De geest van Tocqueville (2013)

Enkele maanden geleden werd ik 65 en dus moest ik, na 40 jaar sociologie te hebben gedoceerd aan de Universiteit van Amsterdam, met pensioen. Studenten en collega’s organiseerden een afscheidsfeestje en ik kreeg een heel bijzonder cadeau: één week geheel verzorgd in het kasteel van Alexis de Tocqueville. Ik was overrompeld en de aanwezigen konden zien hoe dat er nou uitzag: een sociologiedocent die zat te strálen!

In mijn veertig jaar bij de UvA heb ik colleges gegeven over grote negentiende eeuwse sociologische denkers, zoals Auguste Comte, Alexis de Tocqueville, Karl Marx, Herbert Spencer en Emile Durkheim. In de loop der jaren werden mijn voorkeuren en antipathieen uitgesprokener. Zo ontwikkelde ik een steeds sterkere afkeer van Karl Marx. Wat een vreselijk imponeerproza schreef die man in zijn vroege manuscripten; wat snauwde hij zijn lezers onbehouwen toe in zijn latere boeken. En gedurende die veertig jaar ging ik steeds meer houden van de Franse politieke filosoof Alexis de Tocqueville, die leefde van 1805 tot 1859. Deze edelman, die het bracht tot minister van buitenlandse zaken, schreef op zijn dertigste een schitterend boek over het politieke en sociale leven in de Verenigde Staten. Tocqueville doorkruiste gedurende negen maanden het grote Amerika van Canada tot New Orleans, samen met zijn vriend Gustave de Beaumont. In zijn boek gaat het er onder meer over hoe in de president en het parlement, de progressieve en conservatieve politici, de federale overheid en de statelijke overheden elkaar in evenwicht houden, het beroemde model van checks and balances. Maar Tocqueville schrijft ook kritisch wat dit democratische systeem bedreigt: populisme, conformisme, de heerschappij van de grauwe middelmaat, de kans op meerderheidstirannie en in het bijzonder de wrede onderdrukking die hij geschokt waarnam van zwarte Amerikanen door de blanke meerderheid. Tocqueville snauwt zijn lezer nooit toe, maar legt hem hoffelijk zijn nieuwe inzichten voor. In mijn colleges maakte ik er geen geheim van dat Tocqueville mijn grote held was.

En nu mocht ik dus, op kosten van mijn vrienden, collega’s en studenten, een weekje logeren in zijn kasteel op het Normandische schiereiland, niet ver van Cherbourg. Dat familiekasteel bestaat nog altijd en het is ook nog steeds in het bezit is van de graaf De Tocqueville, die een toren van het slot beschikbaar stelt aan vermogende, veelal Amerikaanse, toeristen. Precies vier weken geleden zat ik in de studeerkamer van Alexis de Tocqueville achter zijn bureau emailtjes te schrijven, onder meer aan Lisa Rubinstein en Stephan de Groot, uitkijkend op dezelfde Engelse tuin, die ook hij zag als hij werkte aan zijn Souvenirs of aan l’Ancien régime et la révolution. In de bureaulade lag de eerste editie van De la démocratie en Amérique (het eerste deel van 1835 en het tweede van 1840), waarin iemand met potlood had geschreven dat dit exemplaar had toebehoord aan de auteur zelf. In die lade lag ook een boek van Gustave de Beaumont, de vriend met wie hij door de Verenigde Staten reisde. Beaumont schreef een roman, Marie geheten, waarin hij de slavernij in de Verenigde Staten fel aanklaagt. Tocqueville en Beaumont waren allebei verbijsterd over de onderdrukking van zwarte mannen en vrouwen in de Verenigde Staten, maar de één schreef er essayistisch over en de ander in de vorm van een roman. Het exemplaar dat hier voor me lag bevatte een persoonlijke opdracht. In zwierig handschrift, alsof de auteur het er gisteren in had gezet, stond daar bovenaan de titelpagina: pour mon meilleur ami Alexis de Tocqueville. Ik wist helemaal niet dat deze woorden in het bijzondere exemplaar stonden, waarin ik zat te bladeren. Zoiets komt hard aan. En door dit soort ervaringen geraakte ik in een wonderlijke geestesgesteldheid.

In de zitkamer hing een olieverfschilderij, een levensgroot portret van Tocqueville, dat is gereproduceerd in elke biografie die over hem is verschenen, de afbeelding opent ook mijn college-powerpoints. Maar dit was het origineel. In het holst van de nacht van maandag, 16 op dinsdag, 17 oktober, toen in Amerika debatten over het schuldenplafond werden gevoerd, zat ik op een bank onder dat schilderij het nieuws te checken op mijn iPad. Het was net volle maan, buiten woedde een felle storm, het kan flink spoken daar in Normandie. En ineens maakte zich de figuur los uit het olieverfschilderij en kwam naast me op de bank zitten. Hij begreep meteen dat ik op mijn tablet de gebeurtenissen in de Verenigde Staten op de voet volgde. Alexis de Tocqueville die in 1831 gedurende 34 dagen straalmisselijk op de boot naar New York had doorgebracht, om het Amerikaanse democratische stelsel te kunnen bestuderen liet merken dat hij zo’n iPad veel gerieflijker vond. Hij was kinderlijk opgetogen over het feit dat hij hier, nota bene in zijn eigen kasteeltje, rechtstreeks de debatten kon volgen in het Huis van Afgevaardigden, hij reageerde enthousiast toen ik de opiniepagina van de Washington Post te voorschijn toverde, hij ontpopte zich ter plekke als een fan van CNN-commentator Wolf Blitzer. Ik moest hem wel even op de hoogte stellen over de government shutdown en over de debt ceiling; ik vertelde hem dat in deze spookachtige nacht mensen over de hele aardbol zich huiverend afvroegen of de radicalen in de republikeinse partij werkelijk het wereldomspannende economische stelsel zouden opblazen, omdat ze het niet eens waren met een wet op de gezondheidszorg. Maar de geest van Tocqueville had mijn uitleg nauwelijks nodig. Hij begreep moeiteloos het conflict tussen de president en het parlement, de gevechten tussen tea party republikeinen en gematigde republikeinen, de frictie tussen de Senaat en het House of Representatives, het populisme van de initiatiefnemers tot de shutdown, hij herkende met een glimlach de demagogie van senator Ted Cruz. Naast me hoorde ik zijn zachte stem: Plus ca change, plus c’est la meme chose. Toen de ramp zich uiteindelijk toch niet voltrok, werd het tijd voor de slotacte: Obama’s persconferentie. Ik had mijn doorschijnende gast verteld dat de huidige president van de Verenigde Staten een begenadigd politiek orator was en hij was nu heel benieuwd. Keer op keer werd de persconferentie een kwartiertje uitgesteld, de spanning op ons bankje steeg. Het was pas tegen drie uur in de ochtend, Europese tijd, toen eindelijk de deuren van het zaaltje vol journalisten open zwaaiden en Obama zijn entree maakte. De verschijning naast me prevelde: hij is zwart, het is een zwarte man, Amerika heeft een zwarte president… In het schijnsel van de volle maan zag ik hoe een lijkbleke geest er uit ziet als die zit… te strálen.

‘De geest van Tocqueville’. Column, uitgesproken in het programma Swammerdam op het radiostation AmsterdamFM op 10 november 2013. In iets aangepaste versie gepubliceerd: ‘De geest van Tocqueville’. In: Sociologisch Mokum. Jaargang 2013-2014, nummer 2, april 2014. pp. 34-37.