ook de filmmuziek is onder de aftiteling van de film, maar ook zit ze een keer of drie, vier daar tussenin, oefenend, studerend, herhalend, werkend aan die nocturne van Chopin. Zij is een van de thema’s die de film eenheid geven, ploeterend achter de vleugel, zoals Heddy ploeterde om die film precies goed te krijgen.

In mijn voordracht heb ik het tegen het einde over het fragment uit de film van Méliès: de man met hoofd en zonder hoofd, met hoofd en zonder hoofd. Een echo van die film zit aan het einde als je ziet hoe iemand een dode aan het beschilderen is. Je ziet die specialist de lippen schilderen van de overledene. En vrij kort erna zie je de Japanse pianiste die nocturne spelen en de kamera glijdt even liefdevol over haar levende gezicht en over haar levende lippen als zojuist over het dode gezicht en over de dode lippen en even is het alsof het er niets toe doet, alsof het dode gezicht van de levende is en het levende van de dode, alsof de man met hoofd en de man zonder hoofd dezelfde zijn, leven en dood, boven en onder de grond.

Boven de grond worden veel migranten geinterviewd, mensen die niet uit Parijs komen, maar uit andere landen. Maar onder de grond liggen in deze film ook veel buitenlanders: een Iraanse dichter, een Poolse componist, Chopin, een Italiaanse schilder, Modigliani, Jim Morrison, mensen die in een Duits concentratiekamp zijn gestorven, dit ondergronds orkest is internationaal. En het verschilt allemaal niet zo erg of je boven of onder de grond bent. De levenden en de doden zijn hier samen, communiceren met elkaar, althans, de levenden praten met, geven bloemen, een pen, een penseeltje, aan de doden.

Aan het slot van mijn voordracht zeg ik iets meer persoonlijks naar aanleiding van wat de striptekenaar Heuet in de film zegt over de ontdekking van Proust. Als Proust gelijk zou hebben, dan zou tijd een illusie zijn en dan hoeven we ook niet bang te zijn voor de dood want dan zijn we eeuwig, we bestaan forever. Maar als dat waar zou zijn, dan zouden we ook onze toekomst kunnen kennen, net zo vaag als dat we ons ons verleden herinneren. En nu is het vreemde, en dat is vast niet zo bedoeld door de maakster, dat twee keer in deze film iemand iets zegt dat daar op wijst.

De eerste is de man die mensen rondleidt op het kerkhof. Hij zit op een bankje als hij vertelt dat hij hier maar één keer per jaar gaat zitten om te gedenken. Wat gedenkt hij daar? De eerste ontmoeting met de vrouw van zijn leven. Hij vertelt het een en ander over haar. Maar hij zegt ook iets heel interessants: hij zegt dat hij haar daar ontmoette en dat toen de hele rest van zijn leven zich aan hem ontrolde: hij wist op dat moment in één oogopslag hoe het verder zou gaan met hem, in het gezelschap van haar. Eén van de dingen die uit dat toekomstbeeld naar voren sprongen: hij dacht: nu zal ik me nooit meer vervelen.

De tweede is striptekenaar Stéphane Heuet zelve. Hij zegt iets heel interessants. Hij las Proust en vond er niets aan. Vijftien jaar later las hij Proust opnieuw en hij werd door zijn boek gegrepen. Hij raakte er zo van onder de indruk dat hij op zoek ging naar het stripboek dat over het boek van Proust was gemaakt, omdat hij wel eens wilde zien hoe al die dingen die in het boek worden beschreven er nou eigenlijk echt uitzagen. Hij dacht: zo’n striptekenaar, die een strip maakt van dit meesterwerk, die moet zich natuurlijk heel erg goed documenteren, die gaat alles heel precies uitzoeken, reconstrueren, geloof maar dat een kamer van Proust er bij hem precies zo uitziet als hij er destijds moet hebben uitgezien. Dus ging hij naar zijn boekenwinkeltje en vroeg om de strip-versie van het meesterwerk van Proust. De verkoper, die later een vriend, een goede vriend zelfs van hem werd zei: dat boek bestaat niet. Hoe kan dat nou, dacht Heuet, dat boek moet toch bestaan? En dan: ik meende toch echt zeker te weten dat dat boek bestond. Maar goed, het bestond dus niet. En toen besloot hij om het dan maar zelf te maken. En dat werd die prachtige reeks waarmee hij wereldberoemd is geworden en waarmee hij de eeuwigheid zal ingaan, beroemd als de man die Proust zo briljant verstripte, befaamd forever. Maar als ik dat verhaal hoor, dan denk ik iets heel anders. Ik denk: omdat Proust gelijk heeft met zijn Madeleinekoekje, omdat Heuet gelijk heeft met zijn Proust-interpretatie volgens welke tijd een illusie is, daarom kon Heuet nog voordat hij één enkele tekening had gemaakt denken dat het boek dat nog niet bestond al bestond, hij wist op dat moment al dat hij de tekenaar was van de strip naar het boek van Proust. Hij ervoer dat toekomstbeeld niet als een mysterieus, vreemd iets, hij wist gewoon dat dat boek al bestond. Maar dat was niet zo. Hij moest het eerst nog maken.

Deze film gaat over de illusie van de tijd. En dat we daarom de dood niet hoeven te vrezen.

‘‘Forever’, Inleiding bij de film Forever van Heddy Honigmann’. Voordracht op de filmavond, georganiseerd door de studievereniging van sociologiestudenten SEC. Oude Manhuis Poort, zaal C317, op 22 november 2011. Met een naschrift multoblaadjes, 24 november 2011

Vijf korte colleges voor de Universiteit van Nederland rond de theorieën van Durkheim (2013)

1. Waarom worden vrouwen niet meer ontslagen als ze een kind krijgen?

Ik ben geboren op 10 mei 1948. Mijn ouders waren allebei onderwijzers, ze waren op de school voor onderwijzers, de Rijkskweekschool in Haarlem, verliefd op elkaar geworden. Toen ik mijn komst aankondigde, zei het hoofd van de lagere school waar mijn moeder al een paar jaar naar ieders tevredenheid en met erg veel plezier les gaf: ‘Miep, het spijt me, maar ik moet je ontslaan; je krijgt over een paar maanden een kindje, dus je mag niet langer het werk dat je met zo veel toewijding hebt verricht blijven doen.’ Zo ging dat in het moderne Nederland van na de Tweede Wereldoorlog. Zo lang geleden is het eigenlijk niet. En wat was het een schandalige, door de wet gesanctioneerde, discriminatie van vrouwen, die moeder werden.

Ik ben geboren op 10 mei 1948, dus ik ben net 65 jaar geworden. Wat is er gebeurd in die afgelopen 65 jaar sind mijn geboorte? In elk geval dit: dat vrouwen kinderen baren en mannen niet, dat wordt nu door niemand meer gezien als een reden waarom vrouwen niet zouden werken. Dat hebben de feministes, de voorvechters van gelijke rechten voor mannen en vrouwen, toch maar voor elkaar gekregen. Maar was het wel alleen hun verdienste? Hoe kwamen de voorstanders van gelijke rechten voor vrouwen in de jaren zestig en zeventig aan hun argumenten? Die ontleenden ze onder meer aan de toen nog betrekkelijk nieuwe sociale wetenschappen, in het bijzonder de sociologie.

Het vak sociologie is helemaal niet zo oud. Het woordje sociologie verscheen minder dan tweehonderd jaar geleden voor het eerst in druk, in 1838. De eerste professor in de sociologie werd eind negentiende eeuw aangesteld in Chicago in 1892. De eerste professor in de sociologie in Europa werd precies honderd jaar geleden benoemd: Emile Durkheim, hoogleraar aan de Sorbonne in Parijs. De eerste professor in de sociologie in Nederland werd in 1921 aangesteld, minder dan honderd jaar geleden dus, maar het vak kwam eigenlijk pas echt op gang als academische discipline in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Die sociologie, zoals die werd beoefend aan universiteiten in Amerika en in Europa in de jaren vijftig, leverde een heleboel begrippen en inzichten op waar de feministes wat aan hadden.Zoals de kwestie van de typische rol van de man in de samenleving en de rol van de vrouw. Rol. Het is eigenlijk een woordje ontleend aan de wereld van het theater, het toneel. Die invulling van die rollen heeft minder te maken met biologie, met het feit dat vrouwen kinderen krijgen en mannen niet, dan de mensen tot dan toe dachten. De sociologen in de jaren vijftig maakten duidelijk hoe groot de rol van sociale factoren is.

