De machtige mecenas (1991)

Bestaat er in Nederland een select gezelschap van bemiddelde dame’s en heren die de kunsten met forse geldbedragen ondersteunen zonder daar enige andere tegenprestatie voor te verlangen dan het aangename gevoel in stilte veel goeds te doen? De hulpbehoevende mecenas, een interessante bundel waarin veel te vinden is over de rol van par­ticulieren in het culturele leven, houdt op de flaptekst en de eerste pagina’s deze gedachte nog even levend, maar al snel blijkt dat de werkelijkheid saaier is. In het hedendaagse Nederland worden de geldstromen in de delta der kunsten gekanaliseerd door bestuurders van fondsen, secretarissen van stichtingen, in de sociologie opgeleide kunst-managers en cultuurbureaucraten; de rol van gefortuneerde kunstminnaars is sterk gereduceerd. Maar ook in de vooroorlogse periode waren er weinig heren van stand die de schone kunsten steunden “om niet”. Het boek biedt voorbeelden van beschamende ijdelheid bij het vastleggen van de voorwaarden rond donaties en legaten. De aris­tocratische weldoeners bleken dezelfde beginselen te hanteren als de Stichting Philips-de Jong Ontspanningsfonds: “Graag of niet” en bovenal: “Niets voor niets”. De tegenprestatie hoefde niet altijd financieel te zijn, zo valt te lezen in een passage waarin de auteur, Kees Bruin, zijn sociologische herkomst niet verloochent: “Maatschap­pelijke erkenning vormt een stimulans voor het verlenen van steun, het leveren van diensten. Zij kan vele vormen aannemen, een materieel of immaterieel karakter dragen, met meer of minder éclat gepaard gaan. Bij al deze bewijzen van eer en waardering komt het ruilaspect naar voren dat aan het verschaffen van bijdragen hoe dan ook verbonden is.” (p. 67) In laatste instantie gaat het de gulle gevers om “een aandeel in de onsterfelijkheid die kunst te vergeven heeft”, schrijft Bram Kempers. Wie te ongetalenteerd is om zelf door scheppend werk zijn nagedachtenis levend te houden, kan zijn economisch kapitaal omzetten in post mortem cultureel kapitaal en soms wordt het doel bereikt. Kempers kan het weten, want zijn dissertatie ging over mecenaat in Renaissance-Italië en inderdaad: niet alleen de schilder­kunst van Piero di Cosimo, ook de schoonheid van Simonetta Vespuci heeft de eeuwen getrotseerd.

De hulpbehoevende mecenas is een studie naar ontwikkelingen in de financiering van het Nederlandse culturele leven in de periode van 1940 to 1990. Het Prins Bernhard Fonds richtte zich in 1988 tot de Boekmanstichting met het verzoek om dit gebied in kaart te brengen en de opdrachtgever kan tevreden zijn over dit snel gereed gekomen, serieuze, omvangrijke en zeer leesbare resultaat. Uit de titel blijkt dat de auteurs speciale aandacht hebben geschonken aan het particulier initiatief – ook dat was een wens van de opdrachtgever – maar er zit iets misleidends in dat opschrift. Toen in 1963 het “Aktiecomité Schrijversprotest” bij de toenmalige staatssecretaris van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen een aide mémoire indiende met de titel de hulpbehoevende mecenas doelden de opstellers van dat memorandum niet op de financiers maar juist op de gefinancierden. Het waren de schrijvers zelf die om hun eigen boeken betaalbaar te houden een veel te geringe beloning voor hun arbeid aanvaardden en zo nolens volens functioneerden als hun eigen mecenas. De mecenas in dit boek verschilt hemelsbreed van de armlastige schrijver uit de jaren zestig. Hij beheert imposante fondsen, geniet veel prestige, is hoog opgeleid, zit als een spin in een wijdvertakt netwerk, hij beschikt kortom over heel wat machtsmiddelen. Al zijn de bindingen tussen particuliere organisaties en overheid dwingender geworden, wanneer je in deze studie leest over deze moderne captains of culture dan is het laatste woord dat je te binnen schiet “hulpbehoevend”.

Omdat het hier een buitengewoon breed en complex gebied betreft, is gekozen voor vier thema’s: Kees Bruin behandelt de letteren, Bram Kempers de musa, Ton Bever en Erik Hitters bespreken enkele podium­kunsten en Susanne Hietbrink schrijft over monumentenbescherming. Redacteur Smithuijsen zorgt voor inleiding en slotbeschouwing. De laatste van de zeven interessante bijlagen bevat de uitkomsten van een enquête naar de cultuurfondsen.

