Wij zijn bang. Over het boek van Niek Pas over Provo (juni 2003)

Mijn trein rijdt dwars door het Naardermeer. Het is 15 augustus 1965. Ik ben 17 jaar en ik heb nog niet zo vaak in mijn eentje gereisd op een andere spoorlijn dan Heemstede-Amsterdam. Ik kijk naar buiten en ik zie berkenbomen, riet, lepelaars. Zit ik wel in goede trein? Even totale paniek. Ja hoor, zegt een grijze heer, deze trein gaat naar Hilversum. Het is warm. Die meneer zou eens moeten weten dat die schuwe puisterige puber die schuin tegenover hem zit, over twee uur op de radio zal worden geïnterviewd door niemand minder dan de bekende verslaggever Henk van Stipriaan. Kees de Jongen gaat op reis. Gisteravond nog stond ik bij Het Lieverdje op het Spui waar een zogenaamde happening werd gehouden. Dat feestje liep hevig uit de hand. Ik ben door politieagenten ‘met de blanke sabel’ achterna gezeten en heb een tik met een knuppel op mijn voorhoofd gehad. Zo nu en dan bloedt het nog een beetje. Maar ik heb alles opgenomen met mijn bandrecordertje en nu ben ik onderweg naar de makers van de VARA-actualiteitenrubriek Dingen van de dag. Vanochtend belde ik ze op en ze zeiden dat ze stukjes van mijn geluidsopname wilden uitzenden. Ze leken verbaasd dat iemand die rellen waar de ochtendbladen vol van stonden had geregisteerd op een bandje. Door de telefoon klonk de bekende, warme stem van Henk van Stipriaan die zei dat hij mij wilde interviewen over de gebeurtenissen van gisteravond. Ik wil graag iets vertellen over het ontroerendste spreekkoor dat ik ooit hoorde.

 

Mijn trein rijdt dwars door het Naardermeer. Het is 1 juni 2003. Ik ben 55 jaar oud en ik heb sinds 1965 zelden over deze spoorlijn gereden. Ik kijk naar buiten en ik zie berkenbomen, riet, lepelaars. Zit ik wel in de goede trein? Even totale paniek. Ja hoor, zegt een schuwe puisterige puber, deze trein gaat naar Hilversum. Het is warm. Die jongen zou eens moeten weten dat die grijze heer die schuin tegenover hem zit, over twee uur op de radio zal worden geïnterviewd door niemand minder dan de bekende historicus Jos Palm, oprichter van het Historisch Nieuwsblad. Het Kees de Jongen gevoel is een taai ongerief. Even later zit ik in de VPRO-studio voor het programma OVT. Men zendt delen uit van het bandje dat ik op 14 augustus 1965 opnam. En net als in 1965 vraagt men mij om iets te vertellen over de happening en de politie-actie bij het lieverdje. Toen was het vijftien uur geleden, nu is het 38 jaar geleden. En opnieuw spreek ik over het ontroerendste spreekkoor dat ik ooit hoorde.

 

Honderden mensen dringen op 14 augustus 1965 samen bij het toen nog tamelijk nieuwe beeldje van het lieverdje op het Spui. Ze zijn op een gerucht afgekomen: er gaat iets gebeuren. Maar wat precies? Niemand die het weet. Robert Jasper Grootveld houdt zijn betoverende tirade: dit standbeeld voor een Amsterdams straatgastje is aan de stad Amsterdam geschonken door een grote tabaksfabrikant, een bedrijf dat gespecialiseerd is in het vergiftigen van de bevolking, het beeldje is een presentje van De Grote Dopesyndicaten die de jeugdige Amsterdamse lieverdjes zo snel mogelijk verslaafd willen laten raken aan het sigaretje, uche, uche, uche, dokter, dokter, ik wil een sigaretje, geef me nou toch eens gauw een sigaretje… Ineens komen vanuit de steegjes, vanaf de Nieuwe Zijds en tegelijkertijd ook vanuit de Spuistraat tientallen, misschien wel honderden, politie-agenten, met helmen en schilden, met wapenstokken en knuppels. Soms, in een nachtmerrie, zie ik ze nog wel eens verschijnen, vooral als ik net naar Nova heb gekeken en een politicus heb gezien die hartstochtelijk pleit voor ‘meer blauw op straat’. De mensen worden stil. Er hangt een sfeer van angst. Die agenten, de kenners weten het, die kunnen gemeen hard slaan. Maar ik ben nog geen kenner en ik vraag me af of ze ook slaan op 17-jarige keurige jongetjes uit Heemstede, die met een bandrecordertje opnames komen maken. Er heerst dreiging, beklemming. Iemand schreeuwt: wij zijn bang. Een ander roept terug: wij zijn báng. Een groepje van vijf, tien mensen begint ritmisch te scanderen: wij zijn bang, wij zijn bang. En ineens galmt er een machtig spreekkoor van honderden mensen over het nachtelijke Spui: wij zijn bang! wij zijn bang! wij zijn bang! Op dat moment overkomen me drie dingen. Ten eerste voel ik een diepe ontroering. Een mensencollectief verwoordt spontaan en ongepland de emotie waarvan ieder afzonderlijk enkele minuten geleden nog dacht dat het alleen maar zijn eigen unieke gevoel was. In koor (hier doet het woord ‘spreek-koor’ ineens denken aan het koor in een Griekse tragedie of in de passiemuziek van Bach) geeft men met een soort geuzentrots blijk van een emotie die in andere situaties juist geldt als een teken van zwakte, als iets waarmee je maar beter niet te koop kan lopen. Ten tweede denk ik: gelukkig, nu kan er niet meer geknokt worden, want die agenten kunnen natuurlijk moeilijk gaan inslaan op mensen die ‘Wij zijn bang, wij zijn bang’ roepen. (Dat had ik verkeerd getaxeerd, zo bleek een uurtje later toen ik met een bebloed hoofd door een steegje strompelde, voorgoed bevrijd van dit gedeelte van mijn kinderlijke naïviteit.) En ten derde voel ik me trots over het feit dat ik dit ontroerende moment op mijn bandje heb vastgelegd en meteen denk ik: dit moet op de radio worden uitgezonden, dit moet heel Nederland horen, hiermee moet ik morgen direct naar Hilversum. Involvement and detachment, betrokkenheid en distantie. Ik begon al een beetje een socioloog te worden.

Maar voorlopig werd ik alleen nog maar provo. De op een rel uitgelopen happening bij het Lieverdje werd min of meer opgeëist door een kort daarvoor ontstane groep Amsterdamse oproerkraaiers die zich provo’s noemden. Een paar dagen na de gebeurtenissen interviewde ik voor een Haarlems blaadje, waarvan het eerste nummer nog niet eens verschenen was, met datzelfde bandrecordertje enkele van de meest spraakmakende leden van dat gezelschap: Rob Stolk, Robert Jasper Grootveld en Roel van Duijn. De laatste vroeg me na afloop of ik niet eens een stukje wilde schrijven voor hun blaadje, dat Provo heette. Dat deed ik een paar keer in 1965 en 1966.

En daaraan dank ik in december 2000 het bezoek van Niek Pas. Deze sympathieke Utrechtse historicus vertelt dat hij een proefschrift over Provo aan het schrijven is. Hij wil me graag interviewen en na dat interview blijkt dat hij ook geïnteresseerd is in mijn provo-bandjes en in mijn provo-archief,  een verhuisdoos vol papieren die iets met provo te maken hebben. We luisteren samen uren lang naar die geluidsbanden, voor mij een onvergetelijke dag vol wonderlijke ontroeringen. Niek vertrekt naar Utrecht met mijn hele Provo-archief.

En die eigenaardige kerstdag resulteert nu weer in de uitnodiging voor de radio-uitzending van 1 juni 2003. Het is kwart over tien, ik zit in de VPRO-studio, maar het onderwerp waarvoor ik ben uitgenodigd is nog niet aan de orde. Twee heren, onder wie mijn mede-Spinhuisbewoner Mario Rutten, worden geïnterviewd over de hindoestanen die in 1873 van India naar Suriname werden overgevaren om daar op plantages te gaan werken, de zogenaamde contract-arbeiders. Een treffend detail is dat deze mensen, wanneer ze werden geronseld, meestal helemaal niet begrepen dat die plantages aan de andere kant van de aardbol lagen – ze stelden zich Suriname voor als een provincie van India. Maar ik let niet erg goed op, want naast me aan tafel zit historicus Niek Pas die zijn inmiddels voltooide proefschrift voor zich heeft liggen. Om de uitzending niet te storen gebaar ik: Niek, mag ik even je boek inzien? Het is een vuistdikke pil, zo’n boek dat de Fransen een brique noemen, een baksteen waarmee je je niet alleen intellectueel, maar ook fysiek kunt verweren tegen eventuele aanvallers. De titel is goed gekozen: Imaazje.  Ik blader het door en dan val ik zowat van mijn stoel van verbazing. De ene pagina na de andere over de bekende provo Bart van Heerikhuizen, de Heemsteedse geluidsjager, die met zijn opnames zorgde voor een publicitair stuntje. Ik heb mijn rol in de provo-beweging altijd beschouwd als gelegen in de uiterste periferie. Roel van Duijn, de helaas veel te vroeg overleden Rob Stolk, de geweldige Grootveld, Luud Schimmelpennink van het witte fietsen plan, Bernard de Vries, Hans Metz, Hans Tuijnman, Peter Bronkhorst, en zo kan ik nog wel even doorgaan, dat waren de mannen om wie het draaide, maar niet die schuwe puisterige Heemsteedse scholier met zijn onafscheidelijke bandrecordertje. Ondertussen houd ik hier een boek op schoot dat mij meer eer gunt en de presentator van het programma, die de dissertatie al heeft kunnen lezen, spreekt me er dan ook op aan. Hij citeert direct uit een brief die Roel van Duijn mij schreef in 1965. Hoe ik nu denk over dat citaat, waarin ik word gekwalificeerd als een intellectueel schrijvertje. Alles wat ik weet uit te brengen is: ‘O ja? Schreef hij dat echt? goh….’  Wat denken die mensen? Dat ik mijn correspondentie uit 1965 van tijd tot tijd herlees? Maar de historicus Pas blijkt die oude correspondentie zo ongeveer uit zijn hoofd te kennen en dat pleit natuurlijk voor hem, want hij is hier de provo-historicus, hij moet op dit onderwerp promoveren, niet ik. Dus zeg ik, Nescio indachtig, tegen de presentator: ‘Vraag dat maar aan Niek, die weet er alles van’. Maar gelukkig zijn de bandjes er ook nog.

Het is niet helemaal toevallig dat ik die bandjes maakte en dat ik ze nog altijd bezit. In de zomer van 1965 dacht ik oprecht dat ik getuige was van gebeurtenissen die naderhand wel eens van een enorme betekenis zouden kunnen blijken. Toen ik die opnames maakte stelde ik me al voor hoe ik over veertig jaar zou terugkijken op deze periode in mijn leven. Ik zorgde ervoor om alle nummers van Provo, alle pamfletten, alle exemplaren van het blaadje God, Nederland en Oranje, en ook dat ene exemplaar van het blad De Teleraaf (nee, dat is geen typfout) in mijn bezit te krijgen, want ik voelde dat er een tijd zou komen dat ik heel gelukkig zou zijn om al die documenten uit deze heerlijke periode onder handbereik te hebben. (Ook de gedachte dat dit materiaal nog wel eens veel geld waard zou kunnen worden, was me destijds niet vreemd.) Ik spaarde die spullen en ik maakte die bandjes voor later.Later… Dat later is nu.

Dat besefte ik heel scherp op die kerstdag in 2000 toen Niek Pas me thuis opzocht en tegen me zei dat hij nog een klein probleem had. De hele provo-geschiedenis had hij nu tamelijk nauwgezet gedocumenteerd, maar er zat nog een gat in zijn verhaal en dat bevond zich in het najaar van 1966. Grootveld was een poosje naar het buitenland gegaan, omdat hij zich er in de hete zomer van 1966 met de heftige bouwvak-rellen, zorgen over maakte dat het geweld steeds sterker leek te gaan escaleren. Pas in de loop van het najaar kwam hij terug van Ibiza en toen ging hij toespraken houden in de Brakke Grond. Wat gebeurde daar in dat zaaltje, waar had Grootveld het over, kon ik me daar misschien nog iets van herinneren? En toen sprak ik met een zekere trots de woorden uit waar elke historicus wel eens van moet dromen (of huiveren): ‘Ik heb een van die bijeenkomsten opgenomen met mijn bandrecordertje, ik kan die bandjes zo van zolder halen, zal ik ze je even laten horen?’ Niek Pas keek me net zo verrast aan als een historicus van de Franse revolutie tegen wie je zou zeggen: die bestorming van de Bastille?…, die heb ik op video! Mijn geheugen mag dan te wensen overlaten, de geluidskwaliteit van die bandjes is in de afgelopen 38 jaar niet hoorbaar verminderd. (Ga naar www.vpro.nl/geschiedenis en klik door naar de uitzending van OVT van 1 juni. Niet alleen kun je daar luisteren naar het hele programma, maar de VPRO heeft ook mijn opnames uit 1965 en 1966 op de site gezet.)

Na afloop van de uitzending moest ik Niek Pas zijn proefschrift weer teruggeven. Hij had het nodig: hij  moest er nog op promoveren. Op 5 juni vond die promotie plaats en op 6 juni werd het boek feestelijk ten doop gehouden in de Atheneum Boekwinkel aan het Spui, de plek waar Grootveld vier decennia geleden zijn banvloeken uitsprak tegen de Misselijk Makende Middenstand. Ik schrijf deze woorden op 4 juni, dus ik heb het boek van Niek Pas nog altijd niet kunnen lezen. Ik houd mijn hart vast. Het is vast een goed boek, ik twijfel er niet aan, maar ik vrees dat mijn eigen aandeel te sterk is uitvergroot.

 

Mijn trein rijdt dwars door het Naardermeer. Ik kom uit de radiostudio in Hilversum, ik heb er geluisterd naar mijn eigen bandje met het Wij-zijn-bang-spreekkoor, ik heb commentaar gegeven op dat bandje, ik heb verteld over de happening en over de vechtpartij erna. Zouden de mensen in de coupé wel beseffen dat degene die ontspannen uit het raam kijkt naar de berken, het riet, de lepelaars, een uur geleden op de radio te horen was? Kees de Jongen, het grijze kind, zit in de trein naar huis. Is het 15 augustus 1965, is het 1 juni 2003? Ik voel hoe tussen twee molenstenen de tijd wordt fijngemalen.

