Herenweg 122, Heemstede, Holland. Over locatie en identiteit. (2014)

‘Lieve oma An, Hoe gaat het met U? Met mij gaat het goet.’ Ik was zes jaar en ik had nog maar net leren schrijven. Het moeilijkst vond ik het adresseren van de envelop met op de achterkant de trotse afzender. Toen dat was gelukt wist ik wie ik was en waar ik was: Bart van Heerikhuizen, Herenweg 122, Heemstede, Holland.

Op 25 april 2014 hebben mijn zus en ik het ouderlijk huis verkocht. In 2012 was onze moeder overleden, het kostte anderhalf jaar om op de kwakkelende huizenmarkt een koper te vinden. Toen het lukte, waren we opgelucht.

Herenweg 122, Heemstede. In de jaren dertig zagen de voorbijgangers hoe mijn grootvader, Cornelis van Heerikhuizen, leraar Engels aan een HBS in Amsterdam, onder de groene bureaulamp zijn lessen zat voor te bereiden. In de achterkamer op de eerste verdieping ben ik geboren op 10 mei 1948 om vier uur. In de voorkamer kwam enkele jaren later mijn zusje ter wereld. In dit huis: mijn eerste kinderledikantje (22 september 1948), mijn eerste woordjes (Pappa, Mma, Ond, Poes: mei 1949), mijn eerste stapjes (9 juni 1949). En later mijn eerste aanval van angst voor de dood, mijn eerste dagboek-notitie (‘Multoblaadjes’: 2 mei 1964), mijn eerste kennismaking met de seksualiteit. In de tuin sliep ik elk voorjaar onder de bloeiende appelbomen om mijn dubbeldaks tentje weer even uit te proberen voordat ik op kampeer-vakantie ging. Het huis was ook het décor van het verdriet rond de ouderlijke echtscheiding, Jimi Hendrix snoeihard over de stereo-boxjes, de oprichtingsvergadering van het tijdschrift Vraagteken in de zomer van 1965. In dit huis heb ik al mijn huiswerk gemaakt, ook toen ik in Amsterdam woonde en deze plek gebruikte om ver weg van hoofdstedelijke afleidingen tentamenstof te memoriseren en werkstukken te schrijven.

Vanuit deze woning begon ik me ruimtelijk te oriënteren. Op een plattegrond die ik op mijn achtste verjaardag kreeg, zag ik ons huis, onze straat, onze buurt. Ik herkende de Herenweg, die liep van Noord naar Zuid, van Haarlem naar Leiden, en de Zandvoortselaan die liep van Oost naar West, van het Spaarne naar de zee van Zandvoort, op die kaart zo blauw als de Méditerranée. Nog altijd associeer ik de windstreken met dat eerste assenkruis.

Toen onze moeder overleed, wisten mijn zusje en ik al vrij snel dat we geen van beiden zouden voldoen aan haar hartewens: ze wilde zo graag dat één van ons het huis aan de Herenweg zou gaan bewonen. We hebben er over geaarzeld, maar, zoals je dat tegenwoordig zegt: ‘het voelde niet goed’. En dus zat er niets anders op dan het huis te verkopen.

Dat is een heel gedoe met rondleidingen en kijkdagen en makelaars die zinnen uitspreken waar je geen touw aan vast kunt knopen. Het is vooral ook een zakelijke kwestie, waarbij je alle emoties zo veel mogelijk moet uitschakelen. Vandaar dat ik helemaal niet zag aankomen hoe ik me zou voelen na de verkoop, bij voorbeeld vandaag, 30 april. Hoe zeg je dat tegenwoordig ook alweer? ‘Het voelt niet goed’.

Al woon ik inmiddels drie keer zo lang in Amsterdam als in Heemstede, toch ben ik nooit een Amsterdammer geworden. Mijn kinderen, in de hoofdstad geboren en getogen, zijn echte Amsterdammers, ik heb hier veertig jaar gewerkt, ik vier in deze stad de Dodenherdenking, maar eigenlijk, eigenlijk woon ik in Heemstede. Ik had tot voor kort ook werkelijk een band met het huis aan de Herenweg: mijn moeder woonde er, ik kon er naar binnen lopen zonder te hoeven aanbellen. Nu is die verbinding verbroken. Dat doet meer pijn dan ik had verwacht. Want het blijft mijn huis. Dit is, om een wat mystieke uitdrukking van Cees Nooteboom te gebruiken, ‘waar ik over ga’.

En dit is waar de sociologie van het bouwen en wonen over gaat: het snijpunt van geografische locatie, cognitieve oriëntatie, sociale situering en psychische identiteit. Dit is waarover Jan-Willem Duijvendak schrijft in zijn werk over het thuisgevoel, maar het is vooral het onderwerp van de Amsterdamse stadssociologie van  Johannes van der Weiden, Léon Deben en Ineke Teijmant. Vandaag dringt ten volle tot me door waar zij veertig jaar lang onderzoek naar deden, les over gaven en nog altijd over spreken en schrijven. Ik had het me nog niet eerder zo gerealiseerd, maar in zekere zin gaat hun onderzoeksprogramma over wat er gebeurt met een zesjarige als die voor het eerst op de achterkant van een envelop schrijft: Bart van Heerikhuizen, Herenweg 122, Heemstede, Holland.

‘Herenweg 122, Heemstede, Holland’. In: Judith Elshout, Bart van Heerikhuizen, Sabine Meier en Johannes van der Weiden (red.), Spannende plekken, een vriendenboek voor Ineke Teijmant. Amsterdam: De Driehoek, 2014. pp. 68-69.

ISBN: 978-94-90586-08-9. Het boekje is hier te bestellen: www.stichtingdriehoek.nl

Een tweesnijdend zwaard. Over plagiaatscanners (2011)

Eerstejaars-studenten begrijpen het soms niet. Waarom maken docenten zoveel ophef over een zo onbetekenend vergrijp als het overplakken van een paar zinnen uit Wikipedia? Op de middelbare school was dat toch de gewoonste zaak van de wereld? Natuurlijk, ook toen al werden leraren er kwaad om, je maakt er een slechte beurt mee, maar het is toch geen halszaak? Studenten hebben het heel erg druk, de studiestress is groot, en tsja, dan kies je wel eens voor de weg van de minste weerstand… Met verbazing ontdekken de eerstejaars dat hierover aan de universiteit niet lichtvaardig wordt gedacht. Citeren en parafraseren mag natuurlijk, maar als je er opzettelijk geen bronvermelding bij zet, dan ben je een dief. Plagiaat wordt gedefinieerd als frauduleus handelen, als een abjecte vorm van criminaliteit en je kunt voor zoiets voorgoed van de universiteit worden verwijderd.

Twee giechelende meisjes komen mijn werkkamer binnen. Ik heb ze betrapt. Ze hebben namelijk allebei precies hetzelfde werkstukje ingeleverd. Alleen de naam die er boven staat verschilt, voor de rest is de tekst identiek. Ik vraag me af waarom ze niet een beetje meer hun best hebben gedaan om hun misdrijf te verhullen. Dachten ze nou echt dat ik niet zou merken dat die twee papers woord voor woord hetzelfde zijn? Maar nee, dat is het niet. De twee studentes leggen met een stralende lach uit dat ze het hele weekend samen aan dat stuk hebben gewerkt. Het resultaat van hun arbeid was zozeer een collectief product geworden dat het ze juist wel eerlijk leek om er niet geforceerd twee versies van de maken, maar om hun eindproduct gewoon twee keer in te leveren, de ene kopie onder de naam van de ene, de andere onder de naam van de andere. Ze vinden het zelf eigenlijk erg voor de hand liggend. De gedachte is nooit bij ze opgekomen dat ik het niet zou ontdekken. Natuurlijk zou ik het merken en eigenlijk hadden ze verwacht dat ik het wel zou weten te waarderen: had ik er niet zelf in de werkgroep op aangedrongen dat ze zouden samenwerken? Nou dan! De sfeer in mijn kamertje wordt ijzig als ik zeg dat ik ze kan aanklagen bij de examencommissie en dat ze dan vervolgd kunnen worden wegens fraude en dat je voor zoiets op zijn minst een jaar geschorst wordt. Natuurlijk doe ik dat niet. Maar het zo vrolijk begonnen gesprekje eindigt in mineur: twee schatten van meisjes zijn zich echt kapot geschrokken. Toch heb ik liever dat ze in het eerste semester de stuipen op het lijf gejaagd krijgen, dan dat ze in het derde jaar uit de opleiding worden gezet.

Tegenwoordig zijn allerlei soorten overschrijverij veel gemakkelijker te ontdekken dan een jaar of tien geleden. We beschikken nu over speciale computerprogramma’s, zogenaamde ‘plagiaatscanners’, waar je de schriftelijke prestaties van de studenten doorheen haalt en die je dan precies kunnen vertellen of er passages in de tekst voorkomen die zijn geplagieerd. Is dat het geval, dan wordt er meteen bij aangegeven waar de gecopieerde teksten precies vandaan komen. Ephorus, Viper en Turnitin zijn bekende plagiaatscanners. Zo nu en dan blijkt een student stukken te hebben gejat van het internet. De straf voor zo’n vergrijp is stevig: de lichtste sanctie is dat je de hele module moet overdoen.

Waarom zijn we zo streng op dit punt? Dat is omdat plagiaat raakt aan het hart van de wetenschap. Als je niet zeker weet of hetgeen iemand publiceert wel echt van die auteur is, dan raakt het sociale proces dat we wetenschap noemen volslagen in de war. Pronken met andermans veren is niet alleen crimineel, het is een vorm van fraude die het wetenschappelijk bedrijf als zodanig in gevaar brengt. En dus treden we daartegen keihard en genadeloos op. Het is maar dat je het weet.

In maart van dit jaar moest in Duitsland een minister aftreden. Karl-Theodor Maria Nikolaus Johann Jacob Philipp Franz Joseph Sylvester Freiherr von und zu Guttenberg (ik heb deze naam overgeplakt uit Wikipedia; ik zeg het er maar eerlijk bij), geboren in 1971, minister van defensie in het kabinet van Angela Merkel, moest zijn functie opgeven, omdat hij plagiaat had gepleegd in het proefschrift waarop hij in 2007 summa cum laude aan de rechtenfaculteit was gepromoveerd. Ook zijn zetel in de bondsdag raakte hij kwijt. Een tragisch einde van een alom gerespecteerd CSU-politicus. Niet zo heel bijzonder, dit soort dingen komt vaker voor, ook in Nederland. Maar op 12 april meldden de kranten alweer een nieuw geval. Deze keer ging het om top-politica Silvana Koch-Mehrin, de voorzitster van de FDP-fractie in het Europese parlement, wier dissertatie stukken nogal wat overschrijf-passages bleek te bevatten. Op 11 mei stond in Die Zeit dat mevrouw Koch-Mehrin al haar functies had neergelegd en dat de universiteit van Heidelberg overwoog om haar de doctorstitel te ontnemen.

Wat is er in vredesnaam aan de hand dat de ene na de andere prominente Duitse politicus als fraudeur te kijk wordt gezet? Daarover las ik een intrigerend zinnetje in het eerste bericht over Koch-Mehrin: ‘De zaak is aan het licht gebracht door een groep zogeheten plagiaatjagers op het internet, die het wetenschappelijke werk van Duitse politici uitpluizen.’ Het blijkt te gaan om het Duitse online platform met de griezelige naam: Vroniplag Wiki. Op hun site staat deze tekst te lezen: we onderzoeken plagiaat in proefschriften, we zoeken helpers, iedereen kan meehelpen, meld je bij ons aan. Op de site worden nu alweer vier andere dissertaties genoemd van Duitse politici die zich schuldig zouden hebben gemaakt aan plagiaat. In één geval zou maar liefst zestig procent zijn overgeschreven! De onderzoekers schrijven aan de voet van hun openingspagina dat het ze niet te doen is om het belasteren van politici. Ze beweren dat ze promotiecommissies willen ondersteunen in het garanderen van de kwaliteit van de in Duitsland verdedigde dissertaties. Dat klinkt me nou net iets te nobel.

Maar het verschijnsel isintrigerend: hier wordt tegenmacht ontwikkeld. Docenten kunnen het werk van studenten door een plagiaatscanner halen om te zien of ze frauderen, de baas kan de rapporten van zijn ambtenaren screenen, de hoofdredacteur kan zijn medewerkers op deze manier bij de les houden. Maar het omgekeerde is even goed mogelijk. De journalisten kunnen ook alle oude stukken van hun hoofdredacteur nog eens tegen het licht houden, de lagere ambtenaren kunnen de rapporten waarmee hun baas naar zijn huidige toppositie is opgestegen aan een overschrijf-controle onderwerpen en elke hoogleraar kan er nu op rekenen dat zijn studenten zijn proefschrift, leerboeken, congrespapers en artikelen zullen navlooien met behulp van state-of-the-art plagiaat-scanners. Behandelen wij onze studenten alsof het allemaal potentiële fraudeurs zijn? Dan kunnen zij ons ook zo behandelen. Ephorus is een tweesnijdend zwaard!