Eén van de grote raadsels waar sociologen zich over buigen is dat mensensamenlevingen nogal stevig blijken te zijn, hoewel er veel verloop is. In een volgend college zal blijken dat ze soms wel degelijk uit elkaar vallen, maar om te beginnen is vooral opvallend dat samenlevingen nogal taai zijn, ze desintegreren niet zo gauw. Neem nou bij voorbeeld de Nederlandse samenleving. Die worstelt met twee grote problemen. Het ene is dat er elk jaar zo’n 136.000 mensen dood gaan. Je leest daarover niets in de krant, maar het is een verschrikkelijk probleem: maand in maand uit gaan er meer dan 10.000 Nederlanders dood, onophoudelijk. Loodgieters en concertviolisten, bekende Nederlanders en straaljagerpiloten, stratenmakers en sociologen, allemaal gaan ze het graf in, hoe mooi en dapper ze ook waren, hoe lief ze ook waren voor de mensen om ze heen, daar gaan ze, en weg is al dat geld dat we in hun opleiding en in hun gezondheid hebben geinvesteerd, wat een kapitaalvernietiging, wat een verlies aan menskracht. Hoe houdt een samenleving dat vol, maand in maand uit, jaar in jaar uit? En dat is niet alles. En elk jaar wordt ons land overstroomd door een golf van barbaren, mensen zonder enige civilisatie, mensen zonder moraal, zonder normen en waarden, die meteen beginnen te huilen en te krijsen als je niet onmiddellijk hun behoeftes vervult… ik bedoel die 180.000 babies die er elk jaar bij komen. Hoe maak je daar goed aangepaste leden van de samenleving van, hoe geef je die alle nodige burgerschapscursussen? Die twee demografische basisfeiten, sterfte en geboorte, die zorgen voor enorme uitdagingen, denk aan het onderwijs voor al die nieuwe mensen, denk aan de vervangingsstrategieen voor al die al die doden. Maar eigenlijk is het nog erger: bekijk het nu eens niet over een periode van een maand of een jaar, maar over een tijdsspanne van zo’n 100 jaar. Na een eeuw zijn vrijwel alle leden van de samenleving vervangen door nieuwe exemplaren. Allemaal nieuwe mensen! En toch lijkt de sociale structuur van Nederland in veel opzichten best veel op die van honderd jaar geleden: we (ik zeg nu maar even we) we spreken min of meer dezelfde taal, toen in 1913 en nu in 2013, we hebben een regering, gecontroleerd door een nogal volgzaam parlement, we hebben lagere en middelbare scholen, een beurs, een concertgebouw, een politie-apparaat, ziekenhuizen, er zijn rijke en arme mensen, er zijn vakbonden, we maken ons zorgen over de hoge echtscheidingscijfers en de hoge zelfdodingscijfers en de toename van het aantal onkerkelijken en zo voort. Hoe komt het dat die samenleving zo stabiel blijft, terwijl al die mensen periodiek allemaal dood gaan en door gloednieuwe exemplaren worden vervangen?

In de jaren vijftig zeiden sociologen: dat komt doordat de oudere generatie de jongere generatie heel precies bijbrengt welke rollen ze in welke posities in de samenleving moeten gaan vervullen: wat is de rol van de brandweerman, wat is de rol van de huisvrouw. Dat gebeurt al vroeg in het leven, in het proces van opvoeding, van socialisatie, een soort inburgeringscursus voor pasgeborenen. Eerst nemen de ouders daarin de leiding, later komen de onderwijzers, leraren en docenten erbij, de media spelen er tegenwoordig een steeds belangrijker rol, denk aan Sesamstraat of aan smartphone-spelletjes, en kinderen leren ook van oudere vriendjes, de zogenaamde peer-group. Dat leren hoeft lang niet altijd heel officieel te gebeuren, dikwijls gaat het spelenderwijs. Een jongetje speelt met een brandweerwagen en fantaseert over hoe het zou zijn als hij brandweerman zou zijn of piloot of voetballer. De volwassenen om hem heen zien dat aan met plezier, ze moedigen hem aan, geven extra opdrachten. Door dat te doen bereidt hij zich voor op een rol die hij wellicht later in zijn leven zal vervullen, hij oefent er alvast een beetje voor, hij fantaseert er al over. Een meisje speelt met poppen en traint zich zo in wat ze misschien later gaat doen: haar eigen kinderen opvoeden. Zo worden de nieuwkomers al van meet af aan geoefend in de rollen die later in de samenleving vervuld moeten worden. Let wel: dit was het beeld in de jaren vijftig, ik ga direct vertellen dat dat van die brandweerauto en die pop nu niet meer klopt, niet helemaal meer.

Kleine jongens leren dat het raar is als ze een rokje willen dragen, dat hoort niet bij een echte jongen. Maar als die jongen opgroeit en er juist veel plezier in zou kunnen krijgen om vrouwenkleren te dragen, dan zal hij merken dat er een heel stelsel is van openlijke en meer gecamoufleerde sancties dat ervoor zorgt dat hij dat uit zijn hoofd laat. Een achttienjarige scholier in vrouwenkleren zal niet zo gauw van school worden gestuurd door de directeur, maar hij zal wel het object zijn van grappen en een aantal klasgenoten lopen met een boogje om hem heen. Informele negatieve sancties komen vaak veel harder aan dan formele straffen. Dus door socialisatie vroeg in het leven en door allerlei vormen van sociale controle verderop in het bestaan, leren mensen wat hun rollen zijn in de samenleving. Kinderen uit deftige families worden klaargestoomd voor goed betaalde beroepen, kinderen uit arme gezinnen gaan later ook vaak rollen vervullen waarmee ze niet zo veel geld verdienen; mannen worden voorbereid op het uitoefenen van een beroep waarmee ze hun gezin onderhouden, vrouwen mogen werken tot ze een kindje krijgen en dan moeten ze abrupt met werken stoppen en voor de baby gaan zorgen. En zo voort. Ik leg het nu heel kort uit, maar zo verklaarden die sociologen in de jaren vijftig hoe het komt dat samenlevingen over een lange periode een bepaalde structuur blijven behouden, ook al worden alle leden vervangen, stuk voor stuk, onverbiddelijk. Samenlevingen kun je vergelijken met hele grote uurwerken en individuele mensen zijn de radertjes in die apparaten: vanaf het moment dat ze ter wereld komen leren ze welke taken ze moeten vervullen om als radertje te functioneren. Zo blijft de klok precies dat doen wat hij moet doen, de tijd aangeven, ook al zijn na een eeuw alle onderdelen stuk voor stuk vervangen.

De feministische beweging in het Nederland van de jaren zestig en zeventig werkte met ideeën die voor een deel afkomstig waren uit de sociale wetenschappen; de voorvechtsters gebruikten sociologische inzichten als munitie in hun strijd voor gelijke rechten van vrouwen. Neem bij voorbeeld Joke Smit, één van de grote namen in het feminisme van de jaren zestig en zeventig. Die publiceerde in 1969 een boekje waarvan de titel eigenlijk alles zegt: Rok en rol. Een woordspeling, maar wel een hele goede, want daar draaide het voor deze schrijfster om: wat is de sociale rol die hoort bij mensen met een rok en zouden we die niet eens een beetje kunnen veranderen? Wat die feministes vooral oppikten uit de sociale wetenschappen is dat die zeggen: de biologische kenmerken van mensen, zoals het biologische verschil tussen mannen en vrouwen, zijn niet doorslaggevend, het gaat om de samenleving. Dat vooral vrouwen intensief voor de kinderen zorgen, dat vloeit niet voort uit het feit dat ze die kinderen baren en zogen, nee, het is een conventie die in Nederland en in veel andere landen al heel lang bestaat, die veel mensen volkomen vanzelfsprekend vinden, maar die niets anders is dan dat: een afspraak, een sociale norm, het zou best ook anders kunnen. Van de sociologie leerden ze dat die rol van de man en die rol van de vrouw conventies zijn, regels, die nou eenmaal horen bij de Nederlandse samenleving, zo is het in de loop der eeuwen gegroeid.. Het gaat om zulke diep ingesleten gewoonten dat het niet zo gemakkelijk is om ze te veranderen.