 

‘Wij zijn bang’. In: Sociologisch Mokum, Jaargang 2002-2003, nummer van juni 2003. pp. 24-26. Herdrukt in: Bart van Heerikhuizen, Multoblaadjes. Diemen: AMB, 2013. pp. 68-74

Wolframs remedie tegen slapeloosheid. Over cellulaire automaten

Ik kon vannacht niet slapen. Vanmorgen om kwart voor zeven zat ik heel slaperig in de huiskamer en probeerde ik me te concentreren op een boek met de veelbelovende titel A New Kind of Science. Dat lukte niet erg en dus zappte ik maar wat langs de tv-kanalen. Ik kwam terecht in een vuurgevecht tussen Amerikaanse en Irakese militairen waar ik vier uur lang gefascineerd naar bleef kijken, terwijl mijn huisgenoten het ontbijt zonder mij moesten gebruiken. De verslaggevers raakten niet uitgejuicht over het feit dat dit vandaag, 23 maart 2003,  de eerste keer was in de geschiedenis van de Mensheid dat een veldslag in de huiskamer kon worden gevolgd in real time. Het deed me in de verte denken aan een sportwedstrijd, maar dan wel één die minstens even saai was om te zien als het programma Die schönsten Bahnstrecken Deutschlands. Dat was misschien wel het wonderlijkste: dat zo’n gevecht op leven en dood er zo stomvervelend uit ziet. Dat hadden al die geleerde studies over oorlog en geweld er nooit bij verteld. Ik probeerde me weer in mijn boek te verdiepen en deze keer lukte het beter.

Mij zijn slechts vijf mensen bekend die meenden de sleutel tot de oplossing van het wereldraadsel in handen te hebben: vier leefden in de negentiende eeuw, de vijfde publiceerde zijn magnum opus minder dan een jaar geleden, mei 2002. Er zijn tal van schrijvers, zoals Jorge Luis Borges en Harry Mulisch, die de indruk weten te wekken dat ze het raadsel der raadsels hebben opgelost, maar dat zijn literaire kunstenaars, wier wonderbaarlijke formules slechts geldig zijn binnen een door henzelf geschapen universum. Er zijn ook vrolijke science fiction auteurs, zoals Douglas Adams die in The Hitchhikers Guide to the Galaxy laat weten dat het getal 42 het antwoord is op alle vragen. En dan heb je ook nog de filosoof Bertrand Russell, die midden in de nacht wakker werd en plotseling de formule kende die alle vragen voorgoed zou oplossen. Hij schreef deze zin op, viel direct weer in slaap, maar herinnerde zich de volgende ochtend de gebeurtenis nog uitstekend. Naast zijn bed lag een briefje met daarop de inderhaast geschreven tekst: A strong smell of terpentine pervades all.

Nee, waar het me hier om gaat zijn die wonderlijke vijf mannen die er ten diepste van overtuigd waren dat ze het wereldraadsel werkelijk hadden ontsluierd, niets minder dan dat. De vier 19e eeuwse filosofen heetten Hegel, Comte, Schopenhauer en Spencer. Alle vier schreven ze dikke, meerdelige boeken, gevolgd door allerlei uitbreidingen en commentaren. Spencer had tien delen nodig voor zijn Synthetic Philosophy;  Schopenhauer dacht dat hij het met één deel af kon, Die Welt als Wille und Vorstellung, maar de rest van zijn leven bleef hij aanvullingen en toelichtingen schrijven op zijn aanvankelijk door niemand begrepen meesterwerk. Ik moet bekennen dat ik van dit viertal de diepste sympathie voelde voor Schopenhauer tot ik er achter kwam dat hij akelig antisemitische teksten op zijn naam had staan. Het is niet leuk om iemand te adoreren, die eveneens door Adolf Hitler wordt genoemd als zijn favoriete auteur. (zie daarover: Georg Leyrer: Das Überindividuum, een geheel op het internet gepubliceerd proefschrift over Schopenhauer, waarin veel te vinden is over de belangstelling van de Führer en meer in het algemeen van de nationaal socialisten voor Schopenhauer).

Schopenhauer schreef een leesbaar, geestig en prachtig soort Duits, heel anders dan Hegel aan wie hij dan ook een geweldige hekel had. Als je Schopenhauers boek begint te lezen weet hij je al in het voorwoord aan het lachen te maken. Daar zegt hij namelijk dat je ten eerste zijn vorige boek moet lezen, dat je ten tweede het boek dat je zojuist hebt aangeschaft minstens twee keer dient te lezen, dat je ten derde de verzamelde werken van de grote Kant moet bestuderen, omdat je er anders niets van zult snappen, dat het ten vierde geen slecht idee is om ook eerst nog even Plato te lezen, en dat hij er ten vijfde van uit gaat dat je bekend bent met de Oosterse wijsbegeerte. (Hitler nam deze laatste aanbeveling zo serieus dat hij zich stortte op de Veda’s en daarbij een kruis-achtig figuurtje tegen kwam, dat we intussen allemaal kennen.)

De man die in de 21ste eeuw een even dik, even bizar, even geëxalteerd en even inspirerend boek schreef als Hegel, Comte, Spencer en Schopenhauer heet Stephen Wolfram. Zijn boek, A New Kind of Science, dat in Nederland 71 Euro kost, 1200 pagina’s dik is en moeilijk te volgen voor wie niet thuis is in de geavanceerde wiskunde, prijkt al maanden bovenaan de Amerikaanse lijstjes van best verkochte non-fictie boeken. Het ligt in de VS op de koffietafel van elke bijdetijdse intellectueel. Op het internet wemelt het van de discussies over dit boek.

Wolfram toont al direct op de laatste pagina van zijn inleiding dat hij behoort tot het slag van de mavericks, waartoe ook Comte en Schopenhauer behoorden. Hij schrijft daar dat het hem meer dan tien jaar van ononderbroken arbeid heeft gekost om dit boek te schrijven, dat hij meer dan honderd miljoen aanslagen op zijn keyboard nodig had, dat zijn muis meer dan honderd mijl heeft afgelegd, dat hij meer dan een miljoen maal een miljard computer-operaties heeft uitgevoerd. Hij drukt het plaatje af bij de aanschouwing waarvan hij het briljante idee kreeg waar zijn boek op is gebaseerd en hij gaat serieus op de vraag in hoe het mogelijk is dat niemand vóór hem ooit op dit fantastische idee is gekomen. Wie kan een schrijver die zo begint nog serieus nemen? Ik! Die toon ken ik! Hier hoor ik Schopenhauer, mijn antisemitische, misogyne, misantropische ex-held, hier echo’t de megalomanie van Comte in door, dit is de toon van Spencer, die dacht dat in de formule Van onbepaald en homogeen naar bepaald en heterogeen alle andere vragen konden worden opgelost.

Er is nog iets dat Wolfram gemeen heeft met deze 19e eeuwse filosofen: hij is een eenzame denker. Wolfram verwijst nauwelijks naar andere schrijvers, er staat nergens een rechtsreeks citaat in zijn boek, de studie is uitgegeven door zijn eigen firma, Wolfram Incorporated, hij bedankt in het voorwoord zo idioot veel mensen in een zo klein lettertype dat hij eigenlijk niemand bedankt. Dit is een man die zijn eigen koers vaart, een loner. En al gaat dat helemaal in tegen het ethos van de wetenschap, soms is het een signaal dat hier iemand aan het woord is die werkelijk iets te zeggen heeft.

De centrale gedachte van Wolfram luidt dat de voortgang in veel wetenschappen, inclusief de sociale wetenschappen, berust op slimme toepassingen van de traditionele wiskunde, maar dat die wetenschappen daarmee een dwaalweg hebben ingeslagen. Denk bij voorbeeld aan hoe in de vroege sociologie wiskundige formules werden toegepast op cijfers die te voorschijn kwamen bij het samenvoegen van grote aantallen statistische gegevens. Eén van de beroemdste toepassers van dergelijke modellen was de Belgische astronoom, statisticus en wiskundige Alphonse Quetelet aan wie we de beroemde curve van de normaalverdeling danken (die meestal wordt aangeduid als de curve van Gauss). Maar reeds in de zeventiende eeuw waren er wiskundigen, zoals de Nederlander Huygens, die wiskundige kunsten loslieten op bij voorbeeld sterfte-tabellen.  Dat de wiskundige behandeling van de kwantificeerbare aspecten van mensensamenlevingen vaak weinig bijzonders oplevert is een eigenaardig feit waar de sociale wetenschappen al meer dan twee eeuwen mee worstelen. Vandaar dat hedendaagse sociologen gretig zoeken naar modellen die meer opleveren, vruchtbaarder zijn. Wolfram noemt als voorlopers van zijn eigen aanpak: kunstmatige intelligentie, catastrofe-theorie, chaos-theorie, complexiteits-theorie, cybernetica (Van Doorn en Lammers waren er in de jaren zestig al enthousiast over), evolutietheorie, algemene systeem-theorie (Parsons, die op zijn beurt weer werd beïnvloed door Pareto, zag er een grote toekomst voor weggelegd), theorieën over grote netwerken, die Wolfram schaart onder de algemene systeem theorie, en tenslotte theorieën over zelf-organisatie. Wolfram noemt er nog een paar, maar de hier genoemde ben ik wel eens tegengekomen in werk van sociologen die hiervan veel heil verwachtten. Welnu, zegt Wolfram, al die benaderingen zijn erg interessant, maar toch schieten ze tekort. De enige juiste is de mijne.

Zijn aanpak wordt aangeduid met het acronym CA en die letters staan niet voor Culturele Antropologie, maar voor Cellulaire Automaat. Men neme een velletje ruitjespapier. Elk vierkantje heet een cel. Zo’n cel is ofwel zwart ofwel wit. Hij zou ook een andere kleur kunnen hebben, maar de schoonheid van de theorie is nu juist dat hij uitgaat van een heel simpel begin, dus zwart en wit zijn voorlopig genoeg. Elke horizontale rij cellen vertegenwoordigt een stap in een ontwikkeling, dus de bovenste rij is stap 1, de tweede rij is stap 2, en zo voort. Men bedenke een bepaalde regel, bij voorbeeld de regel dat een vakje zwart wordt als het zelf zwart is of als een van zijn buren, ter linker- of rechterzijde, zwart is. Of bij voorbeeld dat een zwart vakje wit wordt als bij de vorige stap allebei zijn buren wit waren. Vervolgens maak je een vakje in de bovenste rij zwart en dan onderzoek je wat er gebeurt in stap 2, stap 3, stap 4. Wolfram experimenteert met allerlei regels. De hedendaagse snelle computers, voorzien van software die is ontwikkeld door het succesvolle bedrijf van Wolfram zelf, de maker van het befaamde programma Mathematica, kunnen nu niet alleen uitrekenen wat er gebeurt in stap 100, maar ook wat er gebeurt als je de zogenaamde regel 110 in totaal 3200 stappen laat maken, een actie waarvoor je, schrijft de auteur niet zonder trots, de computer 12 miljoen keer moet laten uitrekenen of een vakje zwart dan wel wit wordt. De patronen die bij toepassing van die interessante regel 110 ontstaan zijn fascinerend. Het boek is zijn geld alleen al waard vanwege de schitterende illustraties, die je direct zou willen inlijsten en aan de muur hangen. Regelmatige patronen van diagonale strepen worden onverwachts doorbroken door wonderlijke druipende neerwaartse lijnen, grotere en kleinere driehoekjes vormen een flinterdun spinrag. Eenvoudige regels leveren figuren op die doen denken aan zeewieren, de nerven van vlindervleugeltjes, de ribbels op schelpen, de reflectie van de zon op een meertje dat is geschilderd door Bob Ross. Het lijkt alsof de gehele schepping te herleiden is tot een handjevol eenvoudige computerregels, codes die een kind kan verzinnen. En misschien is dat ook wel zo en worden alle vormen die we in de wereld menen waar te nemen geproduceerd door een aantal relatief simpele voorschriften, die door een metafysische cellulaire automaat net zo lang worden doorberekend totdat ze op de neurale netwerken in onze hoofden de indruk maken van boomblaadjes, steentjes langs de spoorlijn, de porieën in de hals van de geliefde, een pianowerk van Philip Glass. Hoe meer je nadenkt over wat Wolfram beweert, des te sterker vraag je je af of de makers van de film The Matrix niet op een veel diepere manier gelijk hadden dan ze dachten. (Ze beseften het zelf beslist niet, want ze werden geïnspireerd door Franse postmoderne filosofen, zoveel wordt wel duidelijk uit the making of.) Het boek biedt veel stof ter overweging voor filosofen die zich aangetrokken voelen tot het metafysisch idealisme.

Maar het biedt ook aanknopingspunten voor de sociologie, zoals Wolfram zelf ook betoogt, reeds op pagina 9 van zijn boek. De verschijnselen waar de beoefenaren van de sociale wetenschappen zich mee geconfronteerd zien, zegt hij, kunnen wellicht beter worden opgelost als je de methoden gebruikt van het nieuwe soort wetenschap, dat in dit boek wordt onderzocht. Hun object leent zich immers slecht voor analyse met behulp van de traditionele wiskunde, de cellulaire automaten zijn hier een echte uitkomst.

Vanuit mijn ooghoek zag ik ondertussen dat het televisiegevecht nog niet voorbij was. Hoe zal deze oorlog aflopen? Wie hem uiteindelijk zal winnen, zeggen de militaire experts, is niet zo moeilijk te voorspellen. Is dat wel waar? Wat zal de uitkomst zijn? Wat voor een regime zal Irak gaan regeren, hoe zal het gaan met de Koerden, wat wordt de toekomst voor Israël, voor de Palestijnen, voor de Koeweiti’s? De sociale wetenschappen bestaan nu tweehonderd jaar en op zulke vragen hebben ze al twee eeuwen lang nog geen begin van een antwoord. Voorspelling is volgens Comte de essentie van de sociologie, de proof of the pudding, maar tot nu toe kunnen sociologen haast niets voorzien, net zo min als economen, politicologen of meteorologen. Maar als je nu eens een cellulaire automaat op die oorlog zou loslaten…

Stephen Wolfram is een megalomaan genie, maar zijn succesvolle carrière toont dat hij ook iemand is die heel goed weet hoe hij veel geld kan verdienen. Het zou me niet verbazen als het Pentagon in zijn werk geïnteresseerd is. In een lijstje met mogelijke toepassingen van zijn benadering noemt hij allerlei terreinen op, maar oorlogvoering is daar niet bij. Toch lijkt zijn theorie, die zo goed laat zien hoe rare, onverwachte, chaotische effecten voortkomen uit heel eenvoudige beginsituaties, juist zeer geschikt om de bizarre verwikkelingen van een oorlog al in een vroeg stadium te kunnen zien aankomen. Ik bladerde in dit boek, zag de vreemde uitbarstingen die geproduceerd werden door de simpelste voorschriften en ineens dacht ik: misschien gaan die Amerikanen en Britten de oorlog wel verliezen. En dat vond ik een zo angstaanjagende gedachte dat ik pardoes in slaap viel, op de bank, op deze lente-achtige zondagmiddag, met in mijn hand de afstandsbediening en op mijn knieën het wonderlijkste boek dat ik in jaren heb gelezen.