Daarbij doet zich nog iets bijzonders voor. De stukken die nu worden gescanned kunnen zijn geschreven in een tijd dat de auteur niet kon weten dat zijn stukken ooit nog eens zouden worden gedigitaliseerd. Wie in 1975 in een artikel enkele alinea’s overschreef uit een obscure Nieuw-Zeelandse dissertatie, in de vaste overtuiging dat nooit iemand hier achter zou komen, die moet zich nu ernstig zorgen maken. Want dat Nieuw-Zeelandse proefschrift wordt nu gedigitaliseerd, het Nederlandse proefschrift ook, en voor je het weet heeft Ephorus je bij de kladden. Het doet denken aan wat in Amerikaanse politie-series wordt genoemd: ‘cold case research’. Zoals je twintig jaar na dato een verkrachter kunt aanklagen (of juist de onschuld van een veroordeelde kunt bewijzen) op basis van DNA-onderzoek dat twee decennia geleden nog niet mogelijk was, zo kun je nu ook overschrijvers aanklagen, die veertig jaar geleden in hun engste nachtmerrie nog niet hadden kunnen verzinnen dat ze ooit zouden worden betrapt. Al is de leugen nog zo snel…

Studenten zijn niet de enige mensen die onder stress en tijdsdruk in de verleiding worden gebracht om gebruik te maken van de cut-and-paste mogelijkheid. Het zou me eigenlijk een beetje verbazen als sommige thans prominente geleerden niet ooit een keer voor die verleiding zouden zijn gezwicht. Het zal niet lang meer duren voordat ook in Nederland plagiaatjagers actief zullen worden die de proefschriften van de afgelopen decennia onder handen gaan nemen. Het worden nog spannende tijden.

‘Een tweesnijdend zwaard’. In: Sociologisch Mokum. Jaargang 14 (2010-2011), nummer 5, juni 2011. pp. 42-43.

Het bezitten van muziek: einde van een illusie. Over de streaming muziek-dienst Spotify (2011)

Mijn eerste grammofoonplaat, gekocht in de zomer van 1965, was het album ‘Help’ van The Beatles. Ik had de gelijknamige film gezien en ik wilde de liedjes die ik in de bioskoop had gehoord nu ook zelf ‘hebben’. Wat betekent dat eigenlijk: muziek ‘hebben’? De erven van Michael Jackson hebben de eigendomsrechten van de composities van Lennon en McCartney, maar om dat soort bezit was het mij natuurlijk niet te doen. Het hebben van die liedjes betekende vooral: niet te hoeven wachten tot het Herman Stok behaagde om in ‘Tijd voor Teenagers’ een liedje van de Beatles te draaien, maar om zelf te kunnen beslissen op welk moment van de dag of de nacht de klanken van ‘Hey, you’ve got to hide your love away’ te horen waren. Eigenlijk ging het dus om permanente toegang tot de muziek. Ik weet nog waar ik de plaat kocht (Hogenbijl in Haarlem), hoe veel hij kostte (24 gulden 75), hoe ik hem thuis meteen ging draaien op de mono-platenspeler van mijn moeder (Triotrack) en hoe ik me voelde (intens gelukkig).

Hoe moet het in de 19e eeuw zijn geweest voor iemand die de Negende van Beethoven hoorde en dacht: die muziek wil ik hebben? Zo iemand kon de partituur kopen, maar het is slechts weinigen gegeven om bij het turen naar notenbalken een virtueel orkest te horen. Je zou een pianobewerking van de symfonie hebben kunnen aanschaffen om thuis zelf te spelen, maar ook dat vergt een stevige opleiding.

20e eeuwse mensen denken dat ze een muziekstuk bezitten als ze er een grammofoonplaat, CD of DVD van kopen, maar is dat wel zo? Alles wat je met zo’n geluidsdrager kunt doen is één bepaalde uitvoering nog eens laten opklinken, waarbij wat je hoort een laffe versie is van wat zich in de concertzaal moet hebben afgespeeld. Wil je de buren niet overdonderen met het geluid van een koor en orkest op volle sterkte, dan is alleen al het aantal decibellen onvergelijkbaar. Het bezitten van muziek is in onze tijd, net als in vorige eeuwen, een illusie.

Voor degene die zich over dit soort vragen het hoofd breekt is er in het jaar 2010 een complicatie bijgekomen. Wie zich inschrijft bij de Zweedse firma Spotify kan luisteren naar ‘streaming’ muziek die op de server staat van dit bedrijf. Neem je bij voorbeeld een abonnement van tien euro per maand (de duurste optie), dan kun je zonder reclameboodschappen naar muziek in goede geluidskwaliteit luisteren. En je houdt er een schoon geweten bij, want het is legaal. Spotify biedt verbazend veel albums aan. Je voelt je het jongetje in de snoepwinkel. Natuurlijk, het is jammer dat uitgerekend het werk van de Beatles ontbreekt; niet alle musici hebben een contract afgesloten met Spotify. Maar zeker voor de liefhebbers van klassieke muziek en jazz valt er zo veel te genieten dat degene die klaagt over wat ontbreekt werkelijk een kniesoor is.

Het wonderlijke aan Spotify is dat je voor tien euro per maand eigenlijk alleen maar een entréebewijs koopt. Zo lang je je maandelijkse bijdrage betaalt kun je al je lievelingsmuziek aftappen, maar als je het abonnement opzegt, ben je meteen al die muziek kwijt. Downloaden is in beginsel niet mogelijk. Je koopt dus geen eigendomstitel, je koopt toegang.

De platenindustrie heeft veel geklaagd over het illegaal downloaden, maar wat Spotify doet is revolutionairder. In het jaar 2010 is de wereld van de muziekhandel fundamenteel veranderd en de consequenties zijn nog niet te overzien.

Voor de eigenaars van platenzaken is Spotify slecht nieuws, maar voor muziekliefhebbers voelt het aan als een droom die onverhoopt werkelijkheid wordt. En toch, ook in dit geval (het zal eens niet zo zijn) gaat er iets verloren. Sinds 1965 vind ik het zo fijn om een album te kopen, mee naar huis te nemen, uit de verpakking te halen, te beluisteren en dan te denken: ziezo, deze muziek is nu echt van mij, dit pakt niemand me af. En uitgerekend die aangename illusie van muziek te bezitten, die wordt me nu afgepakt.

‘Het bezitten van muziek: einde van een illusie.’ In: Sociologie Magazine. Jaargang 19, nummer 1, maart 2011, p. 20. Herdrukt in: Bart van Heerikhuizen, Multoblaadjes. Diemen: AMB, 2013. pp. 122-124.

Voorwoord in de carrièrekrant voor sociologen. Over de arbeidsmarkt voor sociologen. (2011)

Deze Carrièrekrant laat het zien: een masterdiploma in de sociologie biedt uitzicht op een scala aan beroepsmogelijkheden. Dat heeft te maken met één van de kenmerken van de discipline sociologie: breedte. Dat is prettig voor wie het vak sociologie studeren (en doceren): je kunt kiezen uit een spectrum aan methodologische opties, theoretische alternatieven en thematische specialisaties. Voor wie eenmaal de bul op zak heeft is dat soms ook een prettige verrassing. Van beleidsmedewerker tot redacteur van een televisiereeks, van docent tot free lance schrijver, er gaat een wereld aan mogelijkheden voor je open. En mocht je op latere leeftijd het roer nog eens helemaal willen omgooien, dan is het in dit opzicht beter om een sociologiediploma te hebben dan een tandartsdiploma. Het voordeel heeft wel een nadeel: voor sommigen is de waaier aan mogelijkheden een beetje te wijd, de overvloed aan alternatieven kan intimiderend werken. Deze carrièrekrant is onder meer bedoeld om hier iets aan te doen. In de eerste plaats kan de lezer vaststellen dat degenen die afstuderen met sociologie als hoofdvak vaak heel goed terecht komen. Soms is het in het begin even puzzelen en rondwinkelen, maar na een poosje zijn de meeste sociologen toch aangekomen in het soort functie waarvoor ze zich geschikt achten en waarin ze vaak meer van hun opleiding kunnen gebruiken dan ze aanvankelijk hadden verwacht.

Misschien geeft deze krant een iets te zonnig beeld. Wie goed is terecht gekomen wil graag in de krant komen met een vrolijk stukje, vergezeld van een stralende en misschien iets te flatteuze foto. Voor de oudere docent is deze krant een soort papieren schoolreünie, waarop je je voormalige leerlingen terug ziet, maar degenen, wier loopbaan moeizamer is verlopen, zijn opvallend afwezig. Het is jammer dat er praktisch geen onderzoek wordt gedaan naar hoe het de studenten is vergaan na hun afstuderen. We moeten dus afgaan op verhalen zoals ze te vinden zijn in deze krant. En daaruit kun je opmaken dat het veel van onze studenten in hun arbeidsleven voor de wind is gegaan.

Zo’n jaar of twintig geleden was dat heel anders. Ook toen werd er geen degelijk onderzoek verricht naar de werkkringen van afgestudeerden in de sociologie, maar wat je hoorde van je oud-studenten was verontrustend. Het waren de jaren waarin sociologiedocenten elkaar mismoedig toevoegden: ‘We leiden onze studenten op voor de werkloosheid.’ Dat is, zo omstreeks het jaar 2000, volstrekt veranderd. Kwam ik vroeger nog wel eens een oud-student tegen achter de tap van een Amsterdamse kroeg, tegenwoordig loop ik vaker voormalige studenten tegen het lijf die een duur pak dragen en die me meewarig vragen of het echt waar is dat ik nog altijd aan de eerstejaars de theorie van Max Weber moet uitleggen. Of ik echt niets beters heb kunnen vinden…

News travels fast, zeggen de Amerikanen, maar in dit geval is dat niet zo. Veel mensen die de recentere ontwikkelingen niet hebben bijgehouden, zijn blijven hangen bij het verhaal dat de sociologiestudie misschien leuk is voor de algemene ontwikkeling, maar geen bijdrage levert aan het vinden van een interessante en goed verdienende baan. Wie zich dat praatje twintig jaar geleden in het hoofd heeft gezet, laat het zich niet meer zo snel afpakken. Ik hoop dat mensen die zulke achterhaalde voorstellingen koesteren deze Carrièrekrant ook eens zullen lezen, want het beeld dat uit deze pagina’s naar voren komt is misschien wel een beetje te gunstig, maar toch ook een redelijke weergave van hoe het er op dit moment voor staat met de beroepskansen van de afgestudeerde sociologen.

Hoe het over vijf of tien jaar verder zal gaan, dat is een andere kwestie. De wereldwijde economische crisis die ook Nederland trof in de loop van 2008, smeult nog altijd na en kan op elk moment weer opvlammen. Wat daarvan de consequenties zullen zijn, valt op dit moment moeilijk te voorzien. En toch. De voorspelling, die al in 2008 werd gedaan, volgens welke de sociale wetenschappen een scherpe daling zouden laten zien in hun instroom (ouders raden hun kinderen ‘veiliger’ studies aan, zo werd door velen gedacht) en dat het moeilijker zou worden voor afgestudeerden om werk te vinden, is tot op heden niet uitgekomen. De studenteninstroom in de sociale wetenschappen is alleen maar toegenomen en de arbeidsmarkt lijkt de afstudeerders nog altijd goed te absorberen. Misschien is dat ook wel verklaarbaar. De enorme problemen waar moderne samenlevingen zich  thans voor gesteld zien, kunnen niet worden opgelost zonder de inzet van de beoefenaren van de sociale wetenschappen. De behoefte aan mensen die in hun academische studie hebben geleerd om sociale processen te analyseren en te verklaren, is in de Westerse wereld alleen maar gegroeid – en de niet-Westerse wereld is ons ook in dit opzicht aan het inhalen. Over de werkgelegenheid van afgestudeerde sociologen hoeven we ons geen zorgen te maken, zo lang er een stijgende vraag blijft naar mensen die op een wetenschappelijke manier studie maken van de structuur en de ontwikkeling van die wonderbaarlijke netwerken die mensen met elkaar vormen.

‘Voorwoord’. In: De Carrièrekrant, sociologie. Faculteit der Sociale Wetenschappen, Universiteit van Amsterdam, februari 2011, p. 2.

Helaas is dit stukje, niet vijf jaar later, maar reeds drie jaar later, achterhaald. Het gaat nu, voorjaar 2014, niet goed met de werkgelegenheid voor sociologen. Hopelijk is dit na-ijl-effect van de economische crisis, waarvan wordt gezegd dat hij nu aan zijn einde begint te komen, van korte duur.