Maar nu zeiden die feministes: en toch… als het alleen maar conventies zijn, waarom zouden we dan niet eens proberen om ze een beetje te veranderen? Wat zou er eigenlijk gebeuren als we die jongetjes nou eens poppen voor hun verjaardag geven en meisjes brandweerauto’s? Hoe erg is het eigenlijk als vrouwen in spijkerbroeken naar hun werk gaan en niet in een fleurig jurkje? Zullen er rampen over ons neerdalen als we voortaan afspreken dat vrouwen niet al te lang na de bevalling gewoon terugkeren naar de werkplek? Laten we er eens een begin mee maken, al was het maar bij wijze van experiment.

En toen gebeurde er iets verrassends. In die zo stevig lijkende Nederlandse samenleving met zijn stabiele afspraken over wat typisch mannelijk is en wat typisch vrouwelijk is, zie je een grote verandering optreden in het rolgedrag van mannen en vrouwen, een verandering die weliswaar geinspireerd werd door wat sociologen over die samenleving hadden geschreven, maar die tegelijk dat wat er over was opgeschreven achterhaald maakte. Door hun eigen onderzoek maken sociologen de samenleving onbedoeld heel anders. Hun inzichten verbreiden zich als een inktvlek over de samenleving en sommige mensen zeggen dan: zo hebben we het altijd gedaan, maar waarom zouden we het zo blijven doen. Ze worden zich dank zij die sociologie bewust van allerlei dingen waarover ze daarvoor nauwelijks nadachten. Ineens dringt tot een vrouw door dat het eigenlijk heel oneerlijk is om iemand te ontslaan, alleen maar omdat ze een kind krijgt. Dat wat de socioloog bestudeert verandert dus onder zijn ogen, als een plaatje in een Harry Potter krant. Sociologie is niet alleen een wetenschap die registreert en verklaart wat er gebeurt in samenlevingen, het is ook een wetenschap die dat wat bestudeerd wordt voortdurend zelf beinvloedt en verandert. In dat opzicht werken de menswetenschappen anders dan de natuurwetenschappen. Wanneer sterrekundigen de banen van de planeten heel nauwkeurig in formules onderbrengen, dan gaan die planeten hun baan heus niet verleggen. Maar als een socioloog de oorsprong van het banenverbod voor gehuwde vrouwen bestudeert, dan kunnen die vrouwen zeggen: waarom zou ik mijn baan eigenlijk opgeven?

Een bezwaar tegen deze gedachte is dat de kennis van sociologen zich niet zo snel over de samenleving verbreidt. Is het niet een beetje zelfoverschatting om te denken dat iedereen gretig sociologische studies leest en dan zijn gedrag gaat veranderen? Sociologische rapporten verdwijnen toch diep in de bureaula, alleen bekend bij de vakgenoten? Bovendien schrijven sociologen vaak zo ontoegankelijk dat ze de animo van het grote publiek om kennis van hun werk te nemen verkleinen. Maar dat is niet waar. Iedereen kent de formule e=mc2 en heeft een idee van wat die vergelijking betekent, maar haast niemand leest Einstein. Iedereen weet wat een charismatische politicus is, maar niemand kent de tekst van de socioloog Max Weber waarin hij het bijbelse begrip charisma verandert in een sociologisch en politicologisch begrip. De centrale sociologische begrippen verspreiden zich juist heel snel over de samenleving, niet doordat iedereen sociologische boeken leest, maar doordat journalisten, columnisten, politici, opiniemakers de ideeen uit die sociologische boeken popularisren, op een toegankelijke manier doorgeven. En dat is ook gebeurd met die sociologie uit de jaren vijftig.

In de jaren vijftig waren sociologen nogal anti-biologisch, ze probeerden heel veel te verklaren vanuit de sociale regels en ze vonden het misleidend om een beroep te doen op biologische verklaringen, zoals het biologische verchil tussen mannen en vrouwen. Hedendaagse sociologen vinden dat hun voorgangers in de jaren vijftig daar te ver in gingen. Tegenwoordig is er in de sociologie juist veel interesse voor biologische verklaringen. Maar misschien moeten we daarin niet te ver gaan. De afgelopen vijftig jaar laten duidelijk zien dat het helemaal niet waar is dat vrouwen van nature ongeschikt zijn om te werken als ze kinderen krijgen, omdat hun lichamen en hun zielen nu eenmaal geprogrammeerd zijn op het begeleiden van hun kroost naar de volwassenheid. De enorme verandering van de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt is juist een heel goed bewijs voor de stelling dat biologische verschillen een minder grote invloed hebben dan je zou denken.

Daarom worden vrouwen nu dus niet meer ontslagen als ze een kind krijgen. Was ik geboren in 1978 in plaats van in 1948, dan zou mijn moeder na een paar weken weer voor de klas hebben gestaan. We discrimineren mensen niet meer op grond van biologische kenmerken, zoals hun geslacht of hun leeftijd. We zijn wijzer geworden.

Ik vertelde geloof ik al dat ik ben geboren op 10 mei 1948. En dus werd ik vorige maand 65. Toen die verjaardag zich aankondigde, zei het hoofd van de afdeling sociologie en antropologie van de Universiteit van Amsterdam, waar ik tot ieders tevredenheid en met erg veel plezier les gaf: ‘Bart, het spijt me, maar ik moet je ontslaan; je wordt over een paar maanden 65 jaar, dus je mag niet langer het werk dat je met zo veel toewijding hebt verricht blijven doen.’ Zo gaat dat in het moderne Nederland van de 21ste eeuw. Misschien vinden de mensen van over 65 jaar het wel schandalige, door de wet gesanctioneerde leeftijdsdiscriminatie. Misschien verschaffen de sociologen van nu wel genoeg argumenten aan de bestrijders van leeftijdsdiscriminatie om ervoor te zorgen dat deze praktijken over een paar jaar over zijn.

Ik heb in dit college laten zien hoe het komt dat menselijke samenlevingen zo veel continuiteit vertonen, maar ik liet ook zien dat onze samenleving soms ook snelle veranderingen kent. Vrouwen worden niet langer gedwongen om thuis voor de kinderen te zorgen en lieve, gezeggelijke echtgenotes te zijn, de Stepford housewives, lieve erotisch aantrekkelijke robots. Maar nu concurreren ze wel met mannen op de arbeidsmarkt en ook in het huishouden: de echtscheidingscijfers zijn ook sterk gestegen sinds 1948, en ook mijn vader en mijn moeder zijn gescheiden, wat er naar was voor mij en mijn zusje. Er verandert dus veel, maar zijn dat wel altijd veranderingen ten goede? In moderne samenlevingen, zoals Nederland, overheerst soms een sombere, wat pessimistische toon. Men zegt: de wereld wordt killer, onherbergzamer, de vriendelijke omgangsvormen van vroeger verdwijnen, de criminaliteit neemt toe, de echtscheidinsgscijfers stijgen, de zelfdodingscijfers stijgen en alles draait alleen nog maar om geld. Nee, dan vroeger, vroeger was alles beter. Maar is dat echt wel zo? Was vroeger alles wel beter? Daarover gaat het de volgende keer.

2. Was vroeger alles beter?

Ik spreek vaak mensen die terugverlangen naar vroeger, naar de jaren vijftig bij voorbeeld, toen kinderen nog met twee woorden spraken en er respect was voor de Oom Agent en de groenteman en de dokter nog aan huis kwamen. Maar klopt dat wel? De echtscheidingscijfers stegen, het aantal ongewenste zwangerschappen nam toe, de klinieken die geslachtsziektes behandelden meldden een stijging van de cijfers, de seksuele moraal van de jongeren neigde volgens velen naar totale bandeloosheid, de zelfdodingscijfers stegen. Wat was er gebeurd in Nederland? Kwam het door de tweede wereldoorlog, waarin jongeren leerden dat het een heldendaad kon zijn als je een NSB’er doodschoot? Kwam het door de uitbarstingen rond de bevrijdingsfeesten in mei en juni 1945, waarover Remco Campert schreef: alles zoop en naaide. Was Nederland een soort Sodom en Gomorra aan het worden? Dat is de sfeer van de jaren vijftig. Men verlangde terug naar jaren twintig, de tijd van Ot en Sien, toen de wereld nog zo onschuldig en overzichtelijk leek. Zo kun je steeds verder terug gaan in de tijd. Tot wanneer eigenlijk? Wanneer is dat begonnen, die gedachte dat vroeger alles beter was? In zekere zin is het misschien wel een idee dat van alle tijden is, maar toch zie je het ineens heel sterk naar voren komen in het Europa van de vroege negentiende eeuw, de tijd van de romantische schrijvers en schilders die het idyllische platteland verheerlijkten. Dat was de tijd van de industrialisering in West-Europa, de groei van de steden, de opkomst van de banken, van de nieuwe transportmiddelen, de trein, nieuwe energiebronnen, de stoommachine, nieuwe communicatiemiddelen, de telegraaf. Het is in die tijd dat veel mensen zich grote zorgen gaan maken over de sociale veranderingen waarvan ze de geschrokken getuigen zijn. Ze zien hun steden in korte tijd in alle richtingen uitbreiden met ellendige sloppenwijken, ze verbazen zich over gigantische fabrieksparken aan de randen van de steden, waar elke ochtend stoeten van sloebers heen sjokken, terwijl de hoge schoorstenen stinkende rookwolken uitbraken. Ze zijn verbaasd over de nieuwe rijkaards, die fortuin maken in de nieuwe economie en ze schrikken er ook van dat steeds minder mensen naar de kerk gaan. Waar gaat het heen met onze wereld? Waar is de oude vertrouwde dorps-samenleving gebleven, die heerlijke oude wereld waarin de mensen nog om elkaar gaven, waarin iedereen op zondag naar de kerk ging voor een stichtelijk woord?