 

‘Wolframs remedie tegen slapeloosheid.’ In: Sociologisch Mokum, Jaargang 2001-2002), nummer van maart 2003. pp. 23-25.

De pornografische wortels van de sociologie

Ik draag dit stukje met liefde en bewondering op aan mijn te vroeg overleden collega Dorelies Kraakman, die hartstocht voor de sociologie wist te paren aan passie voor de pornografie.

Vanaf welk jaar kun je met recht spreken van sociologie als een min of meer serieuze intellectuele onderneming? Als je meent dat strenge methodologische spelregels de sociologie als discipline definiëren, dan kun je met enig recht volhouden dat het vak sociologie pas werkelijk tot bloei kwam omstreeks de tweede wereldoorlog, de tijd waarin Samuel Stouffer de grote survey-onderzoeken coördineerde die later zouden uitmonden in de baanbrekende studie The American Soldier. Een dergelijke opvatting is uitzonderlijk. De meeste beoefenaars van de sociologie zouden niet graag Durkheim, Simmel en Weber buitensluiten. En wanneer je Tocqueville, Marx en Spencer ziet als belangrijke sociologische denkers, dan is het vak zeker anderhalve eeuw oud.

Een helder maar niettemin betwistbaar criterium is natuurlijk de verschijning van het woord sociologie. Daarover zijn we goed geïnformeerd, omdat de term sociologie een neologisme is waarvan de maker bekend is: Auguste Comte. We weten precies in welk jaar Comte het woord waarmee hij het oudere begrip la physique sociale, de sociale natuurkunde, verving, voor het eerst in druk publiceerde. Dat was in deel vier van de Cours de philosophie positive en het jaar was 1838. De sociologie is thans dus 164 jaar oud.

Het criterium is betwistbaar omdat het opkomen van een nieuw woord niet zozeer het begin is van een nieuwe stijl van wetenschappelijk denken, maar beter gezien kan worden als het eindpunt van een voorafgaande ontwikkeling, waarin allerlei onder verschillende benamingen naast elkaar bestaande wetenschappelijke beschouwingen van het menselijk samenleven tenslotte bijeenkomen in een discipline met een eigen naam. Aan die mijlpaal van 1838 was een heleboel vooraf gegaan dat moeiteloos als sociologie kan worden aangemerkt.

Het werk van Comte was de culminatie van een ontwikkeling die al veel eerder was ingezet, zoals uitvoerig is gedocumenteerd door Johan Heilbron in zijn studie Het ontstaan van de sociologie, een proefschrift dat vooral ingaat op auteurs die actief waren voordat Comte ten tonele verscheen.

De 18e eeuw heeft een lange reeks zeer interessante denkers opgeleverd, maar mijn bewondering is toch het grootst voor de Schotse moraalfilosoof Adam Smith. Ieder jaar dwingt het onderwijsprogramma me tot de aangename plicht om het fragment over de speldenfabriek te herlezen, de eerste pagina’s van zijn meesterwerk, The Wealth of Nations (1776), en ieder jaar raak ik weer onder de indruk van de helderheid van de redenering, de licht-ironische ondertoon, de hoffelijkheid van de stijl. Eén van de kernzinnen in dit fragment en trouwens in het hele boek is dat we onze dagelijkse maaltijd niet danken aan de welwillendheid van de bakker, de slager en de brouwer (in het Engels allitereert het prettiger: the baker, the butcher, the brewer, waarbij men moet bedenken dat het hier gaat om de drie basis-voedingsstoffen, in een tijd dat bier een veiliger drank was dan water), maar aan hun inzicht in hun eigenbelang. We doen geen beroep op hun medemenselijkheid maar op hun self love. En het wonderlijke is dat als ieder mens nu maar nauwgezet de bevordering van zijn eigenbelang nastreeft, de verweving van al die handelingen zal leiden tot de grootst mogelijke voorspoed voor de samenleving als geheel. Het lijkt wel alsof een onzichtbare hand ervoor zorgt dat al die op particulier gewin gerichte handelingen voeren tot een resultaat dat in het voordeel is van iedereen.

Deze gedachte ontleende Smith aan het werk van een eerdere auteur, aan wie hij ook de term division of labour, het belangrijkste begrip in zijn boek, had ontleend: Bernard de Mandeville (1670-1733). In de beroemde editie die Edwin Cannan in 1904 maakte van The Wealth of Nations staat al bij de eerste zin van het eerste hoofdstuk een voetnoot waarin de geleerde commentator wijst op de invloed van Mandeville op Smith. Deze Mandeville had een boek geschreven dat Smith grondig moet hebben bestudeerd. Het was een satirisch gedicht over het menselijk samenleven: The Fable of the Bees. Dat boek verscheen in 1705, maar in 1714 schreef hij een veel dikkere studie, waarin hij nauwkeurig uiteenzette wat hij precies met die fabel had willen aantonen. Het is dat boek waar Smith de term division of labour aan ontleent. Smith nam bovendien het inzicht over van Mandeville dat wat op het niveau van het individu egoïstisch is, op het niveau van de collectiviteit kan uitpakken als weldadig voor iedereen. In het werk van Smith gaat het over individuele ‘eigenliefde’ die kan leiden tot sociale voorspoed, maar Mandeville formuleert de tegenstelling minder subtiel. De ondertitel van zijn boek luidt namelijk: private vices, public benefits. Het doel van het betoog van Mandeville is aan te tonen dat het de slechtste trekken van de menselijke natuur zijn, de gemeenheid, het egoïsme, de ijdelheid, de hebzucht, die juist de stevigste bouwstenen vormen voor een stabiele en voorspoedige samenleving. De fabel beschrijft uitvoerig hoe de bijenkorf langzaam maar zeker ten onder gaat vanaf het moment waarop de bewoners door een goddelijke vervloeking van de ene dag op de andere tot zondeloze braveriken zijn gemaakt. Het is juist de slechtheid op het niveau van de enkeling die leidt tot het grootste goed op het niveau van de collectiviteit, zegt Mandeville. Geen wonder dat de Britse predikanten in zijn tijd deze allochtoon beschouwden als een apologeet van de misdadigheid.

Mandeville was namelijk geen Engelsman, hij kwam van over de Noordzee. En al doet zijn Franse naam anders vermoeden, hij was een Nederlander, geboren in Rotterdam en gepromoveerd aan de Universiteit van Leiden in 1691. We kunnen dus met een zeker chauvinisme constateren dat een van de grondgedachten van de sociologie, namelijk het idee dat er een discontinuïteit bestaat tussen bedoelingen en handelingen van enkelingen en de doorwerkingen daarvan op het niveau van de sociale figuratie als geheel, voor het eerst werd geformuleerd door een man die was geboren en getogen in de Lage Landen.

Maar hoe kwam Mandeville aan het nieuwe en wonderlijke idee dat private vices kunnen leiden tot public benefits? Op die vraag is onlangs een verrassend antwoord gekomen. Het is te vinden in het boeiende proefschrift van Inger Leemans, getiteld Het woord is aan de onderkant. Radicale ideeën in Nederlandse pornografische romans, 1670-1700. Het is eigenlijk een raar boek, want de schrijfster doet precies het omgekeerde van wat veel andere schrijvers over pornografie doen. Terwijl menige literatuurwetenschapper probeert aan te tonen dat D.H. Lawrence, Henri Miller, Anaïs Nin, Jan Wolkers of Heere Heeresma, helemaal geen pornografie schreven, hoewel je dat bij oppervlakkige lezing wel zou kunnen denken, doet Leemans het tegendeel. Zij wil van een groep 17e eeuwse boeken die tot dusverre altijd werden aangemerkt als boertige, kluchtige werkjes met een wat rauwe toon, bewijzen dat ze wel degelijk pornografisch van opzet waren en daarmee kunnen worden gezien als voorlopers van de grote golf  Franse 18e eeuwse pornografische boeken, waar Dorelies Kraakman zo veel over wist. Ik ben geen expert, maar ik vond Leemans overtuigend. Zoals wij vandaag de dag niet meer van harte kunnen lachen om een 17e eeuwse mop, zo kunnen we ook niet meer erotisch geprikkeld worden door een 17e eeuwse pornografische roman, maar dat de geciteerde passages de bedoeling hadden om de lusten van de toenmalige lezers te wekken, lijkt heel plausibel.

In deze Nederlandse 17e eeuwse pornografische boeken wordt een radicale moraalfilosofie naar voren gebracht. De mens dient onder ogen te zien dat hij door de hartstochten wordt geregeerd, het is het zelfzuchtig genotsbejag dat ons handelen bepaalt. Men zou de samenleving dienen te organiseren op basis van het beginsel dat de maatschappij wel vaart dank zij de ondeugden die wij beweren af te keuren. Dit is precies wat Mandeville met zo veel woorden schrijft in zijn fabel van de bijen, het is het inzicht dat hem tot zijn sociologische scherpzinnigheden bracht.

Maar is nu ook aannemelijk te maken dat Mandeville deze denkbeelden werkelijk had gelezen in de pornografische romans die in Holland circuleerden in de jaren dat hij daar studeerde? Leemans biedt hier veel circumstantial evidence. Mandeville, zegt ze, werd in zijn studentenjaren beïnvloed door Descartes, La Rochefoucault, Montaigne, Bayle en Hobbes. Maar ook de Nederlandse erotische literatuur moet hij in handen hebben gehad. Ik citeer een stukje: ‘Maar we kunnen er niet aan voorbij gaan dat Mandeville zich wat het lezen van Nederlandse porno betreft op de juiste tijd en op de juiste plaats bevond. Midden jaren tachtig in het vrijdenkende studentenmilieu van Leiden zullen de boekjes hun grootste circulatie hebben gehad. Voor iemand met radicale denkbeelden, of althans de neiging daartoe, en een pornografische interesse, moet het een voor de hand liggende stap zijn geweest deze boekjes te lezen. Mandeville geeft in verschillende van zijn latere werken duidelijk blijk van pornografische interesse. (…) Het boek waarmee Mandeville het dichtst bij de pornografie komt, is weer een betogend boek: A modest defence of publick stews; or, an essay upon whoring, as it is now practis’d in these kingdoms. (1724) (…) Als het zo is dat Mandeville sommige van de Nederlandse pornoromans heeft gelezen, dan heeft hij er, getuige zijn werk, duidelijk zijn voordeel mee gedaan. Het zou zelfs iets meer verklaren waar Mandeville zijn onbeschaamde en consequent doorgevoerde radicale ideeën en de libertijns-erotische formulering daarvan, vandaan heeft.’

Als Inger Leemans gelijk heeft, dan is de stelling verdedigbaar dat de sociologie, niet alleen de Nederlandse sociologie, maar alle sociologie ter wereld, wortels heeft in de Nederlandse pornografische romans uit de periode 1670-1700.

Dit vond ik een paar maanden geleden, toen ik het boek van Inger Leemans las, een grappig idee en ik wilde het voorleggen aan de expert op het gebied van pornografie en sociologie. Net toen ik mijn fiets afsloot, kwam Dorelies het binnenplaatsje van het Spinhuis oplopen. Ik holde op haar af en vertelde haar hetgeen hierboven staat. Dorelies zei dat ze met Inger Leemans in een radio-programma was opgetreden en dat het een goede onderzoekster en bovendien een bijzonder aardige vrouw was. ‘Jawel’, zei ik, ‘maar wat vind je nou van het idee dat de sociologie dus eigenlijk wortels heeft in de Nederlandse 17e eeuwse pornografie?’ ‘Ja, hoor eens’, zei Dorelies, ‘dat weet ik zo gauw niet, we hebben het er nog wel eens over. Bart, sorry hoor, maar ik ben eigenlijk op weg naar een bijeenkomst, ik ben al te laat, ik zie je nog, dag’ – en ze stormde naar binnen. Ik keek haar na en ik dacht: je kan me nog meer vertellen, deze mevrouw barst van de levenslust, laat die dokters maar kletsen, Dorelies gaat nog wel een poosje mee, die is nog lang niet dood. Het was de laatste keer dat ik haar in leven zag.

 

Dorelies Kraakman, Kermis in de hel. Vrouwen en het pornografisch universum van de ‘Enfer’, 1750-1850. Universteit van Amsterdam, 1997.

Inger Leemans, Het woord is aan de onderkant. Radicale ideeën in de Nederlandse pornografische romans, 1670-1700. Vantilt, 2002.

 

‘De pornografische wortels van de sociologie’. In: Sociologisch Mokum, Jaargang 6 (2002-2003), nummer 1. november 2002. pp. 28-30. [Door de redactie afgedrukt onder de titel: ‘Sociologie was pornografie’] Herdrukt onder de titel ‘De pornografische wortels van de sociologie’ in: Bart van Heerikhuizen, Multoblaadjes. Diemen: AMB, 2013. pp. 148-153.

In het echt is ze nog veel mooier. Over het huwelijk van Willem Alexander en Maxima (2002)

1. Exploratieve sociologie

 

Het is niet eens een leuk grapje: een student in de sociologie die naar het café gaat onder het uitspreken van de zin: ‘Ik ga nog even onderzoek doen’. Maar dat ik op 2 februari 2002 ging kijken naar de rondrit van de jonggehuwden in de gouden koets was wel degelijk omdat ik hoopte daar dingen te zullen zien die me materiaal zouden verschaffen voor mijn college over affectieve bindingen. Had ik dat motief niet gehad, dan zou ik lui voor de TV zijn blijven zitten en dat zou jammer zijn geweest, want het werd één van de interessantste en trouwens ook leukste ochtenden in mijn leven.

Nauwelijks had ik de binnenstad betreden of achter me werden de bruggen over de slotgracht opgehaald: ik kon het gebied rondom de Kalverstraat niet meer verlaten. De gehele route van de gouden koets – Dam, Nieuwezijds, Spui, Singel, Munt, Rokin, Dam – was hermetisch afgesloten, niemand mocht het gebied dat door deze straten werd omgeven nog in of uit. Dat duurde van ongeveer twaalf uur tot ongeveer twee uur, het einde van de rondrit. Geen onvertogen woord heb ik er over gelezen, hoewel het voor de ongelukkige journalisten die aan de buitenkant van de ring stonden toch buitengewoon ergerlijk moet zijn geweest dat ze de binnenstad niet meer in konden. Hier perkte de overheid de bewegingsvrijheid van de burger op krasse wijze in, zonder dat het iemand iets leek te kunnen schelen. En ik moet bekennen dat ook ik, opgesloten in het feestelijkste stukje van Europa, geen last had van claustrofobie. Ik was er vooral trots op dat ik me precies op tijd had laten insluiten in het oog van de wervelstorm.