The Long Lines. Sociological observations on ageing and ageism. (2010)

On this special occasion, I want to show you something that I have never allowed anybody to see. I will offer you a peek into my private life. 2 This is the very first page of my personal diary, written when I was still fifteen years old. The first sentence is: ‘This is an important moment in the life of a young man, namely: me.’  I mention the day, May, the second, 1964, I mention the hour: five minutes past six on my inaccurate wrist watch. This is the first page of the diary that I have been working on until this very day. Nobody is allowed to read it, I hide it even from my wife and my children, this is really private property, so I hope you realize how privileged you are to see this picture Every idea that I have presented in a book, an article a lecture,  this one included, or even in an informal conversation started its life here, in this diary. I am developing, testing, comparing, falsifying, challenging, elaborating my ideas every day of the week in those pages and I have been doing that for 46 years now. If there is just one single piece of advice I may give to you, it would be that you should at least consider to follow my example, if you are not yet doing it. You have to brush your teeth every day, you must check your email every day and you must comb your thoughts every day. The best way to do that, is to write about all those ideas that daily go through your head – ideas that need to be written down, so you can pick them up, hold them in the air, turn them around, regard them from every angle.

Sometimes I hear people say: ‘I have to think about this’. 3 I never quite understood what they meant. Do you have to sit in an armchair, looking out of the window, with a pensive face? When I try to do this, my mind wanders off, I cannot stay with the subject I had promised myself to think about. Or all of a sudden I feel very hungry and I am overwhelmed by the desire to eat a hamburger. 4 But when I am writing in my diary I thínk, I sometimes really think very hard, I feel my mind is working overtime. I just cannot think any other way.

People are different and maybe what I say is not true for everybody here, but if you have a brain that is just a little bit wired like mine, you have to keep a diary.

When I look back at my life this is the first thing that I discern: thousands and thousands of pages in my diary, forming a long line, stretching over nearly five decades now, showing the continuities and the changes in how I tried to make sense of, get a grip on, the world into which I was thrown, 62 years ago, without my consent, as far as I can remember.

But in this lecture I do not want to look back, although the organizing committee asked me to do so. I now want to turn around 180 degrees and look the other way, look at the long lines stretching out into the future like the railroad tracks you just saw. Today, in this so called Last Lecture, with its frightening undertone of impending doom, I do not want to look at what lies behind, but at what lies ahead of me. I just turned 62. What is there in store for me?

A few weeks ago, I took a tram in Amsterdam. 5 It was overcrowded. I had gone through a rough day and I was very tired, hoping against hope, that there was a place where I could sit. Suddenly, an apparently North African guy in his twenties stood up and said to me: ‘Please sir, take my seat, no problem.’ 6 It was the first time in my life that this happened to me. And like the day when I wrote the first page of my diary, I was very much aware of the fact that this was a momentous event. I thanked my benefactor and I sat down, saying to myself that from now on my grey hair might bring me more tokens of friendlyness.

The following day I told my friends and colleagues about this small occurrence. They are roughly my age. They all reacted the same way: ‘Come on, Bart, don’t let it bring you down, that guy was certainly pulling your leg, those Moroccan youngsters have trouble estimating the age of Dutch people, you don’t look so old, man, etcetera. But I had not taken any offence, on the contrary, I was as happy as a child with what had happened. It was then that I discovered something I had not quite been aware of: the members of my babyboomer generation are scared to death of getting old. They believe that what lies ahead is terrible and they do not want to be reminded of it, and especially not by acts of kindness from the younger generation. They do not want to become dependent on anybody.

It is probably a general characteristic of the culture in modern Western societies with its admiration for youth, health, sexuality, strength and work to think of old age as something that is to be feared. That is strange, because those modern Western societies have witnessed over the past century an unprecedented increase in life expectancy and in the quality of life. 7 The expectancy of a healthy life has risen spectacularly in countries like Sweden, Norway or the Netherlands and it is amongst the highest in the world. The life expectancy in good health has risen to the age of 63.5 in the Netherlands, life expectancy without physical impediments has risen to 69.5 and life expectancy without mental impairments has increased to 74.3 in the year 2008. 8

Maybe you read in the newspapers a few months ago that in the Netherlands life expectancy has increased with five years over the last 25 years. And the life span continues to expand. You might suspect that this news was an occasion for self-congratulation. Speaking in terms of assignments: your final assignment, your ultimate deadline has been revoked,  and all of you guys have been given a general extension of five years! Five more years! Five more years! Let’s party! Now the newspapers and the television shows took a very surprising U-turn. 9 They told us that this is nothing less than a catastrophy. How will we be able to pay the pensions? How are we to pay the health care for these elderly people? Young people will have to work very hard to enable the old people to continue their endlessly stretched out, idle lives. The Dutch economic system is weighed down by a burden that may simply become too heavy. The implicit message of this media coverage was clear: the unhappy phase of human life between your 70th birthday and your death will only extend and the age-group of the babyboomers who have retired and rely heavily upon the services of the caring institutions will have to be financially supported by those hard working young people, who see themselves robbed of a substantial part of their well deserved income. 10 The keyword here is that infamous Germanicism Vergreisung. The number of grey-haired people will rise, turning our society into something utterly colourless: grey, grim and gloomy.

Recently we have witnessed in the Netherlands a discussion that bears a similarity to this one: the debate about the right to end your own life when you feel that your life is complete. 11 During the so called ‘actieweek voltooid leven’, the week of the completed life, (the week of February 8, 2010) this question was discussed in the newspapers and in television shows and a lot of attention was given to a civil initiative to change the law. This is a very important debate. The supporters of this initiative believe that everybody should have the right to end his or her own life, when they have come to the conclusion that their life has reached a certain state of completeness and that they should be given the opportunity to do this in a non-violent, peaceful way. Whatever you think about this matter, the debate has a latent implicit message. The hidden message is that in many cases life after a certain age – let’s say 70 – has no value any more. This was certainly not intended by those who instigated the discussion. But sometimes the implications of a debate may differ from the noble goals of those who started it. The debates about euthanasia in cases of unbearable and incurable physical  suffering, euthanasia in the case of unbearable and incurable psychological suffering, euthanasia when Alzheimers disease has been diagnosed, euthanasia when life is experienced as fulfilled,  all those debates that fill the newspaper columns and the television screens convey a subliminal message: the phase of your life after seventy is not something to eagerly look forward to, because it is the phase of life when you will be menaced by physical hardships, mental diseases and a more generally by a loss of meaning.

12 The debate about raising the age of retirement has a comparable implication. I do not doubt for a second the good intentions of those who oppose these measures. But here again one can discern a hidden message: people who have passed the age of 65 are physically and mentally so exhausted, that we should not subject them to more labour. It is often noticed that this says something very negative about how labour is perceived in our society. But what remains unnoticed is that it also implies something very negative about everybody over 65.

13 Listening attentively to these media-discussions, I could not refrain from thinking that the way we, in our twenty-first century Western society, think about the elderly is similar to the way Norbert Elias, in his book The Established and the Outsiders described how the inhabitants of a small town in England perceived the newcomers in their community. Those immigrants were seen as ‘not like us’, as a threat, an army of foreigners, who do not want to work, who are like parasites living their idle lives off our hard work. The figuration of people under 70 and people over 70 is in many ways comparable to this figuration of the established and the outsiders. That is a very unfortunate development, if only because there is so much interdependency between those who are under seventy and those who are over seventy. One of the simple reasons is that everybody under seventy will eventually become somebody over seventy. You don’t have to do anything difficult to get there: eat your greens, sleep well, don’t smoke, watch out when you cross the train tracks and then just one day you may be the surprised witness of your own sixty second birthday. Economically, politically, in an affective and in a cognitive way: the interdepencies between the generations are pervasive, because everybody travels the same traintrack through time. And everybody is dependent on everybody else, all these generations are interconnected.

This is something that you may have your doubts about. Is it really true that we are so very interdependent? Let me explain.

In modern Western societies many people believe that every individual is almost completely autonomous. Human beings are capable of taking their destiny in their own hands. Unlike our predecessors in traditional agrarian societies, we are not any more determined by social forces. This strong sensation of personal autonomy is present in how we feel and think about ourselves. According to the classic sociologists like Emile Durkheim and Max Weber modernisation is in part a process of individualisation and this attitude towards life reflects it. Although everybody is dimly aware of the fact that in some respects we depend on other people, in our culture the crucial idea is that one should primarily rely on one’s own strength, one should at least try to be self-supportive. This conviction is related to the feeling that there is a deep opposition between on the one hand the brave little individual who must fight for himself and on the otherhand the collectivity, the always trying to crush the solitary fighter.

14 The rise of this cultural imagery has been described by historians, sociologists, psychologists. It’s the well-known story of the individualist Renaissance painters, like Leonardo, the Calvinist church reformers, modern scientists in seventeenth century England, the romantic movements in music, painting and literature in the 18th and 19th century. Every phase in this process, every realm into which this complex was propagated has been described and analysed in many beautiful studies.

Exactly in the same period, the modern social sciences started to develop. Sociology, ethnology, economics and political science came to life in the 18th and 19th century. In those new sciences the values of autonomy and individualism were clearly visible as a kind of birth-mark. You can recognize it in Adam Smith or Herbert Spencer and still today you can smell it in for example Rational Choice Theory. On the other hand and more importantly, the social sciences also criticized this type of individualism as illusory and fundamentally misleading. Let me give you just one example. 15 In 1844 Karl Marx wrote in his Theses on Feuerbach: ‘The human essence is no abstraction, inherent in each single individual. In its reality it is the ensemble of social relations.’ (Marx, 1844) Until this very day this is a difficult idea, it conflicts with the way we feel about ourselves in modern societies. 16 The image of the lonely cowboy, the brave sheriff, fighting against the misguided collectivity is deeply engrained in our culture, from the movie to the computergame, from the liberal manifesto to the postmodern treatise, from Gary Cooper and Grace Kelley  to Bob Dylan and Joan Baez. 17  The idea that people are in a fundamental way dependent upon each other does not fit in with the spirit of our times. But social scientists from Marx until Norbert Elias have tried to convince people to see it otherwise.

It is not just a problem for social scientists who try to develop a more realistic model of human societies. In the political debate or in common discourse, the idea of individual autonomy is an obstacle if we want to seriously understand the problems we are confronted with. As long as we are incapable to comprehend ourselves as networks of interdependency, we will remain unable to solve the social problems facing us today and this also includes the problem of the interdependencies between the younger and the older generations.

How can we use this sociological vision in order to better understand this relationship? 18 In the sixties and the seventies of the 20th century the problem was often framed in terms of ageism. People were discriminated on the grounds of their calender-age. They were stereotyped and stigmatized on the basis of just one characteristic that they are just as incapable to influence as their gender or the colour of their skin: their age-group. Those were the days of anti-racist movements, so it is no surprise that anti-ageism-groups would use the same terminology and the same action strategies.

In the Netherlands the AOW and the AWBZ enabled the elderly to remain independent for a longer period of their lives. The principle of indidual autonomy was extended to the elderly. Everybody should be enabled to fight for his or her own rights. And those who appeared to be unable to do that should be supported, coached, trained, empowered. The paradox here is that this ability to fight for your own interests, ‘zelfredzaamheid’ in Dutch, was advocated as a solution for a group of people for whom it is often difficult to aggressively defend their rights. The friendly and well intended advice to take their fate in their own hands, was part and parcel of the individualist complex, that can be so very misleading. By framing the problem in this way, a very important element was pushedsuppressed from the discourse: the indeniable fact that the older generations are in several ways dependent upon the younger generation..

It would help if we would study the interdependencies between those age groups: who needs who and for what reasons? It would be advisable to study long term changes in the relationship between the yonger and the older generations, focussing on their financial, political, cognitive and affective dependencies over time. One of the topics that I personally would be interested in is when and why this idea of  old age as the most horrible episode in the human life span became so predominant in Western culture and how it is related to the civilizing process?

But serious studies by cultural historians, sociologists, anthropologists and gerontologists are only one thing.

19 What we also urgently need today is a second wave of anti-ageism. In the sixties and the seventies, complementing the more visible so-called second wave of feminism, one could observe, less conspiciously, but clearly discernable, the first wave of anti-ageism, a small revolution of grey panthers, as those activists called themselves in the US. But these efforts to fight for the rights of elderly people have also demonstrated how difficult this struggle is. The sociological reasons for this are not hard to discover. As a collectivity the elderly share nothing but their elevated age, and this is the characteristic they are least proud of. Under those conditions a Klasse an sich will not easily morph into a Klasse für sich.

There are other groups who occupied in the past a disadvantaged position and who improved their condition, partly as a result of a powerful collective process of emancipation. How is it possible that in the Netherlands the gay community has been so extremely succesful? Here we have a group of people who only recently were considered outcasts: scorned, despised, rejected. The gay community succeeded brilliantly in escaping from this prison of prejudice. The outcome is spectacular. Whatever the differences between our political parties, in one respect they are of the same mind: we should fight the scourge of homo-hatred. Not only VVD and PvdA agree, but there is a complete consensus on this matter from SP and Groen Links to CDA and Christen Unie. The politicians of PVV like nothing more than propagating draconian measures against those who are guilty of violence against homosexuals, which is by the way one of the reasons why it is difficult to assign that party a place in the extreme right wing corner of the political spectrum.. How did the gay community succeed in getting there in so short a period? It is truly breathtaking. Is there something we can learn from them?