De wetenschap sociologie ontstond in die negentiende eeuw tegen de achtergrond van deze zorgen over die enorme veranderingen. De eerste sociologen, zoals de Franse denker Auguste Comte, die het woordje sociologie hoogstpersoonlijk in elkaar heeft gezet omstreeks 1835, werden geinspireerd door dit soort vragen. Ze probeerden intellectueel greep te krijgen op wat nu eigenlijk de kern was van de enorme transformatie waarvan ze getuige waren en waarvan ze weinig begrepen. Alle grote 19e eeuwse denkers die we zien als de voorlopers van de moderne sociale wetenschappen – Marx, Tocqueville, Spencer – braken zich eigenlijk allemaal het hoofd over deze centrale vraag: in wat voor een draaikolk van gebeurtenissen zijn we hier in Europa terecht gekomen? Wat zit er achter, komt het door de verstedelijking of juist door de industrialisering of is het allemaal het gevolg van de bevolkingsgroei. Allemaal hadden ze er hun eigen theorieen over en al die theorieen verschilden. En allemaal stelden ze ook hun eigen oplossingen voor om de problemen het hoofd te bieden.

De mensen die ik zojuist noemde waren geen sociologen. Comte bedacht het woordje sociologie, maar hij was een filosoof. Tocqueville was prominent politicus, Marx een beroepsrevolutionair. Het pas aan het begin van de twintigste eeuw dat sociologie een vak wordt dat je kunt studeren aan de universiteit. En de allereerste professor in de sociologie in Europa heette Emile Durkheim. Zo’n honderd jaar geleden gaf hij les in Parijs. Laat ik het maar meteen eerlijk toegeven: ik heb iets met Durkheim. Twintig jaar geleden was ik met mijn zoon in de grootste audiovisuele bibliotheek van Parijs, we waren daar aan het rondneuzen tussen de video- en audio-fragmenten en ineens hoorde ik over mijn krakkemikkige koptelefoon een geluidsbestandje dat tot mijn verbijstering de stem bleek te bevatten van deze Emile Durkheim! Ik wist niet wat me overkwam, Durkheim was in 1917 overleden, maar toch was in 1912 zijn stem vastgelegd. Ik kende veel foto’s van hem, maar een stem is zo veel indringender, brengt de mens ineens zo nabij. Mijn zoon zei: Bart, heb je nou echt tránen in je ogen? Nou ja, het is misschien kinderachtig, maar ik ben een beetje een fan.

Durkheim was de zoon van een rabbijn in een klein stadje in Noord-Oost Frankrijk en het was de bedoeling dat hij zijn vader zou opvolgen als rabbijn, net zoals zijn vader de opvolger was van zijn eigen vader, die ook rabbijn was. Maar zo ging het niet. Durkheim werd niet de plaatselijke geestelijk leider in een agrarische streek van Frankrijk, nee, hij werd een beroemde professor aan de belangrijkste universiteit van Frankrijk, de Sorbonne in Parijs. De overgang van het meer traditionele type samenleving naar de moderne samenleving wordt dus weerspiegeld in Durkheims eigen levensloop: hij maakte zich los uit de meer traditionele gemeenschap waarin hij opgroeide en hij ging een rol spelen in het intellectuele leven van de metropool Parijs. Niet zo gek dus dat hij zijn leven lang bleef nadenken over de grote transformatie die hij waarnam, net als al die andere denkers voor hem: van landelijk naar stedelijk, van agrarisch naar industrieel, van gelovig naar ongelovig.

Durkheim schrijft al in 1893 een boek dat precies hier over gaat. Het heet: over de deling van de sociale arbeid Aanvankelijk is Durkheim helemaal niet zo somber. Hij zegt: je zou de indruk kunnen krijgen dat we in moderne samenlevingen steeds minder op elkaar lijken, we groeien uit elkaar en dat zorgt voor een verzwakking van de banden tussen mensen, de soidariteit wordt minder. Maar toch zie je het dan niet goed. In moderne samenlevingen is veel meer arbeidsdeling, veel meer differentiatie en specialisatie dan in traditionele samenlevingen. Er ontwikkelen zich allerlei sectoren die je eerder niet zo los van elkaar had: het politieke bestel, de economie, het onderwijs-systeem, het juridische apparaat, en zo voort. Al die sectoren zijn steeds sterker aangewezen op elkaar, de ene kan niet zonder de andere. De ondernemer kan niet zonder de bank, de forens is afhankelijk van de treinbestuurder, de ziekenhuisarts is aangewezen op het overheidsapparaat, en zo worden de verbindingslijntjes steeds dichter, de bedrading wordt dikker. Ook de individuele mensen lijken minder op elkaar dan vroeger, ze ontwikkelen allemaal hun eigen speciale expertise, de machinist, de beurshandelaar, de dokter, ze gaan steeds minder op elkaar lijken. Maar allemaal zijn ze in toenemende mate afhankelijk van elkaar. Dat geeft die moderne samenlevingen juist heel veel binding, structuur, samenhang. Dat is een soort organische solidariteit, je kunt het vergelijken met de functionele afhankelijkheid tussen de organen in een menselijk lichaam, die hebben elkaar ook allemaal nodig om goed te werken. Wat Durkheim zegt lijkt eigenlijk een beetje tegenstrijdig: hoe meer differentiatie, des te meer zijn we op elkaar aangewezen. Het klinkt paradoxaal, maar het is echt zo: de sociale cohesie neemt in de moderne wereld juist toe, want door de voortgaande arbeidsdeling hebben we elkaar steeds harder nodig. Durkheim deed dus in zijn eerste grote studie helemaal niet mee met het geklaag en gemopper op de moderne wereld. Hij ging juist in tegen de stelling dat vroeger alles zo veel beter was.

En toch. Tegen het einde van zijn eerste grote boek, het boek over de sociale arbeidsdeling, begon Durkheim te twijfelen over zijn eigen stelling. Als je dat boek goed leest, zie je het voor je ogen gebeuren. Hij zegt dan: alles wat ik heb gezegd is eigenlijk alleen maar waar als er toch ook nog iets bij komt dat alle mensen bindt, er moet wel een soort overkoepelend kader zijn van normen en waarden. Iedereen moet het er wel over eens zijn dat je niet mag stelen in de supermarkt, dat je de voetbalscheidsrechter niet mag doodslaan, dat je je zin in seks moet beheersen als degene met wie je bent er geen zin in heeft, . Hij noemt dat het collectieve geweten. Als dat door allen gedeelde besef van wat goed is en wat kwaad is begint weg te vallen, tsja, dan komen we inderdaad in zwaar weer, dan dreigt de samenleving werkelijk te desintegreren, dan krijgen de zwartste pessimisten gelijk.

De rest van zijn leven bleef Durkheim piekeren over de vraag hoe je ervoor kunt zorgen dat moderne samenlevingen al hun voordelen behouden, enorme welvaartsgroei, de bloei van kunsten en wetenschappen, een uitgekristalliseerd economisch apparaat, en toch niet ten onder gaan aan de grote gevaren die ons bedreigen, het verdwijnen van een gevoel van gemeenschappelijkheid, de teloorgang van normen die iedereen kan onderschrijven.