Een gevolg was dat er weinig mensen in dit stukje van Amsterdam waren: de overgrote meerderheid van de feestvierders bevond zich buiten het afgezette deel. Wie na half elf naar het Spui wilde, ontdekte dat dat niet meer mocht. En dus bevond ik me in een gebied dat voornamelijk werd bevolkt door politie-agenten, velen in uniform, maar nog veel meer in burger: stoere mannen en vrouwen in opvallend onopvallende kleding en met een zwart knopje in hun oor. Het leek alsof ze mij niet zagen, maar toen ik mijn rode sjaal uit de zak van mijn jas probeerde te trekken en daarbij wat stond te stuntelen, merkte ik ineens dat vier potige heren zich rondom mij hadden geposteerd en belangstellend stonden af te wachten wat er precies uit die jaszak kwam.

 

2. Historische sociologie

 

Terwijl ik had gehoopt waarnemingen te doen die het college over de affectieve bindingen ten goede zouden komen, zag ik in eerste instantie meer dat het hoofdstuk over de politieke bindingen kon ondersteunen. Op deze ochtend die werd overheerst door vrolijkheid, zonnigheid, geweldloosheid zag ik overal om me heen geweld. Er was een angstaanjagende samengaan van een overdaad aan symbolisch geweld met een overdaad aan werkelijk geweld. Hier trouwde een nazaat van de feodale adel, de specialisten vanhet moorden, en dat zouden we weten ook. Langs de hele route zag men militairen excerceren, huzaren paraderen, mariniers marcheren. En al die geweldsspecialisten droegen duidelijk zichtbaar de instrumenten die ontworpen zijn om er mensen mee te doden: de sabels blonken schitterend in het zonlicht, de antieke musketten staken trots in de lucht. En allemaal weerspiegelden ze natuurlijk vooral het militaire tenue van de bruidegom. Langs de hele route was zowel aan de binnenkant als aan de buitenkant een menselijke muur van duidelijk zichtbaar bewapende militairen, die eenieder die de koninklijk paar kwaad wilde doen duidelijk lieten zien dat dat een vruchteloze onderneming was. Maar ook die twee muren van menselijk geweld zou je nog als symbolisch kunnen opvatten. Dat gold niet voor de geüniformeerde en niet geüniformeerde leden van het politie-apparaat, die de binnenstad transformeerden tot een militair fort. De vrolijke oranjeklanten vormden in deze inner city een verwaarloosbare minderheid, je voelde je opgesloten in een politie-kazerne. En dan was er het onzichtbare geweld: de duizenden observatie-kamera’s, de sluipschutters op de daken (wie in de binnenstad woonde en zo dom was om mop dit tijdstip het dak van zijn eigen huis te betreden, bij voorbeeld om de stoet mooi van bovenaf te kunnen zien, die zou er zonder pardon worden afgeschoten, zo had de politie de bewoners laten weten – althans dat vertelde Nelleke Noordervliet later in een televisie-interview), de vele helicopters in de lucht, waaronder een high-tech helicopter, die geen geluid maakte en die apparatuur bevatte die zo nauwkeurig was dat hij kon waarnemen dat in mijn jaszak een sjaal en geen revolver zat. En tussen dat mimetische geweld van de bejaarde veteranen, die te oud leken om hun geweren nog te kunnen dragen en het realistische geweld van de sluipschutters zaten geleidelijke overgangen, die ervoor zorgden dat echt en onecht door elkaar heen stroomden in postmoderne versmelting.

 

3. Sciëntistische sociologie

 

Samenlevingen worden bijeen gehouden door geweld en door consensus, door dwang en door gedeelde opvattingen, vaak zichtbaar gemaakt in collectieve symbolen. Van het eerste was veel te zien, van het tweede niet minder. Door de republikeinse stad Amsterdam golfde enthousiasme voor het huis van Oranje. Bovendien was het een heel vrolijk en ontspannen soort royalisme, niet het benauwde orangeisme dat zijn eigen onzekerheid onderdrukt door vermeende tegenstanders te lijf te gaan, maar een royale, tolerante koningsgezindheid, een gevoel dat door de betrokkenen werd ervaren als te vanzelfsprekend om nog verdedigd te hoeven worden. Het duidelijkst werd dat zichtbaar op het Koningsplein dat voor de gelegenheid door de anti-monachisten was omgedoopt in het Witte Plein (een NOS-verslaggever zei trouwens dat het befaamde Witteplein in Amsterdam voor de bijzondere gelegenheid was omgedoopt tot Koningsplein), waar ik voor en na mijn opsluiting een poosje rondhing. Terwijl ik me uit de jaren zestig herinnerde hoe agressief en vechtlustig de fanatieke koningsgezinden soms konden zijn, zag ik nu hoe in oranje kleren en met kroontjes getooide oranjeklanten heel belangstellend de stalletjes afliepen waar de antimonarchisten (Aad Veldhoen verkocht hier een anti-Alexander prent) hun waren aan de man brachten. Trouwens, ook het omgekeerde was het geval: de demonstranten waren buitengewoon vriendelijk tegen degenen die zo’n 35 jaar geleden werden veracht als de leden van het klootjesvolk. In elk geval vonden de sociologiestudenten die ik hier sprak het bijzonder begrijpelijk dat ik ging kijken naar de gouden koets; ze vonden het geloof ik een beetje jammer dat ze dat van zichzelf niet mochten.

Maar hoe warm en vanzelfsprekend de consensus ook was, hij was niet compleet. Ten eerste waren daar natuurlijk die demonstranten die met ongelooflijk veel herrie (waarom moet protest toch zo veel lawaai maken?) lieten weten dat ze niet wensten mee te doen aan deze ‘poppenkast’. Ten tweede deed ik de politiek correcte, maar daarom nog niet minder correcte observatie dat langs de route vrijwel alleen maar witte mensen stonden. De Turken, Marokkanen en Surinamers die ik waarnam hadden ofwel een politie-uniform aan, ofwel een politie-knopje in hun oor. O ja, er was een uitzondering: langs de route stond een Surinaamse moeder met twee Surinaamse jongetjes op de koets te wachten en gedurende de vijf minuten dat ik daar in de buurt stond zag ik zeker vijf cameraploegen die zich op de arme kereltjes stortten. De volgende dag zag ik ze terug in verschillende kranten. Wat een bedrog! Dit was overduidelijk een feestje voor witte mensen. Het was zelfs, naar mijn indruk, een feestje voor witte, jonge middenklassemensen. De elite zat in de Nieuwe Kerk, de arbeiders en de ouderen bleven in de buurt van de TV, langs de route stonden vooral de jongens van de optiebeurs en de meisjes van de interactiewetenschap.

Maar er was iets wonderlijks in de manier waarop zij zongen en juichten. Soms scheen het me toe alsof ze er niets van meenden. Voortdurend zag ik tekenen van ironie. De prachtige jonge vrouw in voor deze gelegenheid wel erg erotische kleding riep keihard ‘Leve de koningin! Hoera! Hoera! Hoera!’. Daarna keek ze een beetje stout (‘Heb ik nou iets politiek incorrects gedaan?’) naar haar drie vriendinnen en toen barstte het groepje uit in een schaterbui. Deze uiting van monarchistische loyaliteit zag er heel anders uit dan wat ik meemaakte in 1966, toen ernstige mannen langs de route van de gouden koets zonder een greintje rol-distantie ‘Leve de koningin!’schreeuwden. Als ik Alexander was zou ik me een beetje zorgen maken over de oprechtheid van het moderne royalisme. Het wordt misschien een beetje te postmodern.

 

4. Interpretatieve sociologie

 

En toen was het dan zo ver. Ik stond op het Spui, tegenover het Lieverdje, waar ik 35 jaar geleden nog de happenings van Robert Jasper Grootveld was komen bekijken (het appeltje van Provo is er nog te zien in de bestrating) en daar kwam de Gouden Koets aanrijden. Ik had dat voertuig nooit eerder gezien. Wat was het groot en protserig! Het blonk van alle kanten in de stralende zon. Misschien dat het daardoor kwam: het was veel te warm voor de tijd van het jaar, het was veel te zonnig voor een februaridag, de koets was te groot, te goud, de hele manifestatie was veel te perfect. Of misschien kwam het wel doordat de situatie zo sterk herinnerde aan de intocht van Sint Nicolaas, die ik hier zo vaak met mijn zoontje had bijgewoond. Terwijl de koets alsmaar dichterbij kwam, maakte een gevoel van onwerkelijkheid zich van me meester: al die mensen die speelden dat dit het koninklijk huwelijk was, deze belachelijke koets die natuurlijk niet de echte gouden koets was, maar een copie van de Disney-studio, waaraan iedereen met een beetje smaak direct kon zien dat het liefdeloze Amerikaanse namaak was en wie waren die twee look-alikes, die daar op me af kwamen…

 

5. Afstandelijke en betrokken sociologie

 

Maxima keek me nu recht in de ogen. Die zojuist getrouwde mevrouw, die ik nog nooit van mijn leven had gezien en die nu slechts vier meter van me verwijderd was,  hief haar hand op en zwaaide en lachte allerliefst naar me. Ook Willem Alexander kreeg me nu in het oog en ook hij zwaaide hartelijk naar me, niet zozeer als mijn souverein, meer als een zesdejaars-student die me herkent op het Spui: hé!, Bart!, hoi, hallo… De agenten achter me salueerden zonder de ironie van Fortuijn. Er stond niemand links van me, er stond niemand rechts van me, er was geen misverstand mogelijk: Maxima en Alex zwaaiden naar niemand anders dan naar mij. Naar mij! Maar dat was een misverstand! Ik was hier helemaal niet om te zwaaien, ik bevond mij hier in mijn hoedanigheid van socioloog, ik bereidde mijn college over affectieve bindingen voor! Ik propte mijn vuisten diep in mijn zakken en ik overtrad het simpelste gebod van het geciviliseerde leven: ik zwaaide niet terug. Hier stond een waardevrije socioloog. Hier, bij het Lieverdje, stond een stokoude Provo.

 

‘In het echt is ze nog veel mooier.’. In: Sociologisch Mokum, Jaargang 2001-2002, nummer van april 2002. Herdrukt in: Bart van Heerikhuizen, Multoblaadjes. Diemen: AMB, 2013. pp. 75-80.

 

Tussen de boxen. Over hifi, stereofonie en de langspeelplaat.

Hoe moet het zijn geweest voor mensen die de eerste trein van Haarlem naar Amsterdam zagen voorbijrijden? Wat ervoeren de bewoners van Florence in de tweede helft van de vijftiende eeuw, toen de meesters van het perspectief – Uccello, Masaccio, Piero della Francesca – fresco’s maakten die je de indruk gaven dat je er zo in kon stappen? Wat voelde mijn opa Japi toen hij voor het eerst van zijn leven een vliegtuig zag? Dat gebeurde op Koninginnedag, 31 augustus 1911, toen Anthony Fokker een rondje vloog om de toren van de Grote- of Sint Bavo Kerk te Haarlem. Hij heeft het me tientallen malen, telkens weer vol opwinding, verteld. Hoe ondergaan mensen dramatische technologische vernieuwingen, welke invloed hebben ze op hun verdere leven?

Toen voor de eerste keer astronauten rondliepen op de maan en dat schouwspel live op de televisie werd uitgezonden, had ik voor die Amerikaanse opschepperij geen belangstelling. De grote doorbraken in de automobiel-technologie die zich tijdens mijn leven hebben voltrokken zijn ongemerkt aan me voorbij gegaan: nooit de moeite genomen om mijn rijbewijs te halen. De eerste wasmachine, ijskast, mixer: ik herinner me er net zo weinig van als van de dag dat Kennedy werd vermoord. Maar er is een technologische doorbraak waar ik met mijn neus bovenop heb gestaan: de uitvinding van de geluidsregistratie in hifi en in stereo.

De stereofonie kwam in mijn leven omstreeks Pasen 1963. Ik nam toen op mijn stereo tape-recorder de Mattheus Passion op van de draadomroep: het linkerkanaal werd uitgezonden op Hilversum 1, het rechterkanaal op Hilversum 2. Mijn vader had die stereo-bandrecorder gekocht en daarmee kon hij die twee kanalen tegelijk opnemen op spoor 1 en spoor 2. Hij monteerde twee luidsprekers boven de boekenkasten (de kruipruimte boven de schuifdeuren die in de oorlog nog dienst had gedaan om je te verstoppen voor Duitse soldaten op zoek naar jonge mannen voor de arbeidsinzet, werd nu door mij doorkropen om snoertjes aan luidsprekers te monteren) en dan hoorde je midden in de huiskamer, zo halverwege het gispenkastje en de ficus,  het stereo-effect. Maar veel spectaculairder hoorde je het met een stereo-koptelefoon op. Als je dan van mono naar stereo schakelde viel je in een peilloze diepte. Het geroezemoes in de zaal van het Concertgebouw voorafgaand aan de uitvoering van Bachs passiemuziek klonk op de achtergrond en daar overheen de beschaafde stem van omroeper Lex Braamhorst: ‘Goedemiddag dames en heren, U bent thans rechtstreeks verbonden met de grote zaal van het Concertgebouw te Amsterdam’.

Al gauw hadden we ook een stereomicrofoon aangeschaft en zo maakten we opnames van mijn moeder die op het orgel speelde en die ik dan mocht aankondigen met de woorden: ‘U kunt thans luisteren naar Miep van Heerikhuizen-Schreijers, die werken van Bach en Buxtehude ten gehore brengt op het orgel van de Grote- of Sint Bavo kerk te Haarlem.’ Wanneer er een vliegtuig over kwam, moest de opname worden afgebroken.

Kort daarna kwam er ook een stereo-platenspeler in huis, waarbij we de bandrecorder als versterker gebruikten. Sindsdien ben ik nog altijd op zoek naar die speciale klank van albums uit de tijd toen hifi en stereo recente uitvindingen waren. De sound van de opnames van bij voorbeeld Oliver Nelson op het Impulse label of van de Stravinsky dirigeert Stravinsky platen op CBS is van een later niet meer hervonden opnametechnische helderheid.