One of the most effective strategies has been to convince prominent and talented people to come out into the open and stop hiding their homosexuality. Famous scientists, leading artists, admired media personalities, great entertainers, writers, painters… sooner or later they all came out of the closet and if they refused to do so, they might be ‘outed’ against their will. The result was a new cultural stereotype: the image of homosexuals as people who excell in the arts and the sciences, people leading very happy lives, people who did not only consider their sexual preference as something problemetical. On the contrary, being gay was presented as a source of pleasure and pride, in some cases giving way to feelings of superiority vis-a-vis the boring heterosexuals. Flamboyant Pim Fortuyn versus dull Ad Melkert. 20 Slowly but surely the heterosexual majority became convinced that being gay was not only acceptable, but that it could actually be fun as well. Within the homosexual community the sense of gay pride became stronger, self consciousness became more positive, if only because now one could identify with those famous people who turned out to be members of their club. 21 Every year this pride is demonstrated, often in the most extravagant ways, on the Amsterdam canals during the gay pride parade. Other cities, like Berlin, Paris or San Francisco, developed similar ceremonies.

No, I do not suggest a gray pride parade. 22 But it might help the social power and cohesion of the elderly if a more positive image of the final phase of life could be propagated and maybe that strategy bear certain similarities with the way the gay entrepreneurs did it. Of course, it is not simple. It does not help to line up the admirable elderly in Dutch society from Leo Vroman to Georgine Sanders. 23 If those great poets find pleasure in being admired, I am certain  they want to be admired for their poems and not for their advanced age.

But there is another possibility. When the famous sociologist Norbert Elias was approaching the age of ninety,  everybody who knew him well was aware of the fact that also in his case old age came with its ailments. The old professor had eyesight problems and he became hard of hearing. But with the help of his assistents he continued to publish beautiful books and articles, his memory remained extremely good, his thoughts continued to be sparkling, he was bursting with life. 24 One day he explained to a handful of students, including me, how interesting it was to reach such an old age. Elias had written important books about long-term processes. He had become world famous with a study on civilizing processes. And now, he told us, he had reached an age at which he could actually begin to see those long-term processes, extending over his own biographic time. At last he could observe them with his own old eyes. He had witnessed the German emperor, he had been a hospital soldier during the first world war, but he also witnessed the fall of the Berlin wall. He could compare the way students in Amsterdam interacted with their professors in 1988 with the way students in Heidelberg or Frankfurt addressed their professors around 1930. And he really enjoyed it. To reach a very high age appeared to be in his case a privilege that is only offered a happy few, an unexpected surprise for everybody who has the good fortune to have been spared the physical and mental illnesses that so often spoil old age, a source of secret pleasures that younger people cannot even suspect. And maybe the Jewish professor also derived some satisfaction from the idea that Hitler had been unable to rob him of his long life.

The thing I personally learned from Elias is that I should not fear the final phase of my life, that in a way this is a phase you can look forward to, even though you are accutely aware of  the increasing health risks. But Norbert Elias was not the only man to celebrate the pleasures of old age. 25 In a recent book, De kunst van het ouder worden, edited by Joep Dohmen and Jan Baars, you will find the collected articles of the great philosophers of the past and present about the art of getting old. Sociologists, psychologists, philosophers and literary authors have written about the attractive aspects of reaching a high age. But in our present society their voices are drowned out by other, shriller sounds. What they have to say is miles away from the dominant discourse today. The elderly that are interviewed in the newspapers, the protagonists in documentary movies, often seem to be selected with the unhappiness of their lives as the main criterion. This conjurs up a very threatening image of old age for those who are still young and at the same time it is a menace for the self-image of those who have reached the age of the people who are portrayed in this chilling light.

This leads to a de-solidarising effect within the figuration of the elderly. Nobody wants to belong to a club that is associated with pittiful unhappyness. This is why the elderly who lead happy lives try to distance themselves from their own age-cohort. When an important writer, politician, painter or scientist with an advanced age is interviewed, the journalist will often tell the audience that she looks and behaves as if she is a lot younger than she actually is. The subject of the interview will undergo this praise with a smile, often adding that she, unlike her age-mates, does not feel as old as the calender says she is.

But it is not just a matter of solidarity between people who share a certain age. The underlying problem is this modern ideal of complete independence. In modern societies where everybody feels so menaced by the collective, where everybody is afraid to lose control over his or her own destiny, we are all, whether we like it or not, afraid that once the day will come that we have to ask other people to take care of us, because in some respects it becomes difficult to take care of ourselves. Seen from a purely sociological point of view there is nothing special about being dependent on other people, we started our visit on this blue planet being completely dependent on adults to take care of us and during our whole life, also in healthy adulthood, have we relied upon our social networks. But in a cultural climate in which there is a strong tendency to suppress that simple sociological fact-of-life, it is an unbearable prospect to end up one day in a position in which you clearly have to rely upon social networks whose dynamics are beyond your control. In modern civilized society this prospects may be experienced as so extremely degrading that some of the elderly may even decide that they prefer to regard their life as completed and bring it to an end, before finding oneself in a state of dependency that is conflicting with all the values that they cherished all through their life.

In 1959 a small book was published by an American sociologist, Charles Wright Mills The Sociological Imagination. 26 In that book the author says that the sociological way of interpreting the world will become the common denominator of modern culture. In the fifty years following the publication of that book his prediction did not materialize. In the eighties the social sciences fell out of grace with a larger audience, de number of students enrolled in the social sciences decreased and there was a feeling of stagnation and malaise. But in the last fifteen years things have changed. The social sciences flourish like never before, the universities have a problem handling the growing influx, sociology has become more trendy and fashionable than it ever was. Maybe Mills’ prediction will at last prove to be correct. And maybe the non academic general audience may also develop a more realistic sense of what it is like to live in a human network, to be a network.If that were to be true, then, and only then, would it be possible to develop a better way to understand and improve the situation of the elderly in contemporary society.

Maybe that cultural change would enable us to see ageing not just as a deficit, as losing physical opportunities, sexual potentialities, economic chances, but also and even more so, as an opportunity for new possibilities. 27 Recently a friendly colleague of mine, Bram van der Loeff, who was very influential in my decision to choose this subject for my Last Lecture, sent me a forthcoming article by gerontologist and psychiatrist Arjan Braam, called ‘Gerotranscendence’. Braam is reviewing here the work of Swedish sociologist Lars. Tornstam, who believes that after the age of seventy new values have a better chance to be developed in our lives: the values of quiet reflexivity, recreation, playfulness, an increased feeling of affinity with past generations, a decreased interest in superfluous social interactions, an outpouring of creativity and maybe also a quality that has in traditional societies always been associeted with old age: the wisdom that only comes with the years. 28 [By the way: this is the advantage of lecturing in front of a PowerPoint-presentation. In the text you may say something very serious, but behind you, a picture may be presented that includes a certain ironic comment on what you just said…]

29 I am looking forward to a moment in the future where I hope I can reread my diary, not so much because I might find thoughts and ideas there that I could use in a sociological article or lecture, but because I want to survey those long lines of thousands of pages, discover the veins stretching out through my life, giving it unity and meaning. In fact, at the age of 62, I already start doing that and believe me, it is a very pleasurable experience. 30 There lies a deep satisfaction in looking back on one’s own life, this brief moment of light between two infinities of eternal darkness, and discovering that one begins to vaguely discern now, after all the sound and fury, those long lines that gave this earthly existence its coherence, its intrinsic structure, its dazzling strangeness and its stupefying beauty

‘The LongLines’. Lecture in a series called The Last Lecture organiezed by students of the Liberal Arts and Sciences in Room DZ1 (Gebouw Dante) of the Katholieke Universiteit van Tilburg May, 20th, 2010. The numbers in the text refer to PowerPoint-slides, but the lecture can be read without the benefit of the PowerPoints, as they were only added when the speach was completed.

Het lijkt nét kunst. Over sociologie als wetenschap en kunstvorm. (2010)

Amsterdam is in Nederland een belangrijk centrum van wetenschap en kunst. Wetenschap wordt bij voorbeeld beoefend aan de Universiteit van Amsterdam. Voor de kunsten moet je zijn in al die ateliers, galeries, geluidsstudio’s en andere broedplaatsen die deze stad rijk is. Laat je niet misleiden door het tragische feit dat het Rijksmuseum en het Stedelijk ten prooi gevallen zijn aan verloedering. Kunst floreert niet in musea, maar op heel andere plekken: kraakpanden, multimediale ex-fabriekshallen, morsige oefenruimtes, de experimentele achterkamertjes van het grotestadsleven.

Wat is kunst? Ieder antwoord op die vraag is problematisch. Als het werk van de ene kunstenaar er nog net in te passen valt (het fietswiel van Marcel Duchamps), dreigt het werk van een andere kunstenaar er buiten te raken (blauw monochroom van Yves Klein). Wat is kunst? Een oorlogsfoto van Robert Capa? Een essay van Rudy Kousbroek? Een happening van Marina Abramovic? Het Centre Pompidou in Parijs?

Dit is een poging tot omschrijving: kunst is dat wat mensen door elkaar schudt, verrast, verbaast, shockeert. Kunstenaars proberen de kijkers, lezers, luisteraars eventjes los te wrikken uit hun alledaagse denkroutines. Alle voorbeelden in de vorige alinea hebben dit gemeen: het fietswiel, het blauwe schilderij, de oorlogsfoto, het stuk van Kousbroek, de happening, het als een olieraffinaderij ogende museum. Ze proberen het publiek even los te rukken uit de wereld van de cliché’s, de stereotype voorstellingen, de gewoontewijsheden van alledag. Het is ook om die reden dat kunst mensen soms kwaad maakt. Kunst brengt je in de war en dat is niet altijd prettig.

Stel dat we het er over eens zijn dat kunst provoceert, verwart, shockeert, dan vallen Matisse en Malevich in de termen, maar Rien Poortvliet en Bob Ross niet. Er zijn ongetwijfeld postmodernisten die het daar niet mee eens zijn en die het werk van Anton Pieck en van Norman Rockwell beschouwen als belangrijke moderne kunst. Dat is een lastige discussie, maar toch valt daar nog wel uit te komen. Er is een ander en veel ingewikkelder probleem en dat is dat je met deze omschrijving misschien wel wat al te veel bijvangst in je netten laat zwemmen. Want kunstenaars zijn niet de enigen die mensen in verwarring proberen te brengen.

Neem nu eens de zogenaamde breaching experiments van Harold Garfinkel. Deze ethnomethodologische socioloog schreef zelf dat die zogenaamde experimenten bedoeld zijn als hulpjes om de luie verbeeldingskracht van mensen een handje te helpen. Hij gaf zijn studenten opdrachten die er uitzien als practical jokes: speel boter kaas en eieren, maar zet de kruisjes en de rondjes op de verkeerde plekken en kijk wat er dan gebeurt; voer met iemand een persoonlijk gesprek en haal dan een bandrecordertje te voorschijn en zeg dat je dit allemaal hebt opgenomen, reageer op alles wat iemand zegt met het vriendelijke verzoek om precies uit te leggen wat hij nu eigenlijk bedoelt met de gebruikte woorden. Het lijken kleine pesterijtjes (en dat zijn het ook), maar ze helpen ons om te begrijpen op hoeveel onuitgesproken vooronderstellingen de alledaagse omgang is gebaseerd.

Of neem het beroemde idee van Goffman dat wij allemaal rollen spelen voor elkaar en dat werkelijke oprechtheid niets anders is dan het vermogen om een indruk van oprechtheid met grote overtuigingskracht voor te wenden. Samen met onze mede-acteurs bereiden we de ene na de andere show voor en eigenlijk zijn we een groot deel van de dag bezig met het ontwikkelen van subtiele strategieën om onze medemensen er zo slim mogelijk in te laten lopen. Wie na enige weerstand te hebben overwonnen diep in de wereld van Goffman doordringt, herkent ineens overal om zich heen de manifestaties van het kille, manipulatieve sociale universum dat hij beschrijft.