Durkheim was een echte wetenschapper en hij wilde al die dingen waarover hij schreef dus met stevig empirisch onderzoek vaststellen. Hij deed dat in zijn eigen boeken en zijn voorbeeld heeft heel inspirerend gewerkt. Zo probeerde de socioloog Norbert Elias het begrip beschaving empirisch handen en voeten te geven. Hij ontdekte een prachtige bron om onderzoek te doen naar de ontwikkelingen in beschaafde omgangsvormen: manierenboekjes. Iedereen kent wel van die etiquette-boekjes waaruit je kunt leren hoe je je in een net gezelschap aan tafel dient te gedragen. Maar Elias ontdekte dat zulke boekjes al zo’n 500 jaar bestaan en dat er vroeger heel andere dingen in stonden dan nu. In de gedragsvoorschriften uit de zestiende eeuw gaat het over het er over dat je in net gezelschap geen winden en geen boeren hoort te laten. Iemand die zich wil ontdoen van vocht in de mond gaat naar een hoek van het eetvertrek, spuwt krachtig op de grond, zet zijn voet op de fluim en maakt een draaiende beweging met zijn voet, dan weet iedereen: kijk, die is goed opgevoed, dat is een nette persoon, een echte aristocraat. Het klinkt misschien bizar en grappig, maar dit is nu een manier om echt heel precies, aan de hand van empirisch onderzoek, na te gaan hoe onze omgangsvormen en onze gedragsvoorschriften over een lange periode zijn veranderd. Elias doet hier precies wat Durkheim zo graag wilde: niet kletsen over zoiets als civilisatie, maar uitzoeken hoe het echt in zijn werk is gegaan aan de hand van het heel nauwgezet naast elkaar leggen en analyseren van teksten van toen en nu.

Was het vroeger werkelijk beter dan nu? Als je de studies van deze Elias goed leest, denk je al gauw: nee, helemaal niet. In onze moderne samenleving zijn mensen gedwongen om meer rekening met elkaar te houden. En wie zijn geschillen oplost door grof geweld in te zetten, die moet er rekening mee houden met politie en justitie te maken te krijgen. En dat werkt echt. Het was bij voorbeeld in de zestiende, zeventiende of achttiende eeuw veel gevaarlijker om ’s avonds laat over straat te lopen in een stad als Parijs of Londen of Amsterdam dan tegenwoordig. Alle onderzoeken tonen het aan: er was meer moord en doodslag in vroeger eeuwen, ook in Nederland, ook in Amsterdam. Dat is natuurlijk niet het enige wat telt, maar ook in andere opzichten zijn we er beter aan toe, bij voorbeeld als het gaat om onze huidige gezondheidszorg of ons huidige onderwijsstelsel. En als je gay bent, dan is het echt veel prettiger om nu in Amsterdam te wonen dan in die knusse jaren vijftig. Het is een onbedoelde bijvangst van de beoefening van de sociologie: je krijgt het gevoel dat het in Nederland lang niet zo slecht met ons gaat als je vaak in de krant leest. Mits je de lange termijn bekijkt en niet blijft bij het nieuws van de dag.

Maar zelfs al zou dat allemaal waar zijn, wat heb je er aan als onze hedendaagse samenleving bezig is om uit elkaar te vallen. Dat was iets waarvoor Durkheim heel bang was en waarvoor ook veel hedendaagse sociologen nog altijd waarschuwen: moderne samenleving vertonen steeds minder hechtheid, de sociale cohesie neemt af. Zonder dat we het merken zijn de samenlevingen waarin we leven bezig om langzaam maar zeker te desintegreren. Is dat echt waar, gaan moderne Westerse samenlevingen echt stuk? Daarover volgende keer.

3. Gaat onze samenleving kapot?

Mensensamenlevingen zijn, zoals we hebben gezien, tamelijk stabiele verbanden, die eeuwen kunnen trotseren. Maar kunnen ze ook stuk gaan? Ja, dat kan gebeuren en het is trouwens heel vaak gebeurd. Waar zijn die Azteken gebleven, hoe is het afgelopen met het Romeinse Rijk, wat is er gebeurd met Nederlands Indië, onze gordel van smaragd?

Alle menselijke samenlevingen zijn tijdelijke verbanden, ze hebben een beperkte houdbaarheid. En dus denken mensen regelmatig: het is zo ver, het einde is gekomen, onze samenleving is bezig om in stukken uit elkaar te vallen. Dat wat ons voorheen samenbond, het sociale cement is bezig te verbrokkelen. Vroeger in het dorpje van mijn jeugd, keken de mensen naar elkaar om, ze letten op elkaar, maar tegenwoordig in de grote stad zijn er geen sterke bindingen meer, je kan in elkaar zakken en sterven op de hoek van de straat en niemand die naar je omkijkt, de mensen lopen gewoon door.

De Amerikaanse socioloog Robert D. Putnam heeft dat heel beklemmend behandeld in een boek dat in 2000 verscheen en dat nog altijd druk besproken wordt: Bowling alone. Hij heeft met een heel team van medewerkers bergen statistisch materiaal verzameld over de situatie in Amerika en zijn conclusie is somber: moderne mensen doen veel minder samen: het lidmaatschap van de vakbonden loopt terug, mensen zingen niet meer in het kerkkoor, ze spelen niet meer in de fanfare, zijn niet meer lid van een politieke partij, doen niet meer aan vrijwilligerswerk en worden al helemaal kopschuw bij het woord mantelzorg. Die rare titel van het boek, Bowling Alone slaat op die oer-Amerikaanse bezigheid van het bowlen, dat meestal wordt gedaan door een klein groepje vrienden of vriendinnen. Zelfs die gezellige clubjes van mensen die langs gaan bij de bowling baan om wat ballen te gooien, raken in discrediet. Wat je daar steeds vaker ziet is een eenzame man of vrouw die wat ballen gooit, volgens Putnam een soort icoon voor alles wat mis is gegaan in onze moderne samenleving. Als het echt zo is dat al die banden tussen mensen bezig zijn kapot te rafelen, wat betekent dat dan voor onze samenleving als geheel, moet je dan niet zeggen dat we er nu getuige van zijn hoe onze samenleving bezit is kapot te gaan?

Het heeft misschien iets geruststellends om te bedenken dat die vragen van Putnam al honderd jaar geleden met even veel hartstocht aan de orde werden gesteld en wel door iemand die telkens in deze colleges opduikt, de eerste professor in de sociologie, Emile Durkheim, de man die zijn belangrijkste onderzoeken verrichtte omstreeks het jaar 1900 in Frankrijk. De vraag of de moderne samenleving bezig is kapot te gaan staat centraal in zijn werk. Durkheim was een fel pleitbezorger van een nieuwe universitaire wetenschap, die hij sociologie noemde. Hij was al een poosje professor in de opvoedkunde, de pedagogiek, toen hij zijn uiterste best deed om aangesteld te worden als socioloog, en dat lukte hem ook. Sociologie, dat was de wetenschappelijke studie van de samenleving, een vak waarin elke uitspraak is gebaseerd op grondig onderzoek. Maar hoe meet je nou zoiets vaags als sociale binding? Hoe onderzoek je op een concrete manier de vraag of de sociale hechtheid afneemt, of we afstevenen op sociale desintegratie? Je zou bij voorbeeld kunnen zeggen: hoe meer bomaanslagen, hoe meer revolutionair elan, des te minder sociale cohesie. Of: hoe meer echtscheidingen, des te minder hecht het sociale netwerk. Durkheim koos een heel andere indicator en daar is hij wereldberoemd mee geworden. Hij schreef een dik boek, dat nog altijd wordt gezien als een klassiek meesterwerk in de sociologie: le suicide, étude de sociologie. Suicide, zelfmoord… Ik houd niet van het woordje zelfmoord, dat klinkt meteen zo crimineel, dus ik vertaal het Franse woord suicide liever met zelfdoding. Durkheim dacht dat je aan het aantal zelfdodingen per 100.000mensen kunt aflezen hoe het is gesteld met de sociale cohesie. Hoe meer zelfmoorden, hoe minder sociale binding. De stijging van het zelfmoordcijfer wijst er immers op dat de samenleving blijkbaar niet meer bij machte is om zijn leden om zo te zeggen vast te houden. Ze ontglippen de samenleving, ze vallen bij bosjes uit het netwerk. Als die trend een krachtige stijging vertoont, dan heb je een harde, cijfermatige aanwijzing voor het uit elkaar vallen van onze samenleving.