Ik vind het moeilijk om het werk van Charlie Parker uit de jaren veertig op volle waarde te schatten, want toen die muziek werd opgenomen bestond er nog geen stereo of hifi en daarom klinken zijn opnames bekrompen, geknepen, onherroepelijk ouderwets. Alleen sommige platen uit 1953 en 1954 hebben wel die hifi-sound. Charlie Parker stierf jong, maar gelukkig toch pas in 1955, en daardoor is de volle klank van zijn saxofoon nog op het nippertje in hifi, hoewel niet in stereo, vastgelegd. Dat in 1953 nog zo trots op de hoes wordt medegedeeld dat de plaat hifi-recorded is, wijst er op dat hifi op de grammofoonplaat in het begin van de jaren vijftig zijn intrede deed.

Maar wanneer begon men op te nemen in stereo? Ik heb het geprobeerd te reconstrueren aan de hand van mijn cd’s en platen. Ik houd het op 1958. Ella Fitzgerald sings the Cole Porter Songbook was in mono. Dat album werd in 1956 opgenomen in zeer goede geluidskwaliteit door Norman Grantz. Drie jaar later, in 1959, legde diezelfde Grantz Ella Fitzgerald sings the George and Ira Gershwin Songbook vast en die LP’s in luxe cassette waren wel opgenomen in stereo. Het moet dus gebeurd zijn tussen 1956 en 1959. In 1958 werd Porgy and Bess opgenomen door Miles Davis en Gil Evans en wel in schitterende stereo. Op de platenhoes staat ‘LP’ en dat is ook interessant, want er werden in de jaren vijftig dus drie dingen tegelijk uitgevonden en gepopulariseerd: hifi, stereo en de (twelve inch) langspeelplaat op 33 toeren, die twee kanten van elk ongeveer twintig minuten mogelijk maakte.

Een aantal orkesten die zogenaamde lichte muziek maakten op het randje van de jazz dankten hun populariteit, zeker voor een deel, aan de hifi-stereo-uitvinding. De platen van Frank Sinatra met Nelson Riddle en met Billy May, de platen van Percy Faith, van Mantovani en zijn duizend violen, de Swinging Safari van Bert Kaempfert, de Franse Swingle Singers die Bach verjazzten, het was allemaal muziek die de bezitter van een gloednieuwe stereo-‘installatie’ voor het eerst in staat stelde te pronken met zijn toen nog dure aanschaf. Mijn ouders vonden al deze platvloerse muziek even verschrikkelijk, maar mijn oom Jan stond glunderend naast zijn nieuwste aankoop, de stereo-toren, toen wij werden getracteerd op James Last. Op de CBS-platenhoezen stond een logo met twee grote pijlen: een naar links, een naar rechts.  Soms stond het ook in koeien van letters op de platenhoezen uit die tijd: now in glorious stereo. De minder goede orkesten hebben zeker geprofiteerd van het feit dat hun middelmatige muziek werd weergegeven in dat ruimtelijke, echoënde, volle, romige stereo-geluidsbeeld. De uitvinding van stereo viel samen met de uitvinding van Muzak.

In een Engelstalig Zweeds tijdschrift voor geluidstechnici (leve het internet) is te lezen dat de beste stereo-opnames zijn gemaakt tussen 1957 en 1968. Toen moesten de geluidstechnici nog worstelen met de beperktheden van de techniek en daarbij bereikten ze later niet meer geëvenaarde hoogtepunten van virtuositeit. Een van de grote handicaps was dat ze maar weinig microfoons tot hun beschikking hadden, soms slechts één enkele stereomicrofoon, die ze heel goed moesten opstellen. En dan vroegen ze de fluitist om wat zachter te blazen dan normaal, omdat anders het complete geluidsbeeld niet meer zou kloppen. Nu zetten die technici veertig microfoons in en mixen alles na afloop achter een digitaal mengpaneel, maar het resultaat is minder mooi dan een opname uit 1961. Het is waar: wat betreft de geluidstechniek zijn de opnames die CBS in de eerste helft van de jaren zestig maakte van Stravinsky die zijn eigen muziek dirigeert mooier dan de opnames die bij voorbeeld Robert Craft dertig jaar later maakte van diezelfde stukken, al kan iedereen horen dat dat technisch veel geavanceerder is. De grote uitdaging is om met de superieure technische middelen die ons thans ten dienste staan weer opnames te maken die net zo mooi klinken als wat werd gemaakt tussen 1957 en 1968. Maar misschien kan dat niet. Nooit heeft iemand de wonderen van het perspectief briljanter uitgebuit dan Uccello in zijn fresco’s van de Ark van Noach, gemaakt op het moment dat slechts een paar schilders de technische kant van het wiskundig perspectief nog maar net onder de knie hadden. Niemand heeft het medium van de film zo wonderlijk mooi gebruikt als Georges Méliès, enkele jaren nadat die techniek was uitgevonden. De radio bestond in de Verenigde Staten nog maar net als massamedium toen Orson Welles een hoorspel maakte, dat door geen enkel later hoorspel meer is overtroffen.

Zoals Uccello volgens Vasari tegen zijn vrouw (die wilde dat hij naar bed kwam) moet hebben geroepen dat het perspectief (de visuele variant van stereo) toch zoiets verrukkelijks was, zo heb ik nog altijd de neiging om te declameren: ‘Ah, wat is die stereofonie toch iets heerlijks!’ Ik voel nog altijd een soort ontroering als ik de klanken van een groot orkest in drie dimensies op me af hoor komen. Wat je dan hoort is niet alleen muziek, je hoort ruimte, bevrijdende, open ruimte. En dat effect is sterker met oude stereo-platen dan met hedendaagse opnames, waarin het stereo-effect, als een soort extra’tje, wordt ‘meegenomen’. Ik heb rond mijn veertiende levensjaar – nu is mijn dochter zo oud – de opkomst van de stereofonie bewust meegemaakt. Tot op de dag van vandaag ben ik niet echt gewend geraakt aan dat wonder en ik prijs me gelukkig over het feit dat dat waarschijnlijk ook nooit meer zal gebeuren. In mijn leven hebben zich allerlei revoluties op technologisch gebied afgespeeld die me helemaal zijn ontgaan. Maar van de geluidsreproductie-revolutie in de jaren vijftig mag ik zeggen dat ik er met mijn neus bovenop heb gestaan. Het was stom toeval, ik zat net op het goede moment op de eerste rij. En toch: ik ben er trots op.

‘Tussen de boxen’. In: Sociologisch Mokum, Jaargang 4 (2000-2001),  maart 2001. pp. 20-21. Herdrukt in: Bart van Heerikhuizen, Multoblaadjes. Diemen: AMB, 2013. Pp. 117-121.

Chicken Run

De film Chicken Run is in de pers zo unaniem jubelend besproken dat het me niet zou verbazen als hij binnenkort een Oscar krijgt. De makers hebben al twee Oscars ontvangen voor hun eerdere Wallace and Gromit films, dus ze zijn al bekend bij het comité dat gaat over de Academy Awards.

Chicken Run is een film voor volwassenen. Zo wemelt het van de verwijzingen naar andere films, die je moet kennen om de grap te begrijpen. Al in de aankondiging zit een allusie aan de film Gladiator, er zitten grapjes in over Modern Times van Chaplin, hier en daar herkennen de liefhebbers een scene uit James Bond en wat iedereen zal opmerken zijn de verwijzingen naar Braveheart, de film van Mel Gibson. En Mel Gibson geeft in deze film zijn stem aan de Amerikaanse haan Rocky the Rooster, dus dat klopt. Maar Chicken Run is toch in de allereerste plaats een komische remake van The Great Escape uit 1963, een film waarin Amerikaanse krijgsgevangenen onder leiding van Steve McQueen proberen te onspappen uit een Duits kamp in de tweede wereldoorlog.

Dat sommige mensen denken dat het een kinderfilm is komt omdat er geen acteurs in voorkomen. De hele film bestaat uit klei-animaties. Het is dus geen tekenfilm, het is ook geen computeranimatie-film, zoals Toy Story, maar het is een film met bewegende klei-poppetjes. De makers vinden computer-animatie niet mooi. Alles wat je ziet heeft dus echt, niet in het virtuele universum, maar in een reëele driedimensionale ruimte, opgesteld gestaan. In een studio in Bristol zijn 30 animatoren vijf jaar lang aan het werk geweest. Om de bioskoopgangers gedurende een uur en 25 minuten plezier te laten beleven, hebben die mensen zich dag in dag uit laten opsluiten in een ruimte waar geen licht en geen geluid kon doordringen om poppetjes te laten bewegen. Ze doen dat door steeds een foto te maken van een stilstaand beeld. Bij 24 beelden per seconde krijg je als kijker de overtuigende indruk dat de poppetjes bewegen. Daar moet je aan denken als je een scene ziet waarin binnen het filmframe wel veertig verschillende kippen aan het dansen en springen zijn. Voor ieder shot moesten die 30 animators die 40 kippen weer in een iets andere stand zetten. Geen wonder dat ze er vijf jaar over deden. Geen wonder ook dat de makers op de vraag wat ze hierna gaan doen antwoorden: nu even niets. Maar ze kunnen dat niet te lang volhouden, want ze hebben met Steven Spielberg van Dreamworks een miljoenencontract afgesloten dat hen ertoe verplicht vier lange speelfilms te maken.

Die regisseurs, Nick Park en Peter Lord, zijn heel bekend geworden met korter durende klei-animatie-films, de films van hun eigen Aardman-studio. In 1989 brachten ze het filmpje Creature Comforts uit waarin interviews met bejaarde mensen werden gebruikt als een eigenaardig soort voice over achter dieren in een dierentuin. Daarna maakten ze de beroemde filmpjes over de uitvinder en zijn hond, Wallace and Gromit: A Grand Day Out, The Wrong Trousers, A Close Shave. In die films perfectioneerden ze hun klei-animatie technieken. Zo is er eerst de geluidsband en pas daarna gaan ze de poppetjes zo laten praten en bewegen dat ze perfect passen bij die soundtrack. Ze maakten ook de beroemde videoclip van het liedje Sledgehammer van Peter Gabriel.

 

Chicken Run is een film vol dames. Al die honderden kippen, dat zijn allemaal meisjes en vrouwen. Misschien heb ik niet goed geteld, maar er komen volgens mij honderden dames in voor en slechts drie mannen en dat zijn zonder uitzondering sukkels: de bewaker van het kamp en de twee hanen in het kippenhok. O ja, in een komisch bijrolletje figureren nog twee smerige ratten. Maar de hoofdfiguren naast alle vrouwen zijn toch die twee hanen en die man. De ene haan is een stokoude piloot van de Royal Air Force, alweer een verwijzing naar de tweede wereldoorlog, en dat is iemand die alleen maar kan zeggen: in mijn tijd was alles veel beter. Toch blijkt hij helemaal aan het eind nog even een heldenrol te mogen spelen. En dan is er Rocky the Rooster, met de stem van Mel Gibson, en die begint als een schijnbare held, maar al snel blijkt het een ijdele opschepper te zijn. Toch zal ook hij na een poosje dapperder blijken te zijn dan hij zelf denkt. En dan die man, Mister Tweedy. Dat is een tragische figuur, die onder de plak zit van zijn vrouw, de verschrikkelijke Mrs.Tweedy, die met haar aan Olijfje herinnerende gestalte het kwaad belichaamt. Met andere woorden: die paar mannelijke figuren zijn opscheppers en sukkels, maar het ware kwaad wordt gerepresenteerd door een vrouw en de ware heldhaftigheid is ook te vinden bij een dame, namelijk de kip Ginger, wier stem, uitstekend gecast, wordt ingesproken door Julia Sawalha, die het brave dochtertje speelde in Absolutely Fabulous. Zij is de ware heldin van de film.

Ik kan me niet voorstellen dat een animatiefilm in de jaren vijftig als held een vrouw had, als incarnatie van het kwaad ook een vrouw, en dat de paar mannen in de film alleen maar mochten figureren als sukkels, opscheppers, hoogbejaarde kletmajoors of door hun vrouw geterroriseerde losers. Disney heeft in zijn films wel een paar hele akelige dames getoond, zoals Cruella de Ville in de 101 Dalmatiërs en de boze koningin in Sneeuwwitje, maar daar zijn de helden toch altijd de mannen. Het is uiteindelijk de Prins die Sneeuwwitje met een kus uit de dood laat herrijzen.

Uit een vergelijking van animatiefilms van 1950 tot 2000 kun je leren dat de machtsverhoudingen tussen mannen en vrouwen in de tweede helft van de twintigste eeuw sterk zijn veranderd. Als sociologen willen achterhalen hoe de positie van vrouwen in de samenleving is versterkt, kunnen ze studie maken van cijfers over het aandeel van vrouwen in de economie of van sociologische gegevens over de rol van vrouwen in hoge posities. Maar wat een socioloog ook kan doen is kijken naar de culturele producten van mensen, dus bij voorbeeld naar de populaire grote publieksfilms. En dan valt op dat de film die in de zomer van 2000 in Amerika en Europa grote aantallen mensen naar de bioskoop trok vrouwen toont als leiders en helden, virtuozen in het goede en tevens in het kwade – en mannen als deerniswekkende zielepoten.

 

Vrijwel de gehele film speelt zich af in een soort gevangenenkamp dat in alles doet denken aan een Duits strafkamp ten tijde van de tweede wereldoorlog. .Zoals gezegd, in de film wordt gerefereerd aan The Great Escape, en de makers hebben er allerlei symboliek in aangebracht die doet denken aan wat de geoefende filmbezoeker associeert met Nazi-kampen: bewakers, honden, hoge hekken met prikkeldraad, wachttorens, enzovoort. Maar midden in de film komt er een nieuw element bij. Mrs. Tweedy heeft een apparaat aangeschaft om geheel machinaal kippenpastei te maken. Ze wil een grote financiële slag slaan. Haar plan is om de complete bevolking van haar kamp in dat diabolische apparaat te gooien. Een Nazi-kamp waarin de gevangenen naar een apparaat worden vervoerd dat hen op industriële manier vermoordt… het gaat hier allang niet meer over een gevangenkamp, we zitten te kijken naar een gezellige familiefilm over een uitroeiingskamp! Dat is misschien wel het allervreemdste van Chicken Run. Het is een lichtvoetige, vrolijke, slim gemaakte film, maar hij gaat op een verdekte manier over de grootste gruwel van de voorbije eeuw. En net als in het stripverhaal Maus gebeurt het op een passende manier.