Of neem Bourdieu’s theorie van het cultureel kapitaal. Twee jonge mensen zitten in het café. Ze vinden elkaar leuk, al kennen ze elkaar nog maar net. De ene vraagt: van wat voor muziek houd jij? De andere zegt: ik houd van de sonates van Scarlatti, maar ik draai ook best wel vaak de eerste drie albums van Tori Amos, en eigenlijk luister ik ’s nachts tussen twaalf en twee vooral naar Thelonius Monk. De ander zegt: hoe bestaat het, ik vind Monk ook geweldig, en ik vind het pianospel van Alicia Keys eigenlijk een beetje beter dan dat van die rare Tori Amos, maar van Scarlatti krijg ik na een half uurtje genoeg, althans wanneer Christian Zacharias hem speelt op een mooie concertvleugel, want van zo’n clavecimbel krijg ik al na vijf minuten koppijn. Dan kijken die twee elkaar stralend aan en daar horen we een bekende geluid: het klíkt. Maar nu zegt Bourdieu: het enige wat deze twee jongelui hebben gedaan is vaststellen dat ze allebei uit oud-Zuid komen, dat ze allebei pianoles hebben gehad, dat hun ouders bovenmodaal verdienen, dat hun broers en zussen allemaal het VWO hebben afgemaakt, kortom, dat er tussen hen een hoge mate van klasse-homogamie bestaat. Die klik, die ze voelden, dat was niet zozeer een romantische, maar meer een klasse-klik. Ze hebben elkaar minzaam een seal of approval gegeven. Ze dachten allebei, zonder zich dat bewust te zijn: met jou durf ik bij mijn moeder wel voor de dag te komen. En mochten ze ooit trouwen en kinderen krijgen, dan was dit het moment dat ervoor zorgde dat ook nu weer een hoge mate van klasse-endogamie verzekerd is.Wie deze theorie voor het eerst hoort reageert vaak heel geërgerd. Moet die Bourdieu nou echt alles kapot maken: liefde, romantiek, sexueel magnetisme, gemeenschappelijke muzikale hartstocht? Is er dan niets meer heilig? Maar ondertussen begin je toch wel een beetje te twijfelen aan dingen die je tot dan toe zeker meende te weten.

Garfinkel, Goffman, Bourdieu: drie voorbeelden van sociologen die hun lezers welbewust in de war brengen en die daarmee beogen inzicht te bieden, niet alleen intellectueel inzicht, maar ook emotioneel inzicht. Ze willen dat je niet alleen begrijpt, maar ook voelt dat de dingen soms anders zijn dan je tot dan toe dacht. En zoals Bourdieu ook wel eens heeft geschreven: dat voelt soms pijnlijk aan.

Maar waar doet dat ons ook alweer aan denken? Aan wat kunstenaars doen! In verschillende opzichten deelt sociologie eigenschappen met de kunsten.

Ik heb deze stelling laatst uitgeprobeerd op een groepje studenten van de Leidse Veerstichting. Na afloop werd ik overrompeld door de enorme belangstelling voor en instemming met wat ik voorzichtig betoogde. Ik had blijkbaar een gevoelige snaar geraakt.De tijd is er kennelijk weer rijp voor. Weer! Want deze gedachte is al eerder genoteerd, bij voorbeeld door de Amerikaanse socioloog Robert Nisbet in zijn boekje Sociology as an Art Form uit 1973.

Toen Nisbet zijn stelling verdedigde ging het goed met de sociologie: de instroom van sociologiestudenten was overweldigend, de arbeidsmarkt voor sociologen leek – zeker in Nederland in die dagen – onverzadigbaar. Dat is daarna veranderd en in de magere jaren tachtig en negentig durfde niemand meer te zeggen dat sociologie ook wel iets gemeen heeft met de kunsten. Het vak had het al moeilijk genoeg. Sociologie was toch al het doelwit geworden van gemakkelijk scorende columnisten. Gooi geen olie op het vuur. Maar inmiddels is het tij opnieuw gekeerd. De studenten stromen weer binnen, de arbeidsmarkt voor sociologen is weer uitstekend, de columnisten zetten weer trots onder hun columns dat ze socioloog van origine zijn. Misschien kunnen we het ons nu weer permitteren om minder besmuikt te doen over de wat softere kanten van het vak. Sociologie is in de allereerste plaats een wetenschap en in de handen van sommigen zelfs een hele harde wetenschap. Maar sociologie bevat onmiskenbaar ook elementen die wijzen op een zekere verwantschap met de kunsten.

Ik weet niet of een docent zoiets zou opschrijven in het sociologen-blad van Groningen, Tilburg, Nijmegen of Utrecht. Misschien zou het kunnen in Rotterdam. In Amsterdam kun je het hier met een zekere onbevangenheid over hebben. Amsterdam bezit niet alleen de oudste en de grootste sociologie-opleiding. We hebben ook de meest heterogene opleiding: veel stromingen en varianten floreren hier zij aan zij. Zo zitten er stukjes in ons programma die raakvlakken vertonen met de schone kunsten. En dat heeft ook te maken met het culturele klimaat van de stad Amsterdam. De beoefening van de kunsten in deze stad is voelbaar binnen de poreuze muren van de universiteit.

Ik ben mij daarvan bewust als ik college geef. Ik probeer als een betrouwbaar docent belangrijke theorieën in de sociologie helder en nauwkeurig over te brengen.  Maar ik wil soms ook, bij voorbeeld als ik les geef over Garfinkel, Goffman of Bourdieu, iets door elkaar schudden in de hoofden van de studenten die in de zaal zitten. Soms wil ik alledaagse vanzelfsprekendheden een beetje raadselachtig maken, verwarring stichten die tot inzicht leidt. En dan denk ik wel eens: hé, wat sta ik hier nou toch te doen…. het lijkt nét kunst!

‘Het lijkt nét kunst’. In: Sociologisch Mokum. Jaargang 13 (2009-2010), Nummer 6, juni 2010. pp. 46-47. Herdrukt in: Bart van Heerikhuizen, Multoblaadjes. Diemen: AMB, 2013. pp. 51-55.

Sociologische overwegingen bij mijn 62ste verjaardag. Over de figuratie van jongeren en ouderen (2010)

Mensen worden ouder: dat is een belangrijk biologisch gegeven. Vaak schrijven sociologen over individuen, actoren, ‘agents’ op een manier die je doet vergeten dat het hier gaat om organismen die onophoudelijk ten prooi zijn aan het biologische proces van veroudering. Veel mensen willen daar niet graag aan herinnerd worden. Toch is in onze samenleving met zijn hoge levensverwachting de kans groot dat de student die deze woorden leest op zekere dag tachtig jaar oud zal zijn. Je hoeft er niets voor te doen, wees voorzichtig in het verkeer en dan gaat het verder allemaal vanzelf. Wanneer een ziekte niet zorgt voor een te vroege dood, is de enige manier om dat lot te ontlopen het zelfgekozen einde en er zijn niet veel mensen die de ouderdom zozeer vrezen dat ze deze ontsnapping overwegen.

Toch wordt in moderne Westerse samenlevingen de ouderdom door de niet-ouderen steeds meer gezien als een angstaanjagende toekomst. Dat is des te vreemder omdat juist in diezelfde moderne Westerse samenlevingen de levensfase na het zestigste levensjaar voortdurend in kwaliteit is toegenomen. De zogenaamde gezonde levensverwachting stijgt nog steeds en ligt in Nederland relatief hoog. De levensverwachting in als goed ervaren gezondheid bedroeg in 2008 63,5; de levensverwachting zonder lichamelijke beperkingen lag in 2008 op 69,5, de levensverwachting zonder geestelijke beperkingen kwam in 2008 uit op 74,3. Toch wordt het contact tussen ouderen en jongeren belast door de inktzwarte voorstelling die men zich maakt van het leven na de zestigste verjaardag. En het zijn niet alleen de zestigminners die er zo over denken, de zestigplussers zijn het er vaak zelf mee eens, ook al mankeren ze niets en leiden ze aangename levens. Net als de buitenstaanders in het boekje van Elias die de negatieve beelden welke de gevestigden over hen verspreidden internaliseerden en op zichzelf van toepassing verklaarden, zijn ook oudere mensen vaak gemakkelijk geneigd om hun hoge leeftijd te zien als een soort handicap.

Drie kwesties die de afgelopen maanden uitvoerig in de media zijn besproken kunnen dit illustreren.

Ten eerste is breed uitgemeten dat de gemiddelde leeftijd van overlijden stijgt en dat in de afgelopen kwart eeuw de gezonde levensverwachting is toegenomen met ruim vijf jaar. Er is alle reden om met enig feestgedruis deze heugelijke doorbraak te vieren. Maar de kranten en de televisie-programma’s brachten dit aangename nieuws als betrof het een ramp: de pensioenen worden onbetaalbaar, de jongeren zullen moeten bloeden om de ouderen almaar langer te laten profiteren van onze peperdure gezondheidszorg, de hele economie van Nederland komt hierdoor onder zware druk te staan. De impliciete boodschap van die media-coverage aan alle mensen van onder de zestig was: die ellendige levensfase van je zestigste levensjaar tot aan je dood zal alleen maar langer worden en degenen die nu al in die fase zitten pakken je bovendien een deel van je inkomen af. Het sleutelwoord in deze debatten is het onvermijdelijke germanisme vergrijzing. Het aantal grijsharigen zal toenemen en dat zal de samenleving grauwer maken.

Het tweede voorbeeld betreft de discussie over het recht om een einde te mogen maken aan het eigen leven, wanneer dat wordt ervaren als ‘voltooid’. Gedurende de zogenaamde ‘actieweek voltooid leven’ (de week van 8 februari 2010) werd deze vraag breed in de media aan de orde gesteld, waarbij veel aandacht uitging naar het ‘burgerinitiatief voltooid leven’. In deze belangwekkende kwestie werd door de voorstanders van de zelfgekozen dood dikwijls de leeftijd van zeventig jaar genoemd (en soms ook die van zestig) als een soort grens waarboven het mensen vrij zou moeten staan om hun eigen leven op een niet gewelddadige wijze tot een rustig einde te mogen brengen. Hoe men ook over het debat moge denken, het heeft een latente nevenwerking. Heel impliciet en onbedoeld wordt de indruk gewekt dat het leven van mensen boven de zestig of zeventig vaak de moeite niet meer waard is. Dat was zeker  niet de bedoeling van degenen die deze discussie hebben geagendeerd. Maar soms zijn de doorwerkingen van een debat anders dan de nobele intenties van degenen die het begonnen. De discussies over euthanasie bij uitzichtloos en ondraaglijk lijden, euthanasie bij zwaar psychisch lijden, euthanasie in een vroeg stadium van de ziekte van Alzheimer, euthanasie wanneer het leven wordt ervaren als afgerond, al die discussies tezamen ondersteunen een verborgen boodschap: het bestaan van eenieder die zijn zestigste verjaardag heeft overleefd is zeker niet iets om naar uit te kijken, oudere mensen worden voortdurend bedreigd door zinverlies, lichamelijke en geestelijke ziektes van het ellendigste soort en in sommige gevallen zijn oudere mensen beter af met een dood die ze al die ellende bespaart.

De discussie over het verhogen van de pensioengerechtigde leeftijd heeft een soortgelijke implicatie. De bedoelingen van degenen die een verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd bestrijden, staan hier niet ter discussie. Maar ook hier zit er onder het verhaal een latente boodschap, die luidt: ‘mensen van boven de 65 zijn lichamelijk zozeer verzwakt, geestelijk zozeer uitgeput, dat je het ze niet kunt aandoen om nog door te moeten blijven werken. We moeten zulke mensen louter en alleen op basis van hun leeftijd beschouwen als definitief arbeidsongeschikt, een handjevol bewonderenswaardige uitzonderingen daargelaten.’ In deze discussie is al vaak opgemerkt dat van dit standpunt een negatief signaal uitgaat over het verrichten van arbeid. Wat daarentegen zelden wordt opgemerkt is dat het ook een treurige visie op mensen van boven de 65 impliceert.

Het gaat hier niet om de merites van de verschillende standpunten in deze drie grote media-discussies van de laatste maanden. Het gaat om een ondertoon die aangeeft hoe we in het Nederland van de 21ste eeuw denken over oudere mensen. Het beeld dat uit zulke kranten-artikelen oprijst herinnert sterk aan wat Elias beschrijft in het boekje De gevestigden en de buitenstaanders. De nieuwkomers worden daar gezien als niet horend bij ‘ons’, als een bedreiging, een leger van vreemdelingen, die niet werken, die het liefst parasiteren op ‘onze’ kosten. De figuratie van zestigminners en zestigplussers is in toenemende mate gaan lijken op een gevestigden-buitenstaanders-figuratie. Dat is een ongelukkige ontwikkeling, omdat zestigplussers natuurlijk in tal van opzichten verweven zijn met zestigminners. Het gaat hier immers om interdependente groepen, al was het maar omdat wie onder de zestig jaar is te zijner tijd vanzelf in de groep der ouderen terecht zal komen. Economisch, politiek, cultureel en sociaal zijn de oudere generaties en de jongere op elkaar betrokken en van elkaar afhankelijk.

Er valt iets te zeggen voor de gedachte dat ouderen hun emancipatie als collectief ter hand zouden moeten nemen, ook al vormen ze een heterogeen conglomeraat van mensen die niet meer dan hun leeftijd met elkaar delen. Zijn er sociologische redenen te geven waarom dat tot nu toe zo moeilijk lijkt te zijn?

Soms kan het verhelderend zijn om een vergelijking te maken. Er bestaan andere groepen die voorheen een achterstandspositie in de samenleving innamen en die door krachtig en collectief naar buiten te treden hun positie sterk wisten te verbeteren.