Waarom koos hij nou juist dat akelige verschijnsel zelfdoding? Eén van de redenen was dat er in de loop van de negentiende eeuw in West Europese landen al tamelijk veel statistisch onderzoek was gedaan naar zelfmoordcijfers. Er lag een goudmijn aan materiaal gereed waar nog nooit vanuit het gezichtspunt van de sociologie naar was gekeken. En er was iets wonderlijks met dat materiaal. Je zou denken dat zelfdoding iets heel erg individueels is, een daad die in grote eenzaamheid wordt voorbereid en uitgevoerd. Maar het vreemde aan de zelfmoordcijfers was dat je aan het begin van elk jaar al kon voorspellen hoe veel mensen in een bepaalde stad in het komende jaar zichzelf zouden doden, hoe veel mannen, hoe veel vrouwen, hoe veel katholieken, hoe veel protestanten, hoe veel jongeren, hoe veel ouderen, hoe veel gehuwden, hoe veel ongehuwden, hoe veel rijke mensen, hoe veel arme mensen. Natuurlijk, je weet aan het begin van het jaar nog niet wie het zijn die zich het leven zullen benemen, maar de statisticus kan toch op 1 januari al allerlei sociologische uitspraken doen over de mensen, die op 31 december dood zullen zijn. Het was een constatering die sommige mensen in de tijd van Durkheim huiveringwekkend vonden. Durkheim vond het vooral een waarneming die schreeuwt om een verklaring. Hoe valt te verklaren dat gehuwden een lager zelfdodingscijfer hebben dan ongehuwden, waarom beschermt het Joodse geloof beter tegen zelfdoding dan het Protestantse?

Het onderzoek van Durkheim naar zelfmoord is heel technische, gedistancieerd, zakelijk. Dat heb je vaak met de sociale wetenschappen: de beoefenaren kiezen een onderwerp dat eigenlijk heel naar is, heel pijnlijk, mensen lijden er onder. En dat behandelen ze dan zo koel en zo onthecht, dat het lijkt alsof het ze niets emotioneert. Soms lijkt Durkheim wel enthousiast te zijn: kijk, hier zie je veel echtscheidingen en tegelijk ook een hoog zelfdodingscijfer, wat leuk!, dat klopt helemaal met mijn theorie. Maar soms is die wat koele aanpak de enige die echt werkt. Een dokter die onderzoek doet naar kanker, kan niet de hele dag benadrukken wat een nare ziekte dat toch wel niet is.

Durkheim bestudeerde heel veel statistieken en grafieken, gegevens uit veel Europese landen, uit provincies in Duitsland, uit steden in Frankrijk. Veel theorieen over zelfdoding zijn volgens hem onzinnig, zoals de theorie dat het klimaat bepaalt hoe hoog het zelfdodingscijfer is. Mensen in Noordelijke landen zouden veel meer binnen zitten, omdat de nachten lang zijn en omdat de temperatuur in de winter ijzig is. Mensen in het Zuiden zouden sneller de deur uitgaan en op de warme piazza met elkaar over hun zorgen praten. Dus hogere zelfmoordcijfers in het Noorden en lagere in het Zuiden. Hij laat zien, heel technisch en zakelijk, dat de cijfers die hypothese niet steunen. En ook niet het idee dat het iets heeft te maken met de stand van de maan of van de sterrenbeelden. Maar wat er wel heel duidelijk uitkomt: mensen die getrouwd zijn hebben lagere zelfdodingscijfers dan ongehuwden, mensen die gelovig zijn hebben hogere cijfers dan de ongelovigen, mensen die in de financiele sector werken en in de intellectuele beroepen hebben hogere cijfers. Alles wijst dus eigenlijk dezelfde kant op: de zelfdodingscijfers zijn hoog als de sociale bindingen minder hecht zijn, als er veel huwelijken stuk gaan, als de mensen elkaar niet meer zien in de kerk, als ze losser komen te staan van het sociale verband.

Uit recent onderzoek blijkt dat de zelfdodingscijfers op dit moment hoog zijn in de Westerse wereld. Zelfdoding is de belangrijkste doodsoorzaak voor mensen tussen de 15 en 49, daar kunnen kanker en hart- en vaatziekten niet tegenop. Wereldwijd sterven er meer mensen aan zelfmoord dan aan alle oorlogen, natuurrampen en moord en doodslag bij elkaar. En daarbij moet je bedenken dat zelfdodingscijfers onbetrouwbaar zijn en dat er vooral sprake is van onderrapportage. Menige automobilist die in volle vaart tegen een boom reed, komt niet in de zelfdodingsstatistieken terecht. In de Verenigde Staten stijgen de cijfers de laatste jaren heel snel en ook in Nederland is sinds een jaar of vier weer sprake van een stijging naar het hoge niveau van de jaren negentig. En ook nu nog geldt de waarneming van Durkheim dat er verband bestaat tussen zelfdoding en echtscheiding: de zelfdodingscijfers zijn hoog voor mannen in het eerste jaar na hun scheiding.

Wanneer je, net als Durkheim, gelooft dat zelfdodingscijfers iets zeggen over de sociale cohesie, dat ze aangeven hoe stevig een samenleving in elkaar zit, dan is er geen ontkomen aan: moderne Westerse samenlevingen zijn in gevaar. Aan de andere kant: Durkheim wees hier al meer dan een eeuw geleden op, zijn boek verscheen in 1897, maar Frankrijk is nog altijd niet uit elkaar gevallen, evenmin als andere landen waarover Durkheim zich zorgen maakte, zoals Italie en Ierland. Zo snel gaat een samenleving niet kapot.

Wat zou je er aan kunnen doen om samenlevingen weer wat meer hechtheid te geven? Als het vooral de huwelijksbanden zijn, die werken als een soort cement, dan is het verontrustend dat juist de echtscheidingscijfers stijgen. Durkheim stelde voor om het moeilijker te maken om te scheiden, maar dat is een voorstel waar je tegenwoordig de handen niet op elkaar krijgt.. Als het waar is dat religieuze gemeenschappen mensen bijeen houden en ze afhouden van zelfdoding, dan moet je je er zorgen over maken dat de kerken leeg lopen. Of komt er voor het traditionele geloof misschien iets anders in de plaats? Hoe erg is het dat de kerken leeg lopen. Daarover de volgende keer.

4. Is het erg dat de kerken leeg lopen?

Het is misschien een beetje een rare vraag: wie van jullie gaat er op zondag regelmatig naar de kerk. Steek je hand op als je regelmatig de kerk bezoekt. Ja, dat dacht ik al. Nou zegt dat natuurlijk niet zo veel, want jullie zijn een wel enigszins bijzondere uitsnede van de Nederlandse bevolking, jonge mensen met academische interesse in het heidense Amsterdam. Maar toch: de kerken lopen leeg. In andere landen is het misschien anders, maar in Nederland keren mensen het meer traditionele geloof de rug toe. Er zijn mensen die dat verschrikkelijk vinden, die denken dat daarmee de bodem onder de samenleving weg valt. Want het is op catechesatieles dat de kindertjes leren wat wel mag en wat niet mag, het is in de kerk dat de dominee de mensen herinnert aan wat in onze christelijke cultuur de normen en waarden zijn. En als mensen denken dat ze voor het plegen van een misdrijf niet zullen worden gepakt, dan helpt het misschien als ze geloven dat God ze altijd ziet en ze misschien wel zal straffen. Dus als het geloof uit de samenleving verdwijnt, dan zal de criminaliteit stijl omhoog gaan. Dat althans is de angst van veel mensen. Maar is het ook waar?

De Franse socioloog Emile Durkheim, die zelf heel religieus was opgevoed, maar die ongelovig werd, vroeg zich af wat nou eigenlijk die samenbindende werking van het geloof is. Om daar achter te komen deed hij heel merkwaardigs: hij deed onderzoek naar religieuze vormen bij de de Arunta, aboriginals in de binnenlanden van Australie, die een soort totem-geloof hebben. Hij ging er niet persoonlijk naar toe, maar hij maakte heel grondig studie van zo ongeveer alles wat door ontdekkingsreizigers en antropologen over was opgeschreven. Volgens Durkheim kun je bij die mensen veel beter dan in onze moderne samenlevingen zien wat nou eigenlijk de kern van de godsdienst is. Het begint er allemaal mee dat mensen een onderscheid maken tussen wat heilig is en wat alledaags is, de wereld van het sacrale staat in een scherp contrast tot de wereld van het profane.