 

Maar de film gaat op het meer aan de oppervlakte liggende niveau over het op massale schaal doden, niet van mensen, maar van dieren. En dat gebeurt in onze eigen samenleving,  dag in dag uit, op geringe afstand. Is de film op te vatten als een aanklacht tegen het opsluiten, fokken en doodmaken van dieren, is het een aanklacht tegen de bio-industrie? Nick Park, een van de makers, heeft op een persconferentie gezegd dat de enige kippen die waren doodgemaakt bij het maken van deze film de kippen waren die de filmcrew had opgegeten tijdens de lunchpauzes. Daaruit leid ik af dat het geen propaganda is voor het vegetarisme. Niettemin, in onze samenleving bestaat een grote onzekerheid en dubbelzinnigheid over de zich uitbreidende bio-industrie. We weten allemaal dat de kippen die we in onze kipburger aantreffen niet relaxed op een boerderij hebben rondgewandeld, maar dat ze een akelig bestaan hebben gehad in hokjes die zo klein zijn dat ze elkaar zouden doodpikken als hun snaveltjes niet zouden zijn afgezaagd. En velen van ons hebben daar toch een enigszins schuldig gevoel over. Sociologen maken studie van dat soort reserves. Ze proberen te achterhalen waarom mensen zich in toenemende mate ongemakkelijk voelen bij die bio-industrie, bij voorbeeld door consumenten te interviewen. Maar als je achter dat gevoel van ongemakkelijkheid wilt komen, die vage sensatie dat er iets niet pluis is in hoe we in onze moderne wereld met dieren omgaan, dan kun je ook een heel andere bron van informatie aanboren: de fictie-film. Chicken Run is een film die apelleert aan en zo ook profiteert van de onzekere en angstige gevoelens die veel moderne mensen hebben over hoe het er aan toegaat achter de coulissen van de moderne bio-industrie.

 

Tot slot. Sinds de Griekse en de Romeinse dichters is het gebruikelijk om mensen de les te lezen door ze een verhaal te vertellen over dieren, over de bijenkorf – The Fable of the Bees -, over het mierenrijk of over de Raaf en de Vos. Altijd hebben die verhalen een moraal. Het leuke van deze film is dat de moraal niet zo duidelijk is. Avondvullende tekenfilms of  animatiefilms, zeker als ze over dieren gaan, hebben altijd een brave, politiek correcte moraal, zoals dat je de meerderheid niet moet volgen als je denkt dat die de verkeerde kant op marcheert (Antz). Eigenlijk is het heel verrassend dat deze film nauwelijks een moraal heeft, dat er aan het einde geen vingertje wordt opgeheven. Toch zit er wel een bescheiden boodschap, een soort noodrantsoen-moraal in de film en die luidt dat je moet geloven in waar je voor staat, dat je niet moet opgeven, dat je je niet moet laten ringeloren: wees niet laf, don’t be chicken.

 

Lezing in de filmzaal van Museum NEMO in Amsterdam, 2000, ter inleiding van de film Chicken Run. Later herschreven en gepubliceerd als: ‘Chicken run’. In: Sociologisch Mokum, Jaargang 2000-2001, januari/februari 2001. pp. 20-21. Herdrukt in: Bart van Heerikhuizen, Multoblaadjes. Diemen: AMB, 2013. pp. 93-98.

Bespreking van: Volkseigen. Ras, cultuur en wetenschap in Nederland, 1900-1950

De titel van het boek maakt geen sympathieke indruk: Volkseigen. Ook de foto op de cover wakkert niet meteen de kooplust aan: een baardige hoogleraar verricht schedelmetingen bij een troepje bedrukt kijkende kindertjes op het eiland Urk. Maar het betreft hier een buitengewoon belangrijk boek over de ontwikkeling van de sociale wetenschappen in Nederland in de eerste helft van de twintigste eeuw..

Het gaat in deze bundel onder meer over Nederlandse geleerden die sympathiseerden met het nationaal socialisme en die daar in hun wetenschappelijk werk ook ondubbelzinnig blijk van gaven. Zo hield bij voorbeeld de prehistoricus P. Felix reeds als 24-jarige student radiotoespraken in het programma “De stem der SS” over onderwerpen als: “Wat hunebedden ons te zeggen hebben”.  Het gaat in dit boek ook over wetenschapsmensen die van nationaal socialisme of antisemitisme niets moesten hebben en in wier werk dat ook bleek. Het duidelijkste voorbeeld is hier de historicus Jacques Presser. Maar eigenlijk zijn die geleerden minder interessant dan andere beoefenaren van de sociale wetenschappen die voor het nationaal socialistisch gedachtengoed geen enkele sympathie hadden, maar in wier werk begrippen, redeneringen, theorieën en verklaringen opduiken, die in hedendaagse ogen onmiskenbaar verwant zijn met dat nationaal socialisme. Bij Felix en Presser was er consonantie tussen hun politieke opvattingen en hun wetenschappelijk werk, maar bij de meeste hier behandelde geleerden schuurden die twee akelig langs elkaar heen. Het is die intellectuele dissonantie die de lezer een gevoel van onbehagen geeft. Dit is een verwarrend, maar daardoor ook een intellectueel stimulerend boek.

De ondertitel luidt: ´Ras, cultuur en wetenschap in Nederland, 1900-1950’. Het bevat zeven boeiende artikelen en een onzinstuk. Dat laatste – het is ook de enige bijdrage die in het Engels is gepubliceerd – blijft hier buiten beschouwing. Een van de mooiste stukken is geschreven door Barbara Henkes, die ook deel uitmaakte van de drie personen tellende gastredactie, die dit elfde jaarboek van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie mocht samenstellen. Henkes schrijft in haar bijdrage over de omgang met wetenschap en politiek in de volkskunde dat er geen foute disciplines zijn. Die volkskunde bij voorbeeld kun je volgens haar niet, zoals wel eens is gebeurd, aanmerken als een ‘foute wetenschap’. Maar uit haar artikel blijkt wel dat er wetenschappen zijn die in de behandelde periode ideeën uitwerkten over ras, stam, volk, bloed en bodem, waar je als hedendaagse lezer akelige associaties bij krijgt. Voor de tijdgenoten lag dat anders: de eigenaardige affiniteit met bepaalde nazi-denkbeelden die ons zonneklaar lijkt, was voor toenmalige lezers helemaal niet zo evident. Wat de auteurs van dit boek proberen te doen is om de ideeën van toen te presenteren in hun eigen context, om ze niet direct te voorzien van de etiketten ‘goed’ en ‘fout’, die wij er vandaag de dag gemakkelijk opplakken, profiterend van wat wel wordt genoemd: the wisdom of hindsight. De samenstellers hebben ernaar gestreefd om de toenmalige denkbeelden te tonen zoals ze er uitzagen in de ogen van de mensen die er destijds kennis van namen, niet zoals ze er uitzien in de ogen van iemand in 2000. De opdracht die ze zichzelf stelden, leidt onvermijdelijk tot moeilijkheden (de lezer leeft nu eenmaal in 2000 of later, daar is niets aan te verhelpen) die in het ene artikel beter werden opgelost dan in het andere, maar over het algemeen zijn ze goed in hun opzet geslaagd: je waant je soms in de tijdmachine. En dat komt omdat ze zich verre houden van wat redacteur Van Vree aanduidt als retrospectieve geschiedschrijving, het verleden bezien door een moderne bril.

In dit boek valt zo nu en dan het woord discours of vertoog.. Volgens de auteurs heerste er omstreeks 1920-1940 in Nederland een cultureel klimaat waaraan bijna niemand zich kon onttrekken. Historici, antropologen, geografen, genetici, sociologen, archeologen en volkskundigen hanteerden allemaal een zelfde jargon waarin begrippen als ras, volkskarakter of volksziel vanzelfsprekende termen waren. Hun werk is soms verbazingwekkend gelijkluidend van toon, omdat ze deel uitmaakten van dezelfde intellectuele gemeenschap. Ze deelden met elkaar veel meer aannames dan ze zelf beseften; ze hadden – om een term van Alvin Gouldner te gebruiken – dezelfde domain assumptions. Het verontrustende is dat ze die domein-vooronderstellingen deelden met de theoretici van het nationaal socialisme. Het aardige van deze bundel is dat ze niet meteen om die reden worden gedesavoueerd, maar dat de schrijvers zich afvragen hoe dat nu precies zit, hoe valt te begrijpen dat ze zelf niet zagen en dat ook hun lezers niet opmerkten hoe veel ze gemeen hadden met ideologische denkbeelden die ze zeiden te minachten.

In een algemeen klimaat van racisme en antisemitisme, eind jaren dertig, publiceren de socioloog W.A. Bonger en de ethnoloog en socioloog S.R. Steinmetz elk een boek waarmee ze expliciet de bedoeling hebben om de nationaal socialistische denkbeelden over joden te weerspreken. Steinmetz publiceert met een aantal vakgenoten De rassen der mensheid, Bonger komt met het boekje Ras en misdaad. Deze twee studies worden besproken door Ineke Mok in het artikel ´Een beladen erfenis. Het raciale vertoog in de sociale wetenschappen in Nederland, 1930-1950’. Wat het meest opvalt aan deze publicaties is dat deze twee sociale wetenschapsmensen zonder zich kennelijk te generen de vraag aan de orde stelden of het waar is dat joden het economisch leven in Nederland domineren of zonder veel subtiliteit ingingen op de kwestie van de samenhang tussen ras en gewelddadigheid. Zo citeert Ineke Mok een regeltje van Bonger waarin hij schrijft dat het zeer waarschijnlijk is dat de agressieve criminaliteit van de Finnen en de Esten ten dele van het ras afhangt.

Dat het hier ging om een breed gedragen cultureel complex blijkt ook uit het feit dat het niet ineens afgelopen was in 1945. Ineke Vos citeert bij voorbeeld uit het demografische handboek Het bevolkingsvraagstuk uit 1948. In dat boek staan niet alleen uiteenzettingen over geboortencijfers en sterftecijfers die ook nu nog behoren tot de standaard-uitrusting van de eerstejaars sociologiestudent. De auteurs, H.W. Methorst en M.J. Sirks, gaan hier ook uitvoerig in op wat ze de kwalitatieve zijde van het bevolkingsvraagstuk noemen en daarmee bedoelen ze kwesties van erfelijkheid, aanleg en middelen om het ras te verbeteren. Zelf citeerde ik in mijn proefschrift over W.A. Bonger een zin uit een bekend handboek waarmee aankomende criminologiestudenten in de jaren vijftig met dat vak vertrouwd werden gemaakt: Criminologie, leerboek der misdaadkunde van J.M. van Bemmelen. In dat universitaire studieboek kan men lezen: “Het eigenaardige karakter van de joodse criminaliteit is derhalve zeker niet in de eerste plaats uit het onder hen veel voorkomende koopmansberoep, maar vooral uit erfelijke eigenschappen te verklaren.” Die zin stond in de eerste druk van 1942, maar hij is ook te lezen in de herziene editie van 1952!

Wat in Volkseigen sterk opvalt is dat er in Nederland in de jaren dertig en veertig een grote mate van consensus was onder beoefenaren van de sociale wetenschappen over de kernbegrippen, over de vraag welke theorieën  waardevol waren en welke niet, welke kwesties nader uitgezocht moesten worden en met welke methoden onderzoek gedaan moest worden. Ook tussen de verschillende disciplines was die consensus groot. Ideologische verschillen speelden een geringe rol. De conservatief-liberale ethnoloog Steinmetz en de marxistische socioloog Bonger stonden in allerlei opzichten ver van elkaar af, maar wanneer Bonger schrijft over de criminaliteit der verschillende rassen, dan is er geen enkel verschil met wat Steinmetz daarover beweert.

Vergelijk dat nu eens met de huidige situatie. De beoefenaren van de sociale wetenschappen zijn onderling sterk verdeeld. Zij, de theoretici van de samenbindende werking der gedeelde opvattingen, ontberen zelf  die consensus waarover ze zo mooi schrijven. Historisch sociologen verwijten functionalisten hun miskenning van het procesmatige karakter van de sociale werkelijkheid; interpretatieve sociologen denken dat hun vakgenoten te weinig oog hebben voor de mate waarin de vermeende sociale feiten de uitkomst zijn van processen van definiëring; rational choice theoretici denken dat zij de enigen zijn die de het sociologisch objectgebied illusieloos en koel durven te analyseren en allemaal zijn ze naïeve positivistische realisten in de ogen van de profeten van het postmodernisme. En dan gaat het nog om één enkele discipline, de sociologie. Tussen de sociale wetenschappen is de verkettering nog veel erger. Waar is toch die heerlijke consensus van de jaren dertig gebleven, toen de beoefenaren van deze vakken met eerbied en sympathie over elkaars werk berichtten en het in grote lijnen met elkaar eens waren?

Het boek Volkseigen maakt in elk geval duidelijk dat die consensus zo heerlijk niet was. Het laat zien dat de orde van het vertoog zelfs een uitgesproken Hitler-hater als W.A. Bonger ertoe kon brengen om serieus te schrijven over de geweldscriminaliteit van het Finse ras. Het beeld dat uit dit boek oprijst is dat van een monolytische wetenschap, een debat zonder dissidenten, een verpletterende intellectuele harmonie.

Die tijd is voorgoed voorbij. Tegenwoordig is het in de sociale wetenschappen een geweldige rotzooi. Als je dit boek leest, ga je vanzelf denken: gelukkig maar.

 

Martijn Eickhoff, Barbara Henkes en Frank van Vree (red.), Volkseigen. Ras, cultuur en wetenschap in Nederland. 1900-1950 (Elfde jaarboek van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie) Zutphen: Walburgpers, 2000.

 

‘Volkseigen’. In: Sociologisch Mokum, Vierde jaargang (2000-2001) oktober-november 2000, pp. 21-22.

 

 

Bourdieu, Tori Amos en het opschepperskapitalisme

Dat het werk van Bourdieu in Amsterdam een gunstig onthaal kreeg, had misschien te maken met het feit dat zijn centrale gedachte in Nederland nog beter leek te kloppen dan in Frankrijk, het land waar hij zijn onderzoek had verricht. In Nederland was het taboe op het openlijk vertonen van klasse-superioriteit van oudsher sterker dan in Frankrijk. Ik schrijf die zin in de verleden tijd, want ik heb het nu over de periode waarin de ster van Bourdieu steeg aan het firmament van de Nederlandse sociologie en dat is ongeveer twintig jaar geleden. In die tijd, eind jaren zeventig, diskwalificeerde je je in net gezelschap door al te duidelijk te laten merken dat je niet van de straat was. Wanneer iemand de slechte smaak had om op te merken dat één van de aanwezigen onlangs een mooi pandje had gekocht in de Van Breestraat, dan haastte de aangesprokene zich er op te wijzen dat hij uit zijn huurhuis was weggepest, dat er op dit moment geen huurwoning te vinden was, dat hij persoonlijk een fel tegenstander was van het kopen van huizen en dat het in die kakbuurt ‘achter het concertgebouw’ zo verschrikkelijk saai was dat hij nog iedere dag terugverlangde naar de gezellige helertjes van de Staatsliedenbuurt.  Niemand in dat keurige gezelschap zou het in zijn hoofd halen om hem te vragen hoe veel dat huisje in Oud-Zuid eigenlijk gekost had. Maar iedereen dacht er aan. Zo ging dat in 1979.

