De Bart van 1964 en de Bart van 2014: correspondentie. (1964, 2014)

hallo-bart

Sinds 2 mei 1964 houd ik een dagboek bij. Aanvankelijk schreef ik mijn notities op de gelinieerde en geperforeerde velletjes die ik ook op school gebruikte – zogenaamde ‘multoblaadjes’. Dat werd al snel de naam van mijn verzameling aantekeningen. Ik schrijf nog dagelijks multoblaadjes, al doe ik het sinds 1995 op een computer. Soms blijkt zo’n fragment de aanzet tot een artikel of een column en vanaf vandaag, 2 mei 2014, een blog-bericht. Toen ik mijn eerste multoblaadje schreef, dacht ik dat het een memorabel moment was; ik noteerde het tijdstip: ’5 over 6 op mijn ongelijk lopende horloge’. In dat eerste multoblaadje  schreef ik deze zin:

Hallo Bart van over 50 jaar, je bent er nog niet, maar eens zul je er belanden en dan zul je nog wel eens aan dit moment denken.

Vandaag is het zo ver: ik ben precies vijftig jaar verder in de tijd. En nu wil ik iets terug zeggen:

Hallo Bart van 50 jaar geleden. Ik herlas vandaag het eerste multoblaadje en ik raakte ontroerd door hoe je daar naar me stond te zwaaien door de nevel van de tijd. Het klinkt misschien een beetje ondankbaar, maar ik vraag me nu steeds af of er in deze vriendelijke zin niet toch een foutje zit. Je schrijft: ‘Hallo Bart van over 50 jaar.’ Maar meteen erna schrijf je: ‘Je bent er nog niet, maar eens zul je er belanden.’ Ik heb nagedacht over wie die ‘je’ kan zijn en het kan niet anders of je spreekt hier jezelf toe, de Bart van 1964. Dat is een gebruikelijke stijlfiguur in een dagboek: zichzelf moed inspreken, zichzelf verwijten maken, zichzelf troosten. Wat er dan gebeurt is wonderlijk: de schrijver splitst zich in tweeën. Aan de ene kant degene die de ballpoint vasthoudt; aan de andere kant een tweede ik, de ontvanger. Maar hoe wonderlijk dat ook is, het is niet uitzonderlijk: er zijn zo veel mensen die zichzelf soms even toespreken. Zo kun je deze zin dus lezen: Hallo Bart van 1964, je bent nu nog niet in 2014, maar eens zul je er belanden en als je daar bent gearriveerd, dan zul je vast nog wel eens aan dit moment in 1964 terugdenken. Als je de zin zo herschrijft, dan klopt hij. Maar zoals je hem nu hebt opgeschreven wringt het, want er staat: ‘Hallo Bart van over 50 jaar.’ En dan kun je niet zeggen: ‘je bent er nog niet’, want die Bart van over vijftig jaar is daar juist wél – en ik kan het weten, want degene over wie het hier gaat, dat ben ik, gezeten achter mijn computer, hier in de Vondelstraat. Dus volgens mij zit er in deze zin een foutje.

Nu leef ik me in de Bart van 1964 in, ik probeer me weer voor te stellen hoe het aanvoelde om mij te zijn in mei 1964, hoe ik zou hebben geantwoord als ik in 1964 bovenstaande woorden had kunnen lezen. Ik denk dat mijn antwoord ongeveer als volgt zou luiden:

Hallo Bart van 2014, wat leuk dat je reageert op dat eerste multoblaadje, waarin ik je even toezwaai; daar had ik niet op gerekend. Jammer alleen dat die zin inderdaad een beetje krom is. Hij schoot iets te gemakkelijk uit mijn BIC-ballpoint – dat is ook te zien aan het slordige handschrift en de haastige doorhalingen. Het ging me eigenlijk in die alinea om iets anders, namelijk de gedachte dat je een herinneringspunt bij je volle bewustzijn kunt aanbrengen op je biografische tijdslijn. Daar was ik zo mee in de weer dat dit zinnetje er een beetje gedachtenloos tussendoor glipte. Maar nu je het zegt, ja, ik moet bij nader inzien toegeven dat het een onhandige formulering was. Maar die groet aan jou was van harte gemeend, hoor…

Nu de Bart van 1964 zijn redeneerfout ronduit toegeeft, bekijk ik het vreemde zinnetje nog eens wat beter. Heb ik eigenlijk wel gelijk? Misschien is er een andere interpretatie mogelijk, waardoor hij bij nader inzien toch klopt. Ik leg mijn nieuwe overweging voor aan de Bart van 1964:

Hallo Bart van 1964. Nog even over die zin. Toen je hem schreef splitste je jezelf in een auteur en een lezer: de auteur, dat ben jij, de Bart van 1964; de lezer is de Bart van 2014, de Bart van over 50 jaar. Maar die Bart van 2014, die leefde op het moment dat jij die zin noteerde in jou als een belofte, als een ongeborene in de buik van de moeder. Je spreekt dus eigenlijk de Bart van 2014 toe die al in 1964 in jou aanwezig is, als je zegt:  ‘Hallo Bart van over 50 jaar, je bent er nog niet, maar eens zul je er belanden en dan zul je nog wel eens aan dit moment denken.’  Dat ik op dit moment, bijna 66 jaar oud, in mij een veel jonger iemand aanwezig voel, een jongen van bijna 16 die dat eerste multoblaadje schreef en die ik nog zo goed ken dat ik zijn antwoorden op mijn vragen kan bedenken, dat is niet zo bijzonder. Maar dat jij, een puber nog, in jezelf de aanwezigheid voelt van mij, de alweer sinds een jaar gepensioneerde sociologie-docent, dat vind ik, om een uitdrukking te gebruiken die in 1964 nog niet bestond, ‘best wel een beetje apart’.

Deze keer is de Bart van 1964 minder meegaand. Hij antwoordt:

Hallo Bart van over vijftig jaar. Neem me niet kwalijk, maar nu maak je het nodeloos ingewikkeld en ook een beetje gewild mysterieus. Je weet dat ik daar niet dol op ben. Ik weet heel goed wat mij door het hoofd speelde toen ik deze zin een beetje onhandig aan het papier prijs gaf en, eerlijk waar, zulke diepzinnige dingen als jij er nu in leest heb ik er helemaal niet mee bedoeld. Je zoekt er nu echt te veel achter.

Hij is deze conversatie op 2 mei 1964 zelf begonnen, dus ik vind dat ik nu recht heb op het laatste woord:

Hallo Bart van vijftig jaar geleden. Die zin is je, zoals je het zelf formuleerde, ontglipt, hij schoot uit je BIC, je gaf hem prijs, het leek wel een soort écriture automatique. Wat er gebeurde was werkelijk een beetje mysterieus: je schrijvende hand werd heel even gestuurd door mij, de in jou aanwezige Bart die vandaag, op 2 mei 2014 om vijf minuten over zes op mijn radio-controlled horloge, zijn eerste blog-tekst online zet en het internet op gaat met jouw, met mijn, met onze multoblaadjes.