Durkheim onderzoekt wat er nu eigenlijk gebeurt als mensen rituele handelingen verrichten, bij voorbeeld bij een totempaal, een helig voorwerp, een heilige boom. Hij schrijft dat dat heilige ding geladen is met een bepaalde kracht en dat het eigenlijk die kracht is die de mensen aanbidden. Over die kracht hebben ze allerlei ideeen: het is een kracht die mensen kan straffen als ze slechte dingen doen en die mensen een steuntje in de rug geeft als ze zich goed gedragen, het is een kracht die soms beperkend en dwingend en angstaanjagend is, het is een kracht die je soms kracht en moed geeft in het leven, juist als het je tegenzit, en het is een kracht waarvan de gelovigen zeker weten dat die er al was voordat zij geboren werden en dat die er ook nog zal zijn als zij allang dood zijn. In sommige religies zeggen de mensen dat die kracht uitgaat van de totem, of van de Goden, in sommige religies zeggen de mensen dat die kracht gelegen is bij de ene God waarin ze geloven. En dan zegt Durkheim iets interessants. Hij zegt: de kracht die die mensen voelen, die bestaat echt, ze verzinnen dat niet, het is heel erg reeel. Als je hem zo leest, ga je bijna denken: hij kan het weten, hij heeft het als kind en als puber zelf ervaren. Maar zijn argument gaat verder. Hij zegt: de voorstelling die de gelovigen zich van die kracht maken, die is niet correct. Ze denken het totemdier te aanbidden, of de natuurgoden of Onze Lieve Heer, maar wat ze eigenlijk aanbidden, dat is hun eigen samenleving, het collectief waarvan ze zelf deel uitmaken. Het is de samenleving die ze straft als ze dingen doen die tegen de groepscode ingaan, het is de samenleving die de braveriken een gevoel van kracht geeft, het is de samenleving die soms beklemmend, drukkend, beangstigend op mensen werkt, het is de samenleving die soms het gevoel geeft dat je veilig omringd bent door een netwerk van steunende relaties en het is vooral ook de samenleving waarvan je kunt zeggen: die was er al voordat ik werd geboren en die zal er zijn als ik er niet meer ben. Eigenlijk is godsdienst een soort vroege vorm van sociologie: mensen beseffen dat ze deel uitmaken van iets dat groter is dan zijzelf zijn, ze voelen dat ze onderdeel zijn van sociale structuren, maar ze hebben er geen woorden, geen begrippen voor. En daarom drukken ze dat metaforisch uit door te spreken over één God of meerdere Goden. Zonder het te beseffen aanbidden ze hun eigen sociale verband.

Maar hoe zit dat nu in onze eigen tijd, waarin meer en meer mensen het traditionele geloof de rug toekeren? Voorzover mensen ophouden met zich een voorstelling te maken van hoe ze zich verhouden tot de samenleving, is dat helemaal niet erg volgens Durkheim, want de sociologie neemt de plek in die voorheen werd ingenomen door de godsdienst. Nu is het de wetenschap sociologie die de mensen helpt om te begrijpen hoe de samenleving functioneert. Het is grappig om te bedenken dat Durkheim, die van zijn vader eigenlijk rabbijn had moeten worden, nu toch een beetje de taak uitoefent die volgens hem hoort bij een religieuze leider: hij helpt mensen om zich te orienteren in de sociale ruimte, maar hij doet dat nu niet als geestelijk voorganger, maar als professor in de sociologie.

Maar religie is veel meer dan dat. Het is niet alleen iets dat mensen helpt de samenleving intellectueel te doorgronden, het is ook iets dat mensen doordringt van een gevoel van samen zijn, er niet alleen voorstaan, opgenomen zijn in een boven hen uitstijgend verband. Durkheim beschrijft religieuze rituelen waarin mensen zo intens het geluk beleven van samen te zijn met hun geloofsgenoten, dat ze in een soort extatische opwinding raken. Hij noemt dat de effervescence collective, een bruisende, schuimende opwinding die de mensen tijdens de godsdienstoefening in zijn greep heeft. Dat zijn heftige emoties, die geen enkele wetenschap mensen ooit kan bieden, ook niet de sociologie Sociologie is nou eenmaal een wetenschap en in de wetenschap gaat het meer om koeltjes nadenken dan om het warme gevoel.

Maar volgens Durkheim is het helemaal niet onmogelijk dat de emotionele kanten van de traditionele religies zullen worden vervangen door iets dat er heel anders uitziet. Hij zegt: mensen zullen altijd wel weer nieuwe manieren vinden om feestelijk en heftig met elkaar te vieren dat je lid bent van een groep, opgenomen bent in een gemeenschap. Denk aan Koninginnedag als iedereen zich in oranje kleuren hult. Denk aan grote interland-voetbalwedstrijden. Natuurlijk, in de tijd van Durkheim had je al wel de quatorze juillet feesten en daar schrijft hij ook over, maar het verschijnsel dance kende hij nog niet. En toch kondigt hij het eigenlijk al aan. Als hij het heeft over feestelijke bijeenkomsten waarin de lichamen ritmisch unisono bewegen, waarin mensen een gevoel van eenheid, van solidariteit voelen, waarin ze opgaan in de menigte, als hij het heeft over die effervescence collective, dat gevoel van energie dat over de mensen komt als ze met zijn allen intens aan het dansen en zingen en feesten zijn, dan is het soms net of hij schrijft over een grote dance-party.

Nu ik het er zo over heb, bedenk ik ineens dat zelfs wat we hier nu, op dit moment, met zijn allen aan het doen zijn, ook wel iets religieus heeft. Ik ben hier vanavond de predikant, de dominee, de rabbijn. Er heerst hier een soort vrolijke opwinding over het feit dat we allemaal betrokken zijn bij iets nieuws, de Universiteit van Nederland, het feit dat het allemaal wordt opgenomen met dure televisie-apparatuur geeft een soort zegen aan de hele gebeurtenis, het binnengelaten worden in deze bijzondere ruimte heeft iets van een toelatingsritueel: (wie is waardig om hierbij te mogen horen) en zo kun je nog wel even doorgaan. Durkheim zou zeggen: godsdienstoefeningen tref je in de moderne samenleving aan op plekken waar je het helemaal niet zou verwachten.

Dit is dus hoe een sociologische theorie kan fungeren… als een soort eye-opener. Je merkt ineens kenmerken van religieusheid op in een setting waarin je die nooit zou hebben opgemerkt als je het boek van Durkheim niet zou hebben gelezen. Dat is misschien wel de hoogste lof die je een belangrijke theorie kunt toezwaaien. Sommige theorieën maken dat je de wereld echt een beetje anders gaat waarnemen. They mess with your mind.

Dat gaat verder dan je denkt. Ik zei zojuist dat je van een sociologische theorie wel intellectuele verheldering mag eisen, maar dat wetenschap er niet is om je een warm gevoel te geven. En toch is zelfs dat niet helemaal waar. De theorie van Durkheim heeft mij niet alleen heel veel inzicht gegeven in sociale verbanden, ik ben dank zij Durkheim ook een beetje minder bang geworden voor de dood. Daarover volgende keer.

5. Bestaat er een medicijn tegen de angst voor de dood?

Ik begin vanavond met een bekentenis. Nou ja, het is niet zo’n big deal, mijn goede vrienden weten het allemaal en lachen me er soms om uit. Ik ben bang voor de dood, heel erg bang. Nou denken jullie: dat is niets bijzonders, wie is er nou niet bang voor de dood? Maar bij mij en bij nog een aantal mensen die in dit opzicht op mij lijken, zoals de schrijver Elias Canetti, gaat het verder: ons leven wordt verpest door het idee dat er een dag komt dat we er niet meer zullen zijn, dat we niet eens meer weten dat we ooit hebben bestaan. Ik ben nu 65 jaar oud en ik zoek mijn hele leven lang al naar iets, een idee, een inzicht, dat me kan verzoenen, al is het maar een beetje, met dat onverdraaglijke. En wat er het dichtst bij in de buurt komt, dat heb ik niet gevonden in de godsdienst of in de filosofie of in de kunst, maar in de sociologie. Dat was niet mijn reden om sociologie te gaan studeren, het was een soort onvoorziene bijvangst, maar wel een leuke. Sociologen leren ons namelijk dat er voor je werd geboren al een sociaal netwerk was, dat je zelf in zekere zin dat netwerk bent en dat na je dood dat netwerk nog heel lang blijft voortbestaan, ook al ben jij dan niet meer een knooppunt in dat netwerk. De Duitse socioloog Norbert Elias, die man die schreef over de sociale geschiedenis van het spugen, iemand van wie ik ook persoonlijk heel veel heb geleerd, hamerde daar altijd op: wij komen en wij gaan, maar de netwerken waarin we een poosje zijn opgenomen, die hebben een veel langere levensduur. Maar dat inzicht ontleende Elias aan eerdere denkers. Die gedachte kom je voor het eerst in zijn zuivere vorm tegen bij Emile Durkheim, in een boekje uit 1895, met de saaie titel: de regels van de sociologische methode. Maar wat een bijzonder boek is dat! Als er enig soelaas is voor de galopperende doodsangst, dan staat het in dat boekje.