Kort geleden werd in een forum aan een vooraanstaand socioloog de vraag voorgelegd of hij, toen hij een jaar of vijftien geleden op theoretische gronden zag aankomen dat de aandelen sterk zouden gaan stijgen, zelf aandelen had gekocht. Beschroomd erkende de aangesprokene dat hij dat niet had gedaan. Waarom niet, wilde de strenge voorzitter weten. ‘Tsja, ach, wij waren toen nog een beetje links’, mompelde de man die miljonair had kunnen worden, ‘en we vonden aandelen eigenlijk een beetje… eh… vies’. En zo was het. Wie in die tijd aandelen in de familie had – en onder mijn medestudenten van toen waren dat er meer dan ik destijds vermoedde – die sprak daar niet over.

En toch kon je ook toen al heel gemakkelijk zien wie afkomstig was uit de arbeidersklasse, wie tot de stijgende middengroepen behoorde en wie met een zilveren lepeltje in de mond geboren was. Bourdieu heeft scherper dan enige andere socioloog onthuld hoe dat ging. De klassestrijd werd uitgevochten op het terrein van de cultuur. Iemand die destijds de drie LP’s in de kast had staan waarop Reinbert de Leeuw de Gnossiennes, de Gymnopédies en andere vroege werken van Erik Satie speelde, die gaf te kennen: ik ben een stijger. Als je hem die uitspraak zou voorleggen, zou hij hem met kracht ontkennen en dat zou hij ook oprecht menen. Hij zou zeggen dat hoog en laag hem niet interesseerde, dat hij met heel andere dingen bezig was, dat hij niet dacht in klasse-termen, dat hij toevallig heel veel hield van het werk van Satie. Maar intussen zijn degenen die destijds hun Satie netjes tussen Santana en Scarlatti hadden staan redelijk goed terecht gekomen, ook al blijven ze er verontschuldigend bij kijken. En Satie hoor je alleen nog maar als ze op TV een documentaire uit de jaren zeventig herhalen.

Twee decennia zijn verstreken en de wereld ziet er heel anders uit. Toen de beurskoersen daalden schreven de commentatoren op de financiële pagina’s dat de mensen die veel aandelen hadden gekocht nu de risée waren van de familiefeestjes. Toen de koersen stegen kon je lezen dat op familiefeestjes degene die nog geen aandelen had gekocht belachelijk werd gemaakt. Na het debakel met World Online schreven diezelfde commentatoren dat iemand die zijn vermogen in dat internetbedrijf had gestoken zich nu nauwelijks nog kon vertonen op een familiefeestje. En toen de huizenprijzen stegen las ik dat het op familiefeestjes alleen nog maar ging over wiens huis het hardst omhoog ging. Kennelijk is er in Nederland iets afschuwelijks gebeurd: het familiefeestje, voorheen een ontspannen ontmoeting van bloedverwanten en vrienden, is verworden tot een plaats waar de winners mogen vaststellen wie de losers zijn en hen in aanwezigheid van hun naasten mogen honen. Op schoolreünies, zo verneem ik, snijdt men tegen elkaar op: hoeveel heeft jouw auto gekost, hoe duur was dat huis van jullie, heb jij intussen ook internet-aandelen? Ik kan het beeld niet uit eigen ervaring bevestigen, want ik bevind me in een soort enclave van generatiegenoten die het erg vervelend vinden om over aandelen en huizenprijzen te praten, maar als ik om me heen kijk krijg ik de indruk dat we behoren tot een snel uitstervende soort.

Uit mijn formuleringen blijkt wel dat ik de nieuwe openheid niet sjiek vind, maar het heeft soms iets moois.  De brutaliteit waarmee tegenwoordig bij voorbeeld in het tijdschrift Quote over geldzaken wordt geschreven onderga ik – wanneer ik dat blaadje bij de tandarts inkijk – als bevrijdend. De trots waarmee mijn jeugdige tandarts, terwijl hij mijn twaalfde kroon monteert, vertelt over zijn nieuwe Alfa Romeo (het ziet eruit alsof ik dit verzin maar het is echt waar; in zijn behandelkamer staan wel tachtig kleine alfa romeo’s, maar hij collectioneert ook echte), doet weldadig aan bij wie is opgegroeid tussen mensen voor wie het opscheppen over auto’s gold als stuitend gedrag. Het taboe op het tonen van financieel succes leidde tot veel hypocrisie en de hedendaagse opscheppers zijn in elk geval geen huichelaars.

Maar het gaat me om iets anders. Als mensen hun economisch kapitaal openlijk aan elkaar tonen, dan is het niet meer nodig dat ze hun eigen positie in de klasse-hiërarchie op een versluierde, indirecte manier aangeven, gebruik makend van de omweg van het cultureel kapitaal. Iemand die zijn gesprekspartner met veel plezier vertelt dat zijn huis de laatste tien jaar met acht ton in waarde is gestegen, en dat hij nu een boerderij in de Achterhoek heeft kunnen kopen, die heeft Reinbert de Leeuw en Erik Satie nergens voor nodig. Wanneer de gêne bij het etaleren van eigen economisch succes lijkt weg te ebben, dan verliest cultureel kapitaal als indicator van economisch kapitaal aan betekenis. En dat heeft het grote voordeel dat culturele kwesties weer kunnen worden besproken zonder verhulde intenties. Wanneer het tonen van goede smaak geen bijbedoelingen meer heeft, dan kan die goede smaak weer worden gecultiveerd om zichzelfs wille.

Twee studenten, een jongen en een meisje, zitten in een café. Ze vinden elkaar erg leuk. Nu proberen ze er achter te komen of ze, zoals men zegt, ‘van hetzelfde soort’ zijn. Zegt het meisje dat ze dol is op Tori Amos en op Björk en zegt de jongen dat hij graag luistert naar Portishead en Alanis Morisette, dan ziet het er goed voor ze uit. Maar hij kan ook zeggen: ‘Dat huis waar jij woont, in de Van Bree toch?, is dat dan van jullie zelf of zo?’ Twintig jaar geleden zou dat het eind van een ontluikende romance hebben betekend, maar nu is er een goede kans dat dat meisje niet zonder trots vertelt dat haar vader dat huis eind jaren zeventig heeft gekocht en dat dat heel slim van hem was omdat die huizen de laatste jaren geweldig in waarde zijn gestegen. Ze hebben daardoor een tweede huis kunnen kopen in de Achterhoek. Ze weet dat zo goed omdat haar vader het er vaak en met vermelding van de preciese bedragen over heeft. Waarom zouden die twee dan nog over Tori Amos beginnen?

Ja, waarom? Omdat weinig dingen zo leuk zijn als praten over muziek. Waarom is het toch zo mis is gegaan met Tori Amos, die op haar eerste twee platen schitterend piano speelde en bloedstollend mooi zong en die haar klanken de laatste jaren laat verdrinken in distorted gitaargejammer. Ik zou willen dat ik het daar over kon hebben zonder dat ik als socioloog het gevoel had dat ik het eigenlijk over iets anders had, namelijk over mijn goede smaak en dus over mijn klasse-positie. In 1979 kon dat niet. Iemand die toen zijn liefde beleed voor Joni Mitchell of Kate Bush, gaf onherroepelijk informatie af over zijn klassepositie, of hij dat nu wilde of niet.

Maar dat lijkt nu heel anders te worden. Onlangs trad Dave Brubeck op in Carré. De jazz-pianist Dave Brubeck (Take five) was omstreeks 1960 zeer populair bij Amerikaanse en Nederlandse studenten. Als je progressief en redelijk welvarend was, en als je je een klein beetje tegen je ouders probeerde af te zetten, dan dweepte je met de muziek van Dave Brubeck. Maar wat weten we van iemand die in 2000 naar een concert gaat van de inmiddels bejaarde meester? Is zo-iemand rijk of arm, man of vrouw, oud of jong? Ik vermoed dat een publieksonderzoek zou uitkomen op een zeer heterogene bezoekersschare. Het publiek van een concert met uitsluitend werken van Peter Schat is aardig te  plaatsen: veel cultureel kapitaal,  minder economisch kapitaal. Maar de bezoekers van een concert met werken van Simeon ten Holt zijn niet te definiëren – waarbij ik moet toegeven dat ik me niet baseer op publieksonderzoek maar op mijn eigen impressie. De mensen die een abonnement hebben op bepaalde operaseries of die naar de Mattheus in Naarden gaan, zijn te determineren – kort gezegd: veel economisch kapitaal – maar tegenwoordig loopt bij een concert van de Stones werkelijk alles door elkaar heen, rijk en arm, oud en jong, wit en zwart, Monteverdiaan en fan van Hazes. Toen ik twee jaar geleden vertelde dat ik naar het Stones-concert in de Arena was geweest, merkte ik dat het een neutrale mededeling was geworden: in geen enkel gezelschap diskwalificeerde ik me er mee, maar ik scoorde er ook niet mee. En er was ook niemand die zei dat ik daar nu toch echt een beetje te oud voor werd.

Ik weet niet zeker of het waar is wat ik hier beweer. Nader onderzoek is geboden. Maar over deze veronderstelde ontwikkeling heb ik wel een waarde-oordeel: ik hoop dat het zal gaan zoals ik het hier heb beschreven. Tot de aangenaamste discussie-onderwerpen behoren de uitingen van kunst en cultuur, maar dat onderwerp bestaat bij de gratie van een zekere belangeloosheid, een naïeve sociale onbevangenheid. Die heeft in elk geval in het kapitalisme dat we tot nu toe hebben meegemaakt niet bestaan, zoals Bourdieu overtuigend heeft laten zien. Maar wellicht wordt het mogelijk in het opscheppers-kapitalisme van nu. Hoe onbeschaamder de nieuwe rijken pochen op hun miljoenenvermogens, des te gunstiger worden de condities voor de bewonderaars van het roodharige klavierprinsesje om over haar muziek te praten zonder daar iets anders dan die muziek mee te bedoelen. Hoewel dat in het geval van Tori Amos eigenlijk niet gaat – maar dat heeft andere redenen.

 

‘Praten over Tori Amos in het opschepperskapitalisme’. In: Sociologisch Mokum. Jaargang 3 (1999-2000), zomer 2000.

Over het televisieprogramma Big Brother, 1999

Laatst vroeg iemand me of ik het televisieprogramma ‘De Bus’ volgde. Toen ik ontkennend antwoordde, zei hij: “Zo diep kan zelfs jij dus niet zinken.” Hij had me al eerder geplaagd met mijn trouw aan het programma ‘Big Brother’en hij stelde nu met opluchting vast dat zelfs ik op het gebied van tv-genot zekere grenzen niet overschrijd.

Wat een misverstand! Als het om muziek, film of televisie gaat probeer ik me zo weinig mogelijk gelegen te laten liggen aan de vraag of mijn keuzegedrag me wel in het goede kwadrant van Bourdieu brengt. Wat mijn gesprekspartner ontging, was dat ik in mijn ontkenning iets verontschuldigends had gelegd, zoals je doet als iemand vraagt of je dat belangwekkende artikel van Paul Scheffer in de NRC hebt gelezen: ‘Nee, sorry, ik weet dat het had gemoeten; ik heb het wel uitgeknipt, hoor.’ Dat ik niet kijk naar die bus is alleen maar omdat ik door Big Brother heb ontdekt hoeveel tijd zo’n programma me kost. Je kunt eigenlijk geen aflevering overslaan en ook de artikelen er omheen moet je een beetje bijhouden. Maar ik ben ervan overtuigd dat het een buitengewoon interessante uitzending is waar een socioloog iets van kan leren. Uit wat zij die wel kijken me erover vertellen leid ik af dat De Bus fascinerender is dan Big Brother – en dat vond ik al zo boeiend.

Van Big Brother heb ik vrijwel geen uitzending gemist. Sommige afleveringen heb ik opgenomen en zelfs meerdere malen bekeken. Hoewel ik uitsluitend voor mijn genoegen de gebeurtenissen volgde, zag ik veel dat ik in sociologisch opzicht  de moeite waard vond en dat ik in colleges kon gebruiken als weinig betrouwbaar maar suggestief illustratiemateriaal. Natuurlijk was Big Brother geen mooi gecontroleerd experiment. Voor de liefhebbers van de strenge laboratorium-achtige opzet was het veeleer een nachtmerrie: de deelnemers konden over de schutting al schreeuwend informatie uitwisselen met mensen buiten het complex, ze spraken met een psycholoog buiten het bereik van de camera’s, er kwamen na verloop van tijd nieuwe mensen bij die vertelden hoe er het in de buitenwereld aan toeging, ze kregen een keer de krant, ze mochten een keer met de familie bellen,  kortom, de makers deden er alles aan om de beoefenaren van de menswetenschappen te pesten. En vanuit hun standpunt gezien was dat ook terecht: hun doel was uitsluitend om een onderhoudend en goed bekeken programma te vervaardigen. Veel ernstiger was natuurlijk dat Veronica slechts dertig minuten uitzond van wat er gedurende 24 uur was gebeurd, en de fanaten die op internet volgden wat er allemaal niet werd getoond, lieten weten hoezeer de selectie gekleurd werd door de behoefte van de redactie om er een soort soap van te maken. Hoe de rellerige voice over van een non-event een adembenemende gebeurtenis wist te maken is afdoende geparodieerd in het programma Villa Muis.

En toch was het intrigerend om nu eens met je neus bovenop een huishouden te zitten. Wat ik altijd al zo graag wilde weten, namelijk hoe mensen achter de muren van het woonhuis met elkaar omgaan, als ze de deur achter zich hebben dichtgetrokken en niet meer door mij waargenomen denken te worden, op die vraag kreeg ik een begin van een antwoord. Natuurlijk waren ‘de bewoners’ zich heel goed van de camera’s bewust en naar eigen zeggen werden ze zich daar bewuster van naarmate het programma vorderde. En toch waren er soms momenten waarop ze zich zo naturel gedroegen, dat je even dacht: ja, zo zit het, zo gaan die dingen nou écht.

Afgezien van enkele uitzonderingen (zoals Kitty Roukens, Rineke van Daalen, Liset van Dijk) hebben mijn  collega-sociologen en antropologen, ook als ze er moeite voor deden, niet kunnen inzien wat er  belangwekkend was aan Big Brother. Er waren er die het programma een paar keer the benefit of the doubt gaven, maar er vervolgens ontgoocheld mee ophielden: te saai, te platvloers. Soms zei iemand zelfs: ‘Ik houd nu eenmaal niet van soap series’, alsof Big Brother een soort variant was op Goede Tijden Slechte Tijden. Ik moet bekennen dat ik soms de gedachte maar moeilijk van me kon afzetten dat degenen die zo reageerden onmogelijk goede sociologen konden zijn. Uiteindelijk is al het menselijk samenleven het product van interacties in die face to face contacten, die je in Big Brother kon waarnemen op een manier die nog nooit zo te zien was geweest (behalve misschien voor sociaal psychologen die laboratorium-onderzoek doen; en dan nog: die sturen hun proefpersonen aan het eind van de dag weer naar huis). Laat ik het maar eerlijk zeggen: dat ik De Bus niet volg is iets waarvoor ik me een beetje schaam.