De vier grote artikelen verschillen sterk van probleemstelling, opzet en stijl. Tegenover een bombardement van feitelijk­heden bij Kempers, staat het elegante essay van Bruin, dat bewijst dat academici die over de schone letteren schrijven niet per se een afschuwelijke stijl hoeven te hebben. Het boek is daardoor nogal heterogeen en dat zou niet zo erg zijn geweest als de schrijvers regelmatig naar elkaar hadden verwezen, maar dat doen ze niet, zodat bij voorbeeld zowel op pagina 101 (Kempers) als op pagina 144 (Bevers en Hitters) wordt uitgelegd dat het Prins Bernhard Fonds onder andere kan beschikken over een deel van de opbrengt van de lotto, de toto en de Algemene Loterij Nederland. Ook een zakenregister ontbreekt, zodat de lezer die uitsluitend is geïnteresseerd in Prijzen of in Vrienden­verenigingen niets anders rest dan het boek van cover tot cover te lezen.

Het openingsstuk behandelt eerst het schrijversprotest uit de jaren zestig, daarna de zorg van overheid en particuliere instellingen voor de letteren en vervolgens de literaire prijzen. Als coda wordt de langdurige geschiedenis van de uitgave van het volledige werk van Multatuli uit de doeken gedaan. De onderwerpen worden met kennis van zaken en met een aanstekelijk enthousiasme behandeld, maar waarom nu juist deze cases? Het gaat hier om een schemergebied, zegt de auteur, “waar betrouwbaar (cijfer)materiaal niet onmiddelijk voorhanden is”. Waarom brengt Hietbrink licht in de schemerwereld van de monumenten­zorg door een enquête rond te sturen en gebeurt dat hier niet? Waarom niet gesprekken gevoerd met enkele uitgevers of schrijvers of met Ludo P., de “onbekende weldoener” van Gerard Reve? Al blijft de hele plattegrond dus nogal vaag, sommige stukjes van de kaart worden schitterend ingekleurd: de geschiedenis van de literaire prijzen in Nederland is bij mijn weten nog niet eerder zo verhelderend be­schreven.

Het bezwaar van de willekeur van de gekozen voorbeelden geldt ook voor Kempers’ bijdrage over musea. Waarom zo veel over het ene museum (Boymans) en zo weinig over het andere (het Rijks), waarom wel de omstreden modernisering van het Gronings museum behandeld en niet de strijd over het Teijlers, waar Smithuijsen in zijn slotwoord nog op terug komt? Het is overigens juist de overdaad aan anecdotiek die het hoofdstuk soms ook leuk maakt en de reislust stimuleert. De mededeling dat het Fries Museum de stormen der modernisering zonder al te grote veranderingen heeft overleefd en nog zijn oude inrichting bezit, spoort aan tot een tochtje naar Leeuwarden. Ook vond ik het verrassend dat het Mauritshuis, Paleis Het Loo en andere musea zo veel gebruik maken van ongehonoreerde krachten. Het kunstleven blijkt deels te drijven op de inspanningen van duizenden miniatuur-mecenasjes. De strekking van Kempers’ artikel is dat er een tendens valt waar te nemen in de richting van verstatelijking, collectivering, pro­fessionalisering en bureaucratisering van de zorg voor kunst. De rol van de overheid groeit, de betaalde deskundige, de kunstmanager, wordt steeds belangrijker.

Het wordt eentonig maar ook in het artikel van Bevers en Hitters heeft de selectie van saillante illustraties iets toevalligs. In Nederland houdt meer dan één milioen mensen zich bezig met amateuris­tische kunstbeoefening in verenigingsverband. Dat is een indruk­wekkend cijfer voor een volk dat wordt beschouwd als nogal amusisch. Maar waarom gaan de schrijvers nu uitgerekend in op de amateuristische kunstbeoefening in Hilvarenbeek? De boeiendste case in dit artikel is de geschiedenis van de bemoeienissen van het Philips-concern met het culturele leven in Eindhoven: van paternalistisch ontspanningsfonds naar moderne kunstsponsor. Deze historie verdient op zijn minst een monografie, niet alleen omdat het verhaal zelf de moeite waard is, maar omdat het zijdelings een bijzonder licht werpt op veranderende afhankelijkheidsverhoudingen in de Nederlandse samen­leving tussen 1920 en 1990.

De bijdrage van Susanne Hietbrink is minder essayistisch dan de andere stukken, maar het trouwst aan de opdracht. Pièce de résistance is een in mei 1989 gehouden enquête onder ruim vijfhonderd par­ticuliere monumentenorganisaties in Nederland. Gevraagd werd naar de doelstelling, de aanleiding voor de oprichting en de inzet van middelen. Het artikel en bijlage vijf bevatten een schat aan nieuwe gegevens. Particuliere organisaties blijken voor het behoud van monumenten zeer belangrijk te zijn en veel van de werkzaamheden worden ook hier verricht door onbetaalde krachten. Ook geldt hier dat het particulier initiatief steeds meer verbonden raakt met de bemoeienis van de overheid. Dat vergroot weliswaar de mogelijkheden, maar het zou een bedreiging kunnen gaan vormen voor de functie die de monu­mentenorganisaties vaak hebben vervuld: tegenspel bieden tegen sloopzuchtige bestuurders.