Wat Durkheim in dit boek zegt over mensensamenlevingen doet me vaak denken aan die prachtige spreeuwenwolken die soms verschijnen boven de grote steden, zoals Utrecht. Die spreeuwen vliegen in enorme clusters boven de stad. De individuele spreeuwen worden geboren en sterven, maar die wolken vliegen al eeuwen lang boven de Europese steden.

Ik weet niet hoe één zo’n spreeuw zich voelt, maar ik heb wel een vermoeden. Ik ben zelf ook een beetje een spreeuw, ik ben een fietser. Fietsers rijden ook in grote zwermen door de stad. Die groepen fietsers vertonen heel bepaalde structuren, die je duidelijk kunt herkennen als je vanaf een hoog punt de bewegingen op een drukke kruising bestudeert. Ik weet dat ik zelf niet denk aan de zwerm waar ik deel van uitmaak, ik wil gewoon snel naar mijn vrouw die op me wacht in het restaurant. Maar ik merk wel dat ik me houd aan allerlei codes. Nader ik een andere fietser, dan zal ik net zo hard versnellen dat ik rakelings achter hem langs schiet en dat weet die andere fietser ook. Voetgangers en automobilisten snappen mijn fietsers-logica, want ze zijn zelf ook fietsers. Maar als een toerist door Amsterdam loopt, die zelf nog nooit op het fiets heeft gezeten, dan gaat het mis. Die steekt een zebra over, ziet een fietser keihard recht op zich af komen en snapt niet dat hij heus niet ondersteboven wordt gereden als hij gewoon zijn weg voortzet in het wandeltempo, dat de fietser al in zijn hoofd heeft opgeslagen. De toerist schrikt, blijft stokstijf staan en dan gaat alles mis. Maar als fietsers verkeren temidden van verkeersgebruikers die allemaal weten hoe het is om op een fiets te zitten, dan kolkt en stroomt het verkeer volgens een regelmaat waar spreeuwenonderzoekers hun formules op los kunnen laten.

Durkheim heeft zelf niet die vergelijking met spreeuwenwolken gemaakt, maar hij zegt wel dat het in de sociologie nooit gaat om de afzonderlijke individuen, maar dat sociologen de grote mensencollectieven willen begrijpen, de clusters die mensen vormen. Hoe zijn die ontstaan, hoe ontwikkelen ze zich, welke kenmerken hebben ze, hoe zijn ze te beinvloeden? Hij schrijft: dat collectief van mensen is natuurlijk niets anders dan al die individuele mensen bij elkaar, maar toch is het ook meer dan dat: het collectief heeft eigenschappen, kenmerken, die je niet kunt vinden als je ze gaat zoeken in elk individu apart, het is alsof die kenmerken pas oprijzen als heel veel individuele mensen samensmelten in zo’n mega-groep. In de sociologie mag je dus ook nooit de eigenschappen van die collectiviteit, van die groep, proberen te verlaren door te kijken naar de afzonderlijke mensen.

Hij maakt in dit verband een verhelderende vergelijking met de biologie. Durkheim schrijft dat een levende cel bestaat uit atomen en moleculen en verder niks. De eigenschappen van atomen en moleculen zijn het studiegebied van de natuurkunde en de scheikunde. Maar als die moleculen zich nu gaan samenvoegen tot een heel speciale combinatie die we noemen: een levende cel, dan zie je ineens allerlei verschijnselen optreden die niet te herleiden zijn tot die atomen en moleculen. Het lijkt wel alsof die eigenschappen oprijzen uit de heel speciale manier waarop al die kleine deeltjes zich met elkaar associeren.De cel vertoont eigenschappen die te maken hebben met wat we noemen: leven. Zo’n cel kan zich bewegen en kan zich delen. Dat is het studiegebied van de wetenschap biologie. Niemand zal zeggen: een levende cel bestaat uiteindelijk uit niets anders dan atomen en moleculen en dus heb je voor de studie van die cel geen biologisch geschoolde mensen nodig, een natuurkundige en een scheikundige volstaan. Iedereen snapt dat het niet alleen gaat om die atomen, maar vooral om die bijzondere ordeningen die ze vormen en die leiden de basis vormen van leven. Nou, zegt Durkheim: met de sociologie is het net zo. Individuele mensen worden onderzocht door biologen, voor wat hun lichamelijke kant betreft en door psychologen voor wat de geestelijke kant betreft. Maar als die mensen zich samenvoegen tot grote collectieven, denk nog even terug aan die spreeuwen of die fietsers, dan krijgt dat geheel eigen kenmerken, die je niet kunt terugherleiden tot die individuen. En dus heb je daar ook een aparte wetenschap voor nodig, de wetenschap van de mensensamenlevingen, de sociologie.

Als je op straat of in deze zaal kijkt naar de kleding van mensen, dan zie je daarin geen bijzondere patronen. We leven in een tijd van individualisme en iedereen doet tegenwoordig lekker wat hij zelf wil. Trek je niets van de meute aan, is het moderne advies, wees tegendraads, volg je eigen voorkeur. Maar twee kunstenaars hebben laten zien hoe betrekkelijk dat is. Ari Versluis en Ellie Uyttenbroek doen al sinds 2002 in steeds weer nieuwe fotoboeken en op permanent vernieuwde websites verslag van wat ze op straat waarnemen. Ze vragen mensen om even mee te lopen naar hun fotostudio en daar maken ze dan een foto van iemand in de kleding waarmee hij of zij over straat loopt. En dan blijken de straten bevolkt te worden door mensen die als het ware moderne stads-stammen vormen, groepen met vergelijkbare voorkeuren, die zich op een zo gelijke manier kleden, dat het wel lijkt alsof ze een uniform dragen. En wat zo beklemmend is: we horen allemaal wel bij een stam, we staan allemaal wel in deze boeken met Exactitudes.

Misschien valt het dus wel mee met het uit elkaar vallen van moderne samenlevingen. Misschien is er meer dat ons aan elkaar bindt, ook in deze moderne, schijnbaar zo individualistische tijd, dan we denken, maar je moet wel weten waar je precies moet kijken. En soms hebben kunstenaars als Versluis en Uyttenbroek er misschien een getrainder oog voor dan professionele sociologen. Geeft niks, als die sociologen zich maar zo nu en dan laten inspireren door kunstenaars.

Er zijn mensen die somber worden van het idee dat ze zo veel minder uniek zijn dan ze graag dachten. Ze vinden het maar een beklemmend idee dat ze altijd deel uitmaken van sociale verbanden. Of je je er ten volle bewust van bent, of juist helemaal niet, onvermijdelijk maken we deel uit van netwerken, van sociale structuren, ook diegenen die ten diepste overtuigd zijn van hun eigen bijzonderheid. Sommigen ervaren het een beetje als een klap in hun gezicht. Ben ik dan echt zo voorspelbaar? Maar op mij heeft dit inzicht een heel ander effect. Ik voel me gerustgesteld door de wetenschap dat er al voor ik werd geboren mensen-netwerken bestonden, dat er na mijn dood nog altijd van die grote sociale weefsels zullen zijn en dat ik daar eventjes, tussen mijn geboorte en mijn dood in, deel van mocht uitmaken. Ik ga over een paar jaar dood, maar dat netwerk heeft een veel langere houdbaarheid.

Ik las voor het eerst een groot artikel over Durkheim in 1969, ik was toen 21 en zat in mijn derde studiejaar en ik raakte daar zo diep van onder de indruk dat ik nu al zo’n 44 jaar probeer om niet alleen te snappen wat Durkheim bedoelde, maar ook om het te doorvoelen. Dat valt nog niet mee, wat Durkheim beweert gaat een beetje tegen je intuitie in. Ik ben die ene spreeuw in de zwerm, natuurlijk, dat ben ik, maar ik ben tegelijkertijd ook de hele zwerm. Ik besta als individueel mens, maar ik ben ook het collectief. En soms, als het me lukt om die tegenspartelende gedachte langer dan een paar minuten vast te houden, dan kan het ineens even lijken alsof die angst voor de dood niets anders was dan een belachelijke denkfout.

‘Vijf korte colleges voor de Universiteit van Nederland rond de theorieën van Emile Durkheim.’ Lezing in Club Air, Amsterdam, 18 juni 2013