Hoe komt het dat in Nederland de homosexuele gemeenschap in de afgelopen veertig jaar zo verbazend succesvol is geweest? Hier is sprake van een groep mensen die behoorden tot de maatschappelijke buitenstaanders, een groep die ernstig werd achtergesteld door de gevestigden, die werd gediscrimineerd en veracht. De homosexuelen wisten zich effectief te organiseren en ze slaagden er in om te ontsnappen aan de positie van een gestigmatiseerde minderheid. Het resultaat is spectaculair, vooral in Nederland. Hoezeer de vaderlandse politieke partijen ook van elkaar verschillen, in één opzicht zijn ze het roerend met elkaar eens: homo-haat moet op alle mogelijke manieren bestreden worden. Dat vinden niet alleen de VVD en de PvdA, maar ook het CDA en de Christen Unie, terwijl de PVV-voormannen het nergens liever over hebben dan over het keihard aanpakken van homo-haters. Hoe is dat de gay community gelukt?

Eén van de belangrijke strategieën is geweest om prominente en getalenteerde mensen ertoe over te halen om hun homosexualiteit niet langer te camoufleren. Beroemde wetenschapsmensen, toonaangevende kunstenaars, geliefde media-persoonlijkheden, briljante cabarettiers, schrijvers, schilders, allemaal kwamen ze er vroeger of wat later voor uit dat ze homosexueel waren. En kwamen ze niet goedschikt uit de kast, dan werden ze er soms kwaadschiks uit gesleurd in een proces dat outing werd genoemd. Zo ontstond een beeld van homosexuelen als mensen die excelleerden in de kunsten en de wetenschappen, die vaak heel gelukkige levens leidden en voor wie hun van de meerderheid afwijkende sexuele voorkeur niet alleen onproblematisch was, maar bovendien een bron van plezier, trots en soms zelfs van een soort superioriteitsgevoel jegens de saaie hetero’s. Langzaam maar zeker ontstond bij de heterosexuele meerderheid het gevoel dat het niet alleen acceptabel was om homo te zijn, maar dat het kennelijk zelfs leuk was. Ook binnen de groep der homosexuelen zelf werd de trots op het ‘zo-zijn’ sterker, het zelfbesef van velen werd positiever, al was het maar omdat je je kon indentificeren met al die beroemde prominenten, die ook bij de club hoorden. Ieder jaar wordt in de gay pride parade op de Amsterdamse grachten aan dit gevoel van zelfvertrouwen op dikwijls exhuberante wijze uiting gegeven.

Het zou de maatschappelijke kracht en de sociale cohesie van ouderen ten goede komen als ze op een vergelijkbare manier zouden kunnen zorgen voor een anderssoortig beeld. Dat lijkt heel eenvoudig, maar is het niet. Het zou nergens toe leiden om een rij bejaarde prominenten te presenteren: Leo Vroman en Georgine Sanders, Mulisch, Hofland,  Hella Haasse. Die mensen vinden het ongetwijfeld aangenaam om bewonderd te worden vanwege hun werk, maar niet vanwege hun leeftijd.

Maar het kan anders. Toen Norbert Elias tegen de negentig liep, was het voor iedereen die hem persoonlijk kende duidelijk dat ook bij hem de hoge ouderdom met gebreken kwam. Hij zag steeds minder, zijn altijd al slechte gehoor ging nog veel verder achteruit, hij bewoog zich moeilijker. Maar hij bleef stukken schrijven, zijn geheugen bleef verbazingwekkend sterk en zijn gedachten bleven spankelen. Zo verraste hij een groepje studenten door te vertellen hoe interessant het was om hoogbejaard te worden. Zijn leven lang had hij geschreven over lange termijn ontwikkelingen in mensensamenlevingen, maar alleen door heel oud te worden kon hij die trends waarover hij het in zijn boeken had gehad, nu ook echt aanschouwen met eigen ogen, al werden die dan ook slechter. Docerend aan de Universiteit van Amsterdam in de jaren tachtig, herinnerde hij zich nog hoe de studenten hun hoogleraren bejegenden in Heidelberg en Frankfurt in de jaren dertig. Hij had de Duitse keizer nog meegemaakt en ook de val van de Berlijnse muur, hij kon de lange lijnen volgen die zich binnen zijn eigen leven ontsponnen. Hij genoot daar merkbaar van. Hoogbejaard worden leek in het betoog van deze hoogbejaarde een privilege dat helaas weinigen gegund is, een onvoorziene verrasssing voor wie het geluk ten deel valt langdurig door de dood en de aftakeling te worden ontzien, een bron van stille genoegens die jongere mensen niet kunnen bevroeden. Wellicht speelde bij deze joodse hoogleraar ook een beetje het idee mee dat Hitler hem niet van zijn lange leven had kunnen beroven.

Wat ik zelf van Elias leerde is dat ouderdom niet iets is om bang voor te zijn, maar een levensfase waarop je je op een bepaalde manier kunt verheugen. Er bestaan dus mensen die overtuigend kunnen uitleggen en ook vóórleven waarom het een voorrecht is om oud te worden. Norbert Elias is niet de enige die dit standpunt innam. Er zijn meer sociologen, filosofen, psychiaters en literatoren, die in staat zijn om de aantrekkelijke aspecten van de hoge leeftijd helder te formuleren. Maar zij hebben in de figuratie van ouderen op dit moment een marginale positie, vooral omdat hetgeen zij beweren zo sterk afwijkt van het thans dominante discours. Bejaarden die een hoofdrol spelen in kranten-reportages of in televisie-documentaires lijken geselecteerd te worden op de ongelukkigheid van hun leven. Dat roept niet alleen een bedreigend beeld op van de ouderdom bij degenen die zelf nog niet zo oud zijn, het zorgt ook voor een onprettig zelfbeeld bij degenen die de leeftijdsgenoten zijn van de op deze wijze geportretteerden.

Dit draagt bij tot een soort de-solidarisering-effect binnen de figuratie van ouderen. Niemand vindt het prettig om te worden geassocieerd met een groep waaraan een stigma is verbonden van meelijwekkende ongelukkigheid. Daarom hebben succesvolle ouderen er belang bij zich te distantiëren van hun eigen leeftijdsgroep. Van belangrijke schrijvers, politici, schilders of geleerden die de zeventig reeds lang zijn gepasseerd wordt meestal opgemerkt dat ze een jeugdige indruk maken, dat je ze veel jonger zou schatten dan ze zijn. De aldus bejegende laat zich die lof graag welgevallen en zal er aan toevoegen dat hij zich, heel anders dan zijn leeftijdsgenoten, ook werkelijk niet zo oud voelt als de kalender aangeeft.

De culturele slagkracht, de politieke invloed en de economische kansen van de figuratie der ouderen zou kunnen toenemen als het gevoel van leeftijds-solidariteit en daarmee de cohesie van dit hele leeftijds-cohort zou toenemen. Het voorbeeld van de homo-emancipatiebeweging leert dat het helpt om een zelfbeeld van de eigen groep te presenteren als trots en zelfs een tikje superieur. De maatschappelijke sterkte van ouderen zou stijgen als het beeld van de oudere Nederlander meer zou worden gedomineerd door mensen die, net als Norbert Elias, duidelijk kunnen maken dat het door een groeiend aantal mensen als aangenaam wordt ervaren om oud te zijn; dat het een diepe voldoening kan geven om terug te kijken op een leven dat door lange lijnen wordt dooraderd.

‘Sociologisch overwegingen bij mijn 62ste verjaardag’. In: Sociologisch Mokum. Jaargang 13 (2009-2010), nummer 4, mei 2010. Pp. 45-47. Herdrukt in: Bart van Heerikhuizen, Multoblaadjes. Diemen: AMB, 2013. pp. 168-175.

Zien is kennen. Over video’s van prominente sociologen op Youtube (2010)

Eén van de leukste programma’s op de iPhone heet Tjilp. Je ziet foto’s van vogels en als je die op het touch-screen aanraakt, hoor je hoe ze zingen. Dat is een groot voordeel vergeleken met de bekende vogelgidsen, zoals het beroemde boekje Zien is kennen. Teksten die een transcriptie bieden van vogelgezang zijn nu eenmaal niet erg evocatief. Maar door het programma Tjilp herken je gemakkelijk de klanken van fitis en koolmees. Je steekt de iPhone in je broekzak, je wandelt het bos in en er gaat een vogelwereld voor je open.

Iets dergelijks geldt voor de stemmen van sociologen. Wanneer ik college geef over de theorie van Wallerstein, dan hoor ik zijn stem in mijn hoofd: die dreunende Amerikaanse cadans. Voor studenten die Wallersteins stukken moeten lezen zou het een steun zijn als ze de auteur van die woorden even zouden kunnen horen en zien. En dus zou er eigenlijk een Tjilp voor sociologen moeten zijn. Je raakt het beeldscherm aan en je hoort de luide stem en ziet de brede gebaren van Immanuel Wallerstein. Met de iPhone in je broekzak loop je het academische bos in en er gaat een sociologenwereld voor je open.

Maar dat kan nu al! De iPhone is immers een kleine computer waarmee je over het internet kunt navigeren en op dat internet bevindt zich Youtube.

Youtube is een snel groeiend bestand van korte video-fragmenten. Soms zijn die gemaakt door amateurs, soms door professionele filmmakers, dikwijls zijn het legaal of illegaal uit films of televisieprogramma’s geknipte stukjes. Voor de socioloog is er nog niet zo veel te vinden, hoewel… Zoek eens op ‘breaching experiment’. Temidden van flauwe video’s van studenten die met een mobieltje filmen hoe ze iemand er in laten lopen, kom je ook stukjes tegen waarmee je een collegezaal aan het denken kunt zetten.

Maar voorlopig is Youtube voor sociale wetenschappers vooral interessant vanwege de filmpjes waarin prominente beoefenaren van mensenwetenschappen optreden. Youtube bedient de filosofen het best: men kan er kijken en luisteren naar Heidegger (in het Duits met Engelse ondertitels), Albert Camus, Jean-Paul Sartre, Simone de Beauvoir, Bertrand Russell, Noam Chomsky en Karl Popper (onder meer in gesprek met Helmuth Schmidt!). Maar ook sociologen vinden hier veel van hun gading. Zo kan men kijken naar oude interviews met Adorno, Horkheimer, Marcuse, Habermas (de laatste twee zowel in het Duits als in het Engels), een zeer energieke Foucault en een indrukwekkende Hannah Arendt. De onlangs op hoge leeftijd overleden cultureel antropoloog Lévi-Strauss is op veel filmpjes te bewonderen. Dat komt mede doordat de Fransen zeer actief zijn op Youtube. Zo is er een interview te vinden met Raymond Aron (over mei ’68) en een gesprek dat de voormalige linkse presidentskandidate Ségolène Royal voerde met de beroemde socioloog Alain Touraine.

Toegegeven: enkele zeer grote sociologen, zoals Elias, Merton en Collins, zijn niet te vinden op Youtube, maar dat is een kwestie van tijd. En verder zijn Nederlandse sociologen vrijwel afwezig. Iteke Weeda, Dick Pels en Willem Schinkel, daar moeten we het voorlopig mee doen.

Maar wat is het een geweldige uitbreiding van de didactische mogelijkheden dat je nu in een les over Pierre Bourdieu, Zygmunt Bauman, Anthony Giddens of Jürgen Habermas de studenten gedurende vijf minuten kunt laten kijken en luisteren naar deze geleerden. De klank van de stem, de mimiek, de motoriek, het maakt de bestudeerde auteur onvergetelijker.

In mijn colleges maak ik steeds vaker gebruik van deze prachtige fragmenten. Ik heb voor mezelf een bestand gemaakt van de mooiste interviews met vooraanstaande sociologen. Dat bestand heet Tjilp. Want sociologen zijn net als vogels: zien is kennen.

‘Zien is kennen’. In Sociologie Magazine. Jaargang 18, nummer 1, maart 2010, p. 10

Schande! Over het weggooien van masterscripties (2009)

De doctoraalscripties en masterscripties van de jaren zestig tot 1999 zijn allemaal weggegooid. Functionarissen van de Universiteit van Amsterdam hebben ze met droge ogen meegegeven aan de Amsterdamse Gemeentereiniging. Ik kwam daar eind september achter toen ik op zoek was naar een scriptie uit de jaren zeventig en ik ben nog steeds ontzet. Die scripties dateren van vóór de digitalisering, ze zijn dus weg, niet meer te redden, voor altijd vernietigd. Zo gaat de UvA dus om met zijn eigen geschiedenis. Dit heet slecht rentmeesterschap. Als het respect waarmee een instelling van hoger onderwijs de eindscripties van haar alumni bejegent iets zegt over de kwaliteit van die instelling, dan is het met de kwaliteit van de UvA treurig gesteld. Ik ben 38 jaar in dienst van de UvA, ik ben actief lid van de alumnivereniging, ik ervaar een emotionele binding met de Civitas Academica en ik voel me verraden. Dat is geen boutade, ik meen het oprecht.