Behalve sociaal-geografe Hietbrink zijn alle auteurs en de eindredacteur volgens de lijst met personalia opgeleid als socioloog (in Amsterdam of Tilburg). Kennelijk zijn de sociologen er na de jaren van verguizing in geslaagd om dit onderzoeksgebied zo ongeveer te monopoliseren, een terrein dat blijkens het artikel van Bevers en Hitters al in 1950 werd gerekend tot sociologenland. Dat stemt ook overeen met de opmerking van Kempers dat de sociologie-studie belangrijker wordt als basisopleiding voor museummedewerkers in educatieve diensten.

Toch is in dit boek van de sociologische herkomst der auteurs minder te merken dan ik had gehoopt. Kempers gaat het verst door zijn theoretische overwegingen te beperken tot een voetnoot die verwijst naar La Distinction gevolgd door de zin: “In tal van opzichten is mijn verhaal een bevestiging van de op andere gegevens gebasserde these van Bourdieu”. Tsja…

Bij Bruin en Bevers vindt men een meer sociologische aanpak, maar ook bij hen blijft het perspectief impliciet en de verwijzingen zijn zeer summier. Zo schrijft Kees Bruin dat in de arena van de literaire prijzen geldt “wat Collins heeft genoemd ‘de wet van de kleine getallen’.” Wie deze Collins is en wat die wet inhoudt blijkt noch uit de tekst noch uit de bijbehorende voetnoot en dat is heel jammer, want het was een brainwave van de auteur om nu juist dat stukje theorie op deze plek op te voeren; het had perfect in zijn betoog gepast.

In zijn slotbeschouwing springt Smithuijsen minder verspillend om met zijn sociologische invallen. Wat opvalt als je al deze hoofdstuk­ken hebt gelezen, zegt hij, is dat particuliere fondsen en stichtingen voor cultuurbehoud steeds onontwarbaarder verweven raken met de overheid. Maar wat hier wordt beschreven als kenmerkend voor de economische structuur van het culturele leven maakt bij nadere beschouwing deel uit van een veel bredere sociaal-economische ontwikkeling, stelt Smithuijsen, en hij verwijst dan naar de disser­tatie van Nico Wilterdink. Die constateerde dat aan het begin van deze eeuw “het totale goederenbestand in de nationale samenleving nog vrijwel samen(valt) met het totaal aan persoonlijke bezittingen.” In de loop van de twintigste eeuw komt daarin verandering: “Steeds omvangrijker werden de vermogens die niet aan aanwijsbare personen waren toe te schrijven: collectieve vermogens van overheden, stich­tingen, vereni­gingen en andere organisaties.” (p. 249) Frappant zijn enkele zinsneden die Smithuijsen even later oppikt uit het proef­schrift van Wilter­dink, die waar­schijnlijk helemaal niet aan cultuur­fondsen dacht toen hij schreef: “Sommige formeel particuliere organisaties zijn zo nauw verbonden met het overheidsapparaat dat ze bijna als onderdeel daarvan zijn te beschouwen” en toen hij het had over “vermogen dat “particulier” is in de zin van niet behorend tot de overheid, maar tevens collectief, want niet in handen van individuele eigenaren of aandeelhouders”.

Het is duidelijk dat waar dit soort instellingen het veld steeds sterker beheersen de speelruimte kleiner wordt voor kapitaalkrachtige enkelingen die met giften het kunstleven steunen. Al waren de vooroorlogse gevers dan ook minder belangeloos dan ik, naïef, gehoopt had, het strikt persoonlijke karakter van hun giftrelaties en de eeuwenoude roemruchte traditie van dit soort mecenaat, gaf hun rol in de culturele economie iets betoverends. Nu lijkt die rol te zijn uitgespeeld en al weten we sinds Weber dat we nu eenmaal leven in het tijdperk van de Entzauberung, dat geeft een gevoel van treurigheid.

 

“De machtige mecenas” Bespreking van: C.B. Smithuijsen e.a  (red.), De hulpbehoevende mecenas. Particulier initiatief, overheid en cultuur, 1940-1990. Amster­dam/Zutphen: Boekmanstichting/Walburg Pers. 352 pags. .  In: Boekmancahier, nr. 7. maart 1991. pp.61-64