Big Brother was op heel veel niveau’s en in tal van opzichten de moeite waard. Zo valt er veel te zeggen over de relatie tussen de geslachten. Welke socioloog zou hebben voorspeld dat de moestuin en de keuken het domein zouden worden van de heren, terwijl een van de dames vooral de coördinerende functies op zich nam?  Maar wat misschien het eigenaardigste was, was de relatie tussen de echte en de namaak-werkelijkheid. In een televisie-programma waarin een huiselijke situatie wordt nagespeeld, zoals bij voorbeeld in de serie Oppassen, weet je dat alles wat je ziet geacteerd is, dat die charmante moeder in werkelijkheid de bekende actrice Marieke van der Pol is. Maakt Frans Bromet een serie over opvoeden, dan weet je dat de ruzie tussen ouder en kind niet gespeeld is, maar in zekere zin echt, ook al zijn de betrokkenen zich bewust van het feit dat de televisiecamera draait. Maar hoe zit dat nou met Big Brother of met de Bus? Hoe werkelijk werkelijk werkelijk is, dat wordt voor wie goed kijkt een steeds onwerkelijker vraag.

Het was dus niet vreemd dat Nico Wilterdink zijn oratie als Amsterdamse hoogleraar in de cultuursociologie begon met enkele opmerkingen over Big Brother. De virtuele roem die de deelnemers zich hadden verworven tijdens hun verblijf in ‘Het Huis’ bleek plotseling heel reëel te zijn toen ze eind december weer naar buiten kwamen: Bart en Ruud zijn nu, in de ‘echte wereld’, getransformeerd tot Bekende Nederlanders. Hoe kritisch Wilterdink ook sprak over het postmoderne denken, hij constateerde dat de bewering dat de scheiding tussen virtuele werkelijkheid en echte werkelijkheid steeds vager wordt steeds werkelijker wordt.

De weerslag van deze ontwikkeling zie je in de sociologie bij voorbeeld bij de keuze van onderwerpen voor scripties. De student die twintig jaar geleden de positie van de vrouw in de sport zou hebben bestudeerd en tien jaar geleden het beeld dat sportmannen van sportvrouwen hebben, schrijft nu een scriptie over het beeld van de sportvrouw in de televisiereclame. Steeds meer studenten schrijven liever over hoe in soap series Marokkaanse middenstanders worden afgebeeld dan over de sociaal-economische positie van Marokkaanse middenstanders in de grote steden. Ik vind het een enigszins zorgwekkende ontwikkeling, maar hij past bij deze tijd.

Big Brother is inmiddels al weer drie maanden geleden afgelopen. Als ik er nu op terugzie en me afvraag wat me er het meest aan heeft verrast, dan is het vooral dat ik in oktober, november en december 1999 op een veel intenser manier betrokken ben geweest bij het wel en wee van enkele mensen die ik niet ken, dan bij het leven van mijn beste vrienden. Ik heb uren en uren gefascineerd gekeken naar Karin, me zorgen gemaakt over haar gezondheid, opgelucht meegelachen als ik zag dat ze kon schateren om een nare sexistische opmerking van Ruud. Ik heb die Karin veel vaker gezien en ik heb intensiever met haar meegeleefd dan met mijn eigen zusje in diezelfde periode. De plaats die ze nu in mijn hoofd inneemt is dan ook verontrustend groot. Ik denk vaak aan haar, ik vraag me wel eens af hoe zij op een bepaalde opmerking zou reageren, ik zou haar wel eens om advies willen vragen. Maar dat is natuurlijk belachelijk! Ik ken die mevrouw helemaal niet, ik zal haar nooit ontmoeten, ze speelt geen rol in mijn leven. Wat moet ik aan met al die hersencellen die vol zitten met een zekere Bart Spring in’t Veld, die ik niet ken en die ik ook helemaal niet wil kennen?

Maar daar staat iets tegenover: Ruud! Soms loop je een café binnen en daar zit dan een man van het type Ruud: grote bek, opschepper, sportschooltype, sexistische praatjes. Mijn natuurlijke neiging is om bij zo-iemand zo ver mogelijk uit de buurt te blijven. Als het echt niet anders kan zal ik een minuut of tien met hem praten. Welnu, deze Ruud heb ik gedurende tientallen uren met grote belangstelling gadegeslagen. Ik deed iets wat ik onder andere omstandigheden nooit zou hebben gedaan: ik gaf hem het voordeel van de twijfel gedurende drie maanden. En daarbij heb ik iets heel interessants ontdekt dat ik nog niet wist: van dit type mannen bestaan kennelijk exemplaren die heel vriendelijk en muzikaal en volstrekt ongevaarlijk zijn en die ik niet met achterdocht tegemoet hoef te treden. Een ander ontdekt dat misschien door te gaan kickboksen, ik had daar blijkbaar de omweg van een televisieprogramma voor nodig. Maar de gevolgen van deze ervaring zijn er niet minder om. Ik loop door de Kalverstraat, ik passeer de ene Ruud na de andere en ik denk: ‘Kijk, aardige man, kijk, nóg een aardige man.’ Sinds het najaar van 1999 is die Kalverstraat een veel vriendelijker plek geworden.

‘Kijk, aardige man. Kijk, nóg een aardige man’. In: Sociologisch Mokum, Jaargang 3 (1999-2000), april 2000. pp. 29-30.

 

Nostalgie en sociologie

Enkele van de mooiste boeken uit de wereldliteratuur zijn het product van nostalgische overpeinzingen: A la Recherche du Temps perdu van Proust (1913-1927) en Speak, Memory van Nabokov (1947). Het zijn ook verwante boeken. Wat ze gemeen hebben is niet alleen een bepaalde toon, het is ook de onwil om genoegen te nemen met een cliché-beeld van het verleden. Marcel Proust en Vladimir Nabokov streven naar een soms pijnlijk eerlijke reconstructie van hoe het in hun ogen werkelijk was.

Het gevolg van die inspanning is dat de hedendaagse lezer uit hun werk soms een glimp opvangt van hoe het moet hebben gevoeld, bij voorbeeld, om in het begin van deze eeuw met de trein te reizen. Wie nu de trein wel eens neemt, denkt misschien dat het niet zo heel anders zal zijn geweest aan het begin van deze eeuw, hoewel de treinen toen natuurlijk nog niet zo hard reden. Dat laatste is niet waar: afgezien van de moderne hoge-snelheidstreinen ging het rond 1900 helemaal niet zo veel trager dan nu. Maar het voelde wel anders aan. De trein die in het boek van Nabokov voorbij komt en die moet dateren van omstreeks 1910 is al meer dan een halve eeuw uitgestorven:

“Wanneer op zulke reizen de trein zijn snelheid wijzigde in een waardige sukkelgang en terwijl we door een grote Duitse stad kwamen de huizengevels en winkelborden vrijwel schampte, voelde ik altijd een tweeledige opwinding, die eindstations niet konden geven. Ik zag een stad, met haar trams, lindebomen en baksteenmuren als speelgoed, de coupé in komen, goede maatjes worden met de spiegels, en tot de rand de ramen aan de gangkant vullen. Dit ongedwongen contact tussen trein en stad was het ene deel van de sensatie. Het andere was dat ik me in de plaats stelde van een zekere voorbijganger, die naar ik me verbeeldde werd geroerd zoals ik zelf zou worden geroerd bij het zien van de lange, romantische, kastanjebruine rijtuigen, met hun verbindende harmonika’s tussen de balkons zwart als vleermuisvleugels en hun metalen belettering helder als koper in de lage zon, die zonder haast een ijzeren brug over een alledaagse hoofdstraat passeerden, en dan, met alle ramen opeens in  lichterlaaie, een laatste huizenblok rondden.” (Geheugen spreek, de vertaling van 1992: 146-147)

Dat ik me bij deze woorden nog veel kan voorstellen komt ten dele doordat ik toen ik acht was een speelgoedtrein had uit de jaren twintig, met een Wagon Lits wagen, die sprekend leek op die welke Nabokov beschrijft. Ook Proust schreef over treinen, maar hij voelde wel degelijk de opwinding van de stations, die Nabokov kennelijk onberoerd lieten. En ook die stations van Proust zijn allang verdwenen:

“Men moet elke hoop laten varen ’s avonds thuis te slapen wanneer men eenmaal besloten heeft het stinkende hol binnen te gaan waardoor men toegang heeft tot het mysterie, een van die grote glazen werkplaatsen zoals het station Saint-Lazare waar ik de trein naar Balbec nam, en dat boven de openliggende stad een van die immense harde en van dramatische dreigingen zwangere luchten uitspreidt, zoals sommige luchten van bijna Parijs aandoende moderniteit bij Mantegna en Veronese, een hemel waaronder zich enkel een verschrikkelijke en plechtige daad kan voltrekken zoals een vertrek per spoor of de oprichting van het Kruis.” (In de schaduw van de bloeiende meisjes, de vertaling van 1985: 230)

Ik ken het station Saint Lazare toevallig heel goed en ik heb enkele schilderijen van Mantegna en Veronese gezien, maar de associatie komt me ongerijmd voor en de reden is simpel: er worden geen stoomlocomotieven meer gebruikt. Dat ik Proust toch kan volgen komt door schilders als Manet en Caillebotte die meerdere malen de brug achter het station Saint Lazare tot onderwerp hebben genomen. Zo helpen de grote schilders en schrijvers ons om te kunnen fantaseren over een verleden dat we zelf nooit hebben meegemaakt en waarvan we bepaalde dingen nooit zullen weten. Proust heeft het bij voorbeeld over een “stinkend hol”, maar de geur van zo’n Parijs’ kopstation kan niemand meer “naruiken”, die is langzaam van de aarde weggedreven, als de ballon van een wanhopige peuter.

Ook in de sociologie is de nostalgische inspiratie een belangrijk element in het beste werk dat die discipline heeft opgeleverd. Veel van de 19e eeuwse Franse voorlopers van de sociologie bezagen het verleden van vóór de Franse revolutie met een mengeling van heimwee naar wat voor hun ogen bezig was voorgoed verloren te gaan en aanvaarding van de onvermijdelijkheid van wat werd aangeduid als “de vooruitgang”. Die mengeling van spijt en voorname geresigneerdheid is misschien wel het sterkst bij Tocqueville. In alles wat hij schrijft over de democratisering van de moderne samenleving voel je een diep verlangen naar de oude aristocratische wereld waarin de laag waaruit hij zelf afkomstig was, de feodale adel, bepaalde hoge maatschappelijke waarden levend hield, waarden die in de gedemocratiseerde wereld van de toekomst waarschijnlijk niet zouden overleven. Maar aan de andere kant  meent hij dat zijn eigen klasse op het politieke toneel is uitgespeeld, dat de snel groeiende middengroepen het maatschappelijk zwaartepunt zullen vormen en dat het zinloos is om te proberen die ontwikkeling te stuiten. Sterker: in Amerika ziet hij tal van voordelen van democratiseringsprocessen die hij zijn Franse landgenoten met enthousiasme voorhoudt. En toch klinkt in alles een diepe ondertoon van melancholie over wat verloren gaat. Het is juist die spanning die zijn werk zo intrigerend maakt en die de hedendaagse lezer in staat stelt om met de auteur mee te voelen.

En dan is er dat andere titanische oeuvre in de sociologie waarin het nostalgisch element heel voelbaar is: het werk van Max Weber. Eén van de beroemdste woorden van Weber is Entzauberung en inderdaad is dat, meer nog dan de term “rationalisering”, het begrip dat zijn visie samenvat. Dat de wereld haar tover verliest is iets dat Weber met lede ogen aanziet en toch weet hij dat wij het allemaal zo willen, hij zelf niet uitgezonderd. Weber legt zich niet alleen neer bij een ontwikkeling die nu eenmaal onvermijdelijk is, hij erkent dat ook hij die ontwikkeling wenst. Deze rationalistische hoogleraar wil natuurlijk niet dat er in het moderne Duitsland recht wordt gesproken door wijze kadi’s, wier besluiten ondoorgrondelijk en in het oog van de leek soms heel onrechtvaardig zijn, maar die toch worden aanvaard omdat aan deze rechters bovenaardse inspiratie wordt toegedicht.  Het spreekt vanzelf dat hij er niet voor pleit dat de Nederlanders weer in meerderheid gaan geloven dat God in eigen persoon het huis van Oranje heeft opgedragen om over de lage landen de scepter te zwaaien. Maar wanneer hij schrijft dat de moderne rechters ambtenaren zijn die een bepaalde opleiding hebben gevolgd,  die worden aangesteld op grond van bepaalde diploma’s, die in een hiërarchische organisatie moeten opereren, die al hun besluiten moeten laten overeenstemmen met schriftelijk vastgelegde regelingen, dan bespeurt de lezer toch een zeker onbehagen. Weber weet zijn romantische impulsen goed onder controle te houden, maar een wereld die geheel berekenbaar en voorspelbaar is geworden maakt hem niet vrolijk. En alweer: het is juist die spanning die het werk zijn betoverende kracht geeft.

De nostalgische aandrift speelt een rol in enkele van de allermooiste literaire boeken en in de hoogtepunten uit de sociologische literatuur. Dat geldt niet voor de andere kunsten, zoals de schilderkunst of de muziek. Er bestaan nostalgische schilderijen (Anton Pieck, Norman Rockwell) en er bestaat nostalgische muziek (Carmina Burana), maar dat zijn niet de beste werken. Het geldt ook niet voor andere wetenschappelijke disciplines dan de sociologie. Een historicus die zich laat inspireren door zijn nostalgie beoefent zijn vak verkeerd. Een cultureel antropoloog die zich door nostalgische overwegingen laat meeslepen raakt het spoor bijster. Kennelijk gelden voor de sociologie en de literatuur andere wetten: een sociologische studie is pas geslaagd als er ergens een trein doorheen rijdt waarvan de ramen opeens in lichterlaaie staan.

‘De nostalgische inspiratie’. In: Sociologisch Mokum, Jaargang 3 (1999-2000), nummer 3. februari 2000. pp. 27-28. Herdrukt in: Bart van Heerikhuizen, Multoblaadjes. Diemen: AMB, 2013. pp. 184-188.