Inmiddels ben ik er achter gekomen dat de bibliotheek een bewaarplicht heeft die is uitgebreid van vijf jaar naar zeven jaar en de reden daarvan is dat men aanvankelijk meende dat we elke vijf jaar bezoek zouden krijgen van een visitatiecommissie, maar in de praktijk bleken die commissies eens in de zeven jaar langs te komen. De functionarissen die hier over gaan, denken dat je scripties alleen maar bewaart voor die visistatiecommissie; hun geborneerde bestuurlijke visie reikt niet verder. Zo’n visitatiecommissie wil een indruk krijgen van de kwaliteit van het werk dat de studenten afleveren en een uitstekende manier om daar achter te komen is om een steekproef te nemen uit de scripties die zijn geschreven sinds de vorige visitatiecommissie neerstreek en om te onderzoeken of de kwaliteit van dat werk ‘aan de maat is’. Omdat onze bibliotheek die zeven jaar toch nog een beetje aan de krappe kant vond heeft men voor alle zekerheid maar een termijn van tien jaar aangehouden. En dus liggen nu alle scripties van vóór 1999 op de vuilnisbelt. Er zou nog een ‘vernietigingslijst’ worden gemaakt, maar dat schijnt niet te zijn gebeurd. Er zou een lijst komen met de titels van alle scripties die een acht of meer hadden gekregen, maar ook van die lijst is niets meer vernomen.

Uit mijn formuleringen blijkt dat ik de details niet ken. En ik ben te betrokken om het zelf uit te zoeken. Dat is mijn taak ook niet. Ik heb de redactie van Folia gevraagd om naar deze kwestie onderzoek te doen: zijn ook de scripties bij filosofie weggegooid of hebben die filosofen misschien een beetje meer academisch fatsoen? Zijn alle scripties bij geschiedenis weggegooid of voelen historici toch iets beter dan sociologen en antropologen dat je door zoiets te doen het werk bemoeilijkt van latere historisch onderzoekers? Hoe zit het bij psychologie, bij politicologie? De Folia-redactrices hebben me beloofd dat ze er iets aan gaan doen, en ik hoop dat hun artikel al is verschenen als deze Somo uitkomt.

Ik heb zelf die scripties uit de jaren zestig, zeventig en tachtig van de vorige eeuw veelvuldig geraadpleegd. Elke scripties hing in een hangmapje in een kast. Er stonden een paar van die grijze kasten naast elkaar. Op het ruitertje van de hangmap stond de naam van de auteur en de titel van de scriptie. Op de hangmappenkasten lag een klapper en daarin zat een lijst met alle titels van alle scripties, eerst op alfabetische volgorde (op naam van auteur, en op eerste zelfstandig naamwoord in de titel) en daarna op systematische volgorde. Wat ik uit mijn hoofd nog weet is dat N21 stond voor biologische aspecten en dat in de jaren zeventig en tachtig de vele scripties op het terrein van de vrouwenstudies werden ondergebracht in die categorie. De feministes waren razend als ze er achter kwamen dat hun scriptie werd gerubriceerd onder die vermaledijde aanduiding N21. Maar ze hingen daar wel mooi bij elkaar, veilig beschermd tegen de boze buitenwereld in hun warme hangmapjes. Althans zo leek het. Wie nu een proefschrift wil wijden aan de opkomst van het vak vrouwenstudies in de sociale wetenschappen in Amsterdam moet er rekening mee houden dat alle scripties uit die roemruchte jaren zeventig en tachtig zonder pardon zijn weggedonderd.

De afgelopen weken vertelde ik over dit schandaal aan mijn collega’s en allemaal waren ze ontzet. Van de hoofddocent tot de afdelingsvoorzitter, van de emeritus hoogleraar tot de JuDo, iedereen was het met me eens dat hier sprake was van een ongelooflijk staaltje wanbeleid waarvan nog het allerergste was dat er niets meer aan te doen viel. Maar de studenten aan wie ik dit vertelde waren niet allemaal overtuigd. Ze vonden het grappig om hun doorgaans zo beheerste docent te zien razen en tieren (‘de stoom kwam uit je oren’, zei Bram van der Kroon), maar niet allemaal begrepen ze wat er nou zo vreselijk erg was aan het weggooien van scripties. Er gaan wel meer papers, werkstukjes en tentamens door de papierversnipperaar; moet je daar nou zo’n heisa over maken? Wat is er zo erg aan?

Ik geef een klein voorbeeld. Bij de letterenfaculteit werkt de bekende kunsthistoricus en kunstsocioloog Prof. Bram Kempers, wiens colleges zeer worden gewaardeerd door studenten kunstgeschiedenis en sociologie. Zijn magnum opus is het boek Kunst, macht en mecenaat. Hij promoveerde daarop bij Goudsblom en Van Os in 1987 en daarna kwam er een handelseditie uit bij de Arbeiderspers en vervolgens een Engelse vertaling bij Penguin, waarmee Kempers een van de weinige Amsterdamse hoogleraren is die er in is geslaagd om internationaal door te dringen: Painting, Power and Patronage: The Rise of the Professional Artist in Renaissance Italy. Ooit kocht ik die Engelse versie in een boekwinkel in Florence. Maar de eerste aanzet tot dat boek was ‘Maatschappelijke verhoudingen in godsdienstige voorstellingen, een sociologische analyse’, de scriptie waarop hij bij de vakgroep sociologie afstudeerde in 1977. Bij die scriptie hoorde een album in ringband met daarin door de auteur eigenhandig ingeplakte foto’s van de renaissance-werken die in de scriptie werden besproken. Omdat het heel bewerkelijk was, heeft hij destijds twee of drie exemplaren in elkaar gezet met die reproducties (we spreken nu over een tijd ver voor de computer) en het mooiste was de versie die bestemd was voor de bibliotheek; daarin had hij de reproducties in kleur opgenomen. Maar wie nu geinteresseerd is in de ontstaansgeschiedenis van de denkbeelden van Bram Kempers stuit op een probleem: de UvA heeft alle scripties meegegeven aan de vuilnisman en dus ook de zijne. En dat geldt ook voor de scriptie over het waarheidsgebod van professor Goudsblom, waaruit diens beroemde studie Nihilisme en cultuur zou voortkomen, het geldt voor de scriptie van professor Wilterdink, professor Jelle Visser en al die andere befaamde Nederlandse sociologen die het ongeluk hadden om af te studeren aan een universiteit die hun eerste proeve van bekwaamheid zonder aanzien des persoons en zonder oog voor kwaliteit na tien jaar wegsodemietert.

Ik kan me niet voorstellen dat een echte universiteit – Oxford, Harvard, de Sorbonne –  de scripties van haar later  beroemd geworden alumni in een grijze vuilniszak propt en aan de stoeprand zet – ik vermoed zelfs dat als ze daar zouden horen over hoe het er in Amsterdam aan toe gaat, er een soort outcry zou zijn: zijn die Hollanders nou echt helemaal gek geworden?

Overigens is het raar dat men bij het bewaren van scripties in eerste instantie denkt aan de frekwentie waarmee visitatiecommissies ons bezoeken. De reden om ze te bewaren is vooral dat latere studenten en wetenschappelijk onderzoekers kunnen profiteren van het onderzoekswerk van hun voorgangers. Zo heb ik afgelopen zomer gezegd tegen Jael Fraenkel, die een scriptie schrijft over Facebook en de veranderende rol van fotografie in de moderne samenleving, dat ze twee scripties, die aan de UvA zijn geschreven, moest opvragen, omdat die ‘gezin en fotografie’ als onderwerp hadden. De eerste ging over hoe vakantiekiekjes en familiefoto’s het gezin symbolisch gestalte geven. Die scriptie was gemaakt in de jaren zeventig en stond vol met prachtige jaren-zeventig-familiefoto’s. Eén van de twee auteurs, Warna Oosterbaan Martinius, werd later hoogleraar in Rotterdam en is een belangrijke journalist op de NRC-redactie. De tweede was een scriptie over het fotograferen van dode mensen (dat gebeurde veel in de 19e eeuw) en van begrafenissen (was min of meer taboe in de jaren vijftig tot zeventig, maar is nu weer in de mode). Ook deze scriptie, begeleid door Bram Kempers, geschreven door een sociologe die zelf ook professioneel fotografeerde, bevatte prachtige foto’s als documentatie van de veranderende houding tegenover de dood in moderne Westerse samenlevingen.  Die scripties zijn dus allebei in de vuilnisbak gedumpt. Ik moet Jael nu mailen dat ze niet verder hoeft te zoeken naar die twee scripties, omdat die zijn weggelazerd. Maar ik merk dat ik het schrijven van dat mailtje nu al twee maanden voor me uit schuif. En ik weet ook waarom. Ik voel plaatsvervangende schaamte. Ik geneer me voor mijn eigen universiteit.

Op 8 november gaf onze onderwijsdirecteur, Dr. Johan Post, een heel interessante lezing voor de alumni over de kwaliteit van het onderwijs aan onze faculteit. Hij zei toen: ‘Ik durf de stelling aan dat ons onderwijs thans kwalitatief beter is dan dertig jaar geleden.’ In de zaal zaten de twee professoren die dertig jaar geleden over die kwaliteit waakten: professor Hiddo Jolles en professor Johan Goudsblom. Aan Jolles heb ik het niet gevraagd, maar Goudsblom zei me na afloop dat hij toch een beetje twijfelde aan de bewering van Post. Hoe kom je er achter of de kwaliteit in die afgelopen dertig jaar is gedaald, gestegen of gelijk gebleven? Ik weet een elegante manier om dat te onderzoeken: leg de scripties van 1973-1978 en die van 2003-2008 voor aan een jury van vakkundige sociologen. Maar ja, dat onderzoek kan natuurlijk niet plaatsvinden als een idioot al die scripties heeft weggekieperd.

Je hoort hier aan de UvA vaak mopperen dat onze studenten zo weinig historisch besef hebben, maar hoe kan de UvA iets anders verwachten als die zijn eigen historie bij het oud vuil zet? De UvA geeft kapitalen uit aan schitterende digitale archiverings-spullen, maar ondertussen worden onvervangbare, nooit gedigitaliseerde documenten liefdeloos weggeflikkerd.

‘Schande!’. In: Sociologisch Mokum. Jaargang 13 (2009-2010), nummer 3, december 2009, pp. 46-47.

Naschrift 1 (februari 2011):

In december 2009 heb ik mij boos gemaakt over het bericht dat alle scripties van sociologie en antropologie van voor circa 2000 zouden zijn weggegooid. Ik was vooral verontwaardigd over het feit dat de hangmappenkast met sociologiescripties uit de jaren vijftig, zestig, zeventig en tachtig, die vroeger prominent in de bibliotheek stond en die honderden zeer interessante scripties bevatte, aan de vuilnisman was meegegeven. De reactie van de bibliotheek luidde dat nu eenmaal niet alles ten eeuwigen dage bewaard kan worden en dat van tijd tot tijd schoon schip moet worden gemaakt onder de zogenaamde grijze literatuur, hoe jammer dat ook is.

Onlangs stelden twee vriendelijke personeelsleden van de bibliotheek me in staat om een speurtocht te ondernemen door de zolders van het Oost Indisch Huis en daar trof ik tot mijn grote verbazing alle weggegooid gewaande scripties aan. Ze zitten niet meer in de hangmappenkast, maar ze staan nu in ordnerdozen op een rij, gerubriceerd volgens een classificatieschema dat alleen nog enkele oudgedienden, zoals Leonie Koomen en ikzelf, in hun hoofd hebben zitten. Maar het belangrijkste nieuws is dus: de scripties zijn er nog! En trouwens ook enkele honderden antropologie-scripties, die eveneens in ordnerdozen op lange rijen planken staan. Overigens is deze zolder ontoegankelijk voor de bezoekers van de bibliotheek en zijn deze scripties niet beschreven en dus ook niet op te vragen of uit te lenen.

We zullen er nu voor moeten zorgen dat de scripties worden ingescand en dat de digitale versie wordt ingedeeld volgens een thans gangbaar classificatiesysteem en beschikbaar gesteld aan UB-bezoekers. Dat kost geld en dat geld is op dit moment het grote probleem. Maar er is haast bij: over twee jaar verhuizen we naar het Roeterseiland en deze kasten met ordnerdozen lopen dan werkelijk het gevaar te belanden bij het oud vuil. De medewerkers van de instituutsbibliotheek hanteren, mede dank zij mijn actie, thans het principe dat er geen scriptie meer mag worden weggegooid. Maar ze zijn ervan overtuigd dat in 2013 deze scripties niet zullen meeverhuizen naar het Roeterseiland en dat de kans groot is dat ze dan alsnog zullen sneuvelen. Willen we dit probleem oplossen dan moet er op korte termijn iets gebeuren. Nu kan het nog. Ze zijn er – zo lang het duurt…

Naschrift 2 (april 2014): Alle  oude scripties worden nu, voorjaar 2014, gescand en digitaal gearchiveerd. De verhuizing van de sociologen van het Spinhuis naar het Roeterseiland bleek een groot voordeel met zich mee te brengen: er is geld voor het digitaliseren van alle papieren documenten die niet mee verhuizen. Hulde!

De prachtige machine van Gutenberg, deel twee. Nieuwe gedachten over het e-book

Tien jaar geleden schreef ik voor Sociologisch Mokum (jaargang 2, nummer 3, april 1999) een stukje getiteld ‘De prachtige machine van Gutenberg’. Het onderwerp was: de toekomst van het boek in de internet-tijd. Ik had daar toen net een interessant artikel van Robert Darnton over gelezen. Ik citeer twee alinea’s uit dat stukje van toen:

‘ Wanneer een innovatie snel doorbreekt klinkt er al gauw een kakofonie van commentaren, waarin het de schreeuwerigste uitroepen zijn die de meeste aandacht trekken. Zo ging het aanvankelijk ook met het internet. Ineens verschenen er allerlei cyberspace-goeroe’s in VPRO-programma’s en trendy tijdschriften, die spectaculaire en soms apocalyptische toekomstvisies ontvouwden. Zo zou over een jaar of tien niemand nog een boek (van papier!) ter hand nemen. Intussen zijn we vijf jaar verder en kunnen we de maatschappelijke consequenties beter onderkennen, al blijft het terrein onoverzichtelijk. En nu beginnen ook verstandige mensen voorzichtige uitspraken te doen over wat ons misschien te wachten staat. Zo’n verstandig iemand is Robert Darnton, hoogleraar in de geschiedenis aan Princeton (…) Deze kenner van de lange-termijn-historie van het boek schreef een interessant artikel (…)   Op dit moment zijn honderdduizenden boeken voor iedereen die on line is gratis toegankelijk op het internet. De complete werken van Auguste Comte bij voorbeeld, niet alleen zijn gepubliceerde geschriften, maar ook zijn volledige posthuum gepubliceerde correspondentie, zijn thans op het net te lezen. (http://gallica.bnf.fr/ zoek op Auguste Comte) (…) Het is nog lang niet gedaan met het boek. Eén van de redenen is dat het veel prettiger is om van papier te lezen dan van een beeldscherm. Een volledige verklaring is dat niet, want wie dat wil kan het boek downloaden en uitprinten. Het internet-boek zal het papieren boek voorlopig niet verdrijven, zegt Darnton. Maar nu de overspannen voorspellingen geen aanhang meer hebben, is het tijd om eens een voorzichtige prognose te maken van hoe het verder zal gaan. Boek en `e-book‘ zullen elkaar steeds meer gaan aanvullen. Iemand leest bij voorbeeld op het net een stukje van een boek. Ze merkt dat het haar interesseert, maar op een gegeven moment gaan de ogen en de muis-arm pijn doen en ze besluit om het boek morgen te kopen bij de oude vertrouwde boekhandelaar. Of andersom: iemand leest een studie over de demografische ontwikkeling van allochtonen en autochtonen in Nederland, raakt zeer geïnteresseerd in allerlei inmiddels alweer enigszins verouderde cijfers, en gaat naar www.cbs.nl of naar www.nidi.nl om zijn kennis aan te vullen met de recentste gegevens. Maar dat is slechts het begin. (…)De laatste drie woorden van Darntons artikel zijn zo mooi dat ik er ook hier mee wil eindigen. Het electronische boek, zegt hij, zal gaan fungeren als een supplement bij, maar niet als een substituut voor Gutenberg’s great machine.’

Tot zo ver mijn Somo-bijdrage uit 1999. Inmiddels is er veel veranderd en het belangrijkste is misschien wel de komst van de e-book-readers, die ervoor zorgen dat je een ebook kunt lezen zonder pijnlijke ogen of een muis-arm te krijgen. Een paar jaar geleden kon je voor het eerst zo’n boekenlees-apparaat kopen bij Selexyz: de Iliad. De boekhandelaar adverteerde met paginagrote reclame’s: wees een early adopter. Tegenwoordig ligt hij in elke computerwinkel en de prijs is flink omlaag gegaan. Eigenlijk is het een invalide laptop, die alleen maar de opgeslagen boeken kan weergeven en verder niets. Maar in de trein met zo’n apparaat op schoot naar gestoken scherpe lettertjes kijken komt wel veel dichter in de buurt van de authentieke lees-ervaring dan aan je bureau met je hoofd half naar boven geknikt een stukje van het beeldscherm lezen. Inmiddels zijn er veel nieuwe ebook-lezers op de markt verschenen. De recentste aanwinst is de Sony PRS-600 Touch Edition, die 300 Euro kost en 380 Mb geheugen heeft, goed voor 7500 boekenpagina’s.  De Sony biedt, net als de Bebook 2, een touchscreen dat je met je vingers kunt bedienen, waardoor de leeservaring weer wat realistischer wordt.

Maar al deze prachtige apparaten zullen een stille dood sterven, zo voorspel ik. Want ik heb voor mezelf de allerbeste ebook-reader gekocht die er op de markt is en ik wist dat niet eens toen ik hem afrekende. Tot vier maanden geleden was ik waarschijnlijk de allerlaatste bewoner van het Spinhuis die nog geen mobieltje had. Ik haatte die draagbare telefoontjes en eigenlijk doe ik dat nog altijd.En toch kocht ik op 13 juli, om 13:49 bij T-mobile op het Rokin mijn eerste mobiele telefoon. Ik dacht: als ik dan toch overstag ga, dan ook maar meteen goed. En dus kocht ik de Apple iPhone 3GS, 32 GB voor 200 Euro en met een er aan gekoppeld abonnement van 30 Euro per maand voor twee jaar. Inmiddels is dat een historisch moment in mijn leven gebleken. Natuurlijk, die iPhone is een uitstekend telefoontje (met voice-control), maar daar ging het me helemaal niet om. De iPhone is een complete computer waarmee je, waar je ook bent, kunt emailen en internetten.Daarnaast is het met zijn 32 GB een prachtige iPod.. Je kunt er de complete geremasterde Beatles op zetten en dan heb je nog ruimte genoeg voor alle pianoconcerten van Mozart, alle cantates van Bach en de 555 clavecimbelsonates van Scarlatti. Plus het verzameld werk van AC/DC! Maar dat is niet het mooiste van dit apparaat. Het ontpopt zich als de beste e-reader die je je kunt wensen. De app-store van Apple verkoopt een hele reeks programma’s om boeken te lezen: Classics, Eucalyptus, Stanza, Classics2go, Great Books, eReader en zo nog een paar. De ene is gratis, de andere kost minder dan een Euro, de beste kost bijna 8 Euro. Bij de ene versie scrollt de tekst in grote zwarte letters van onderen naar boven, net als de autocue van de nieuwslezer, waarbij je door de kanteling van het apparaatje in je hand miniem te veranderen het tempo waarmee de tekst voorbij schuift kunt versnellen of vertragen. Dat lijkt  raar, maar het wordt al snel een automatisme en je begint je af te vragen waarom je je vroeger niet ergerde aan dat eeuwige blaadjesomslaan. Bij de andere versie zie je pagina’s met grote, goed leesbare letters (je kunt het font zelf instellen), die je met een soort veegbeweging van je vinger over het aanraakscherm kunt ‘omslaan’. Je ziet dan ook hoe de pagina wordt omgeslagen, wat inderdaad het gevoel versterkt dat je een ‘gewoon’ boek zit te lezen.

Maar nu het mooiste. Heb je eenmaal zo’n lees-programma gekocht, bij voorbeeld het programma Eucalyptus, wat op dit moment mijn favoriet is, dan kun je gratis alle boeken downloaden die zijn opgenomen in de zogenaamde Gutenberg-catalogus, een enorme collectie boeken waar geen auteursrechten meer op rusten. Ik begon met Alice in Wonderland, de Wizzard of Oz en de Kama Soetra. Maar daarna kwam ik er achter dat deze Gutenberg-bibliotheek heel veel overlap vertoonde met de boeken die thuis in de kast staan en die ik vaak raadpleeg voor mijn colleges: ik ontdekte complete versies van Adam Ferguson, An Essay on the History of Civil Society,  Adam Smith, The Wealth of Nations, Tocqueville, On Democracy in America, deel 1 en 2, Marx en Engels, The Communist Manifesto, de complete werken van Darwin (21 delen), Jacob Burckhardt,  The Civilization of the Renaissance in Italy,  Burgess en Park, Introduction to the Science of Sociology. Ook filosofische werken bleken goed vertegenwoordigd: zo haalde ik Montaigne (compleet), Descartes, Hobbes, Locke, Berkeley, Hume, Kant en Schopenhauer naar mijn kleine iPhone. En toen bleek ook een van mijn favorieten, The Anatomy of Melancholy van Robert Burton (1577-1640) te kunnen worden ge-downloaden wel in de onverkorte versie, die je zeer zelden in de betere boekwinkel aantreft..

Het gebeurt vaak zo omstreeks het tweede of derde studiejaar. Plotseling maakt zich van de sociologiestudent een ware leeshonger meester. Ineens krijgt degene die twee jaar geleden nog avonden lang met vrienden voor de TV hing en eindeloos keek naar de Simpsons, South Park en oude afleveringen van Transformers, een onbedwingbare behoefte om nu eens zélf dat boek van Machiavelli te lezen waar de docent telkens naar verwijst, om die Plato te lezen, om eindelijk dat beroemde boek Gulliver’s Travels in handen te nemen. Je bent 23 en je denkt: als ik het nú niet doe, dan loop ik de kans dat ik nooit meer de gelegenheid vind om Candide van Voltaire te lezen (en wat een verrassing als dat klassieke meesterwerk een ontzettend slim en geestig boekje blijkt te zijn). Maar dan is er wel een probleem: als je al die boeken niet van de bibliotheek wilt lenen, maar ze echt zelf permanent tot je beschikking wilt hebben, dan zul je ze moeten kopen en die plotselinge leeshonger gaat jammer genoeg niet gepaard met een plotselinge groei van het huishoudbudget. Allemachtig, wat zijn de 23-jarigen van nu enorm bevoorrecht boven degenen die, zoals ik, 23 waren in de jaren zestig, die treurige tijd waarin de iPhone nog niet bestond. Dat hele boekenbestand staat nu kostenloos tot ieders beschikking. Studenten, profiteer ervan!

Tot slot een voetnoot die bij mij tot veel gepeins leidde. Op 4 september 1852 (in zijn eigen jaartelling: op de 24ste Gutenberg (!) van het jaar 64) publiceerde Auguste Comte een lijst van boeken die naar zijn mening iedere 19e eeuwse mens, en dus ook iedere fabrieksarbeider, behoort te hebben gelezen: La bibliothèque du prolétaire au dix-neuvième siècle. Op die lijst prijken de Ilias, de Odyssee, de werken van Virgilius en Dante, de Don Quichotte van Cervantes, Tom Jones van Fielding, een selectie uit de toneelstukken van Shakespeare, Racine en Voltaire, zes ‘meesterwerken’ (Comte’s eigen aanduiding) van Sir Walter Scott (waaronder Ivanhoe) een selectie uit het verzamelde werk van Goethe en Byron (maar vooral niet diens Don Juan) en de complete 1001 nacht. Om zijn historische kennis op te vijzelen dient de proletatische lezer de Autobiografie te lezen van Benvenuto Cellini en ook Tacitus, Thucidides en Herodotus, benevens de Levens van Plutarchus en de Commentaren van Caesar.  Maar ook behoort iedereen volgens Comte de Bijbel te lezen (compleet, voegt hij er aan toe), de Koran (ook die: compleet), de Bekentenissen van Augustinus, de Pensées van Pascal, de Imitatie van Christus door Thomas a Kempis, de hoofdwerken van Descartes en Bacon  en niet te vergeten de Cours de Philosophie Positive in zes delen en de Politique Positive in vier delen, allebei geschreven door monsieur Augustue Comte, 10, Rue Monsieur-le-Prince, Paris. Die twee werken van Comte zijn in de Gutenberg-verzameling niet terug te vinden, maar al die andere hierboven genoemde boeken die volgens Comte behoren tot het basisprogramma van iedereen die zijn intellectuele ontwikkeling serieus neemt, zijn in een paar seconden naar de iPhone 3GS te teletransporteren. Bezien vanuit het perspectief van Comte leven we in het Paradijs. Maar hoe valt te verklaren dat de boekenverzameling die het Gutenberg-project thans kostenloos beschikbaar stelt en de lijst die Comte samenstelde zo frappant op elkaar lijken?

‘De prachtige machine van Gutenberg, deel twee’. In: Sociologisch Mokum. Jaargang 13 (2009-2010), nummer 2, oktober 2009. Pp. 